pagina's

donderdag 2 december 2010

Het rapport van de commissie van drie over het UWV

2 december 2010 is de verschijningsdatum van het rapport van de commissie van drie over het UWV. Dit rapport is belangrijk met name ten aanzien van de toekomst van het UWV en welke taken deze instelling zou moeten hebben in verband met de invoering van de wet werken naar vermogen. Deze wet beoogt immers, dat een aanzienlijk deel van de reintegratiegelden die tot dan toe door het UWV gebruikt werden, overgaan naar de gemeenten aangezien de gedeeltelijk arbeidsongeschikte Wajongers onder de nieuwe wet werken naar vermogen zouden moeten vallen die decentraal uitgevoerd moet worden door de gemeenten. Het lijkt erop dat memo 3 en memo 5 op deze materie betrekking hebben. Eigenlijk gaat het sowieso om de vraag, of er nog wel een apart uitvoeringsorgaan moet bestaan voor de uitvoering van werknemersverzekeringen zoals de WW, de Wajong, de Ziektewet en de WIA of WAO. Daarin spelen figuren uit de wereld van de pensioenfondsen als adviseur een rol. (Oa bij de advisering over het tot standkomen van de WIA). En de gemeenten spelen natuurlijk een rol in het naar zich toe trekken van bevoegdheden. Minister Kamp heeft tijdens de verkiezingen gezegd, dat hij voorstander was van afschaffing van het UWV. Globaal blijken er drie standpunten te zijn over de toekomst van het UWV, waarbij het vooral ook gaat om de organisatie van de arbeidsbemiddeling van werklozen en waar die gelden naartoe gaan. (Afgezien van de bezuinigingen) De gemeenten willen zichzelf een grotere rol toebedelen en dat willen de politieke partijen in de Tweede Kamer VVD, CDA en PvdA ook. Het tweede standpunt wordt ingenomen door de werkgevers, die een grotere rol zien weggelegd voor uitzendbureau’s in de bemiddeling en niet bij de gemeenten of het UWV. En het derde standpunt wordt ingenomen door de vakbonden, die alles bij het oude willen laten. In feite is er een ontwikkeling op gang gekomen, waarbij in de toekomst het UWV, waarop sterk zal worden bezuinigd, alleen nog zijn expertise op het gebied van keuringen zal inzetten en de arbeidsbemiddeling geheel verdwijnt bij dat instituuut. Bij het UWV werkten in 2011 20.000 mensen, ruim 10.000 minder dan bij de oprichting in 2002. De bedoeling is dat er nog duizenden banen gaan verdwijnen. Nu al werken de UWV en de gemeenten samen op de werkpleinen, hoewel van een algehele integratie nog lang geen sprake is en de gemeenten en het UWV nog veel langs elkaar heen werken. Het driemanschap publiceerde begin december 2010 haar bevindingen, vlak voor de datum van de eerste memoset die ons werd toegestuurd. De resultaten van het rapport van de commissie van drie zal in deze memoset verwerkt zijn. Je zou dus kunnen zeggen dat de hoofdlijnen van de ontwikkeling en van het beleid eind december 2010 al vaststonden. ]]>

zondag 21 november 2010

Nieuwe rapporten en cijfers over uitstroom van bijstandsgerechtigden

Een ander rapport dat ik in de voorbereidingsfase noem is van de Inspectie Werk en Inkomen van 22 november 2010. De Inspectie concludeert dat er meer aandacht nodig is voor WWB’ers en WW’ers die op meerdere gebieden problemen hebben. Het gaat om een grote groep mensen: zo heeft naar schatting ruim de helft van de 300.000 mensen in de WWB ernstige problemen op meerdere gebieden. Goede hulp aan mensen met meerdere problemen vereist maatwerk. Een goede samenwerking met organisaties op andere terreinen – zoals zorg, onderwijs en huisvesting – is daarbij essentieel. Vaak is het van belang om de cliënt door te sturen naar meer specialistische ondersteuning.


Om de juiste dienstverlening te geven, moet zo vroeg mogelijk duidelijk worden dat er meerdere problemen zijn. Zonodig moet de cliënt worden doorverwezen naar meer intensieve dienstverlening. In de praktijk is dat vaak lastig: veel cliënten zijn huiverig om meteen al hun problemen op tafel te leggen. En voor de contactpersonen van gemeente en UWV is het doorvragen naar problemen niet altijd een vast onderdeel van het eerste gesprek. Naast een snelle en juiste diagnose is een grote mate van betrokkenheid van de klantmanager onmisbaar om mensen met meerdere problemen goed te kunnen helpen. Hij of zij moet een vertrouwensband kunnen opbouwen en flexibel kunnen zijn. De intensieve dienstverlening aan deze mensen vraagt natuurlijk meer tijd en aandacht dan begeleiding van mensen die zelf min of meer in staat zijn werk te vinden. Er is sprake van een spanning tussen de dienstverlening die nodig is en het aantal cliënten van een klantmanager die zich toelegt op deze probleemgevallen.

Het is moeilijk om het resultaat van de dienstverlening aan mensen met een opeenstapeling van problemen precies te meten en aan te tonen. Het is meestal niet uit te drukken in aantallen plaatsingen naar werk. Het resultaat bestaat vaak uit persoonlijke effecten, zoals meer welzijn en een verkleining van de afstand tot werk. Ook zijn er maatschappelijke effecten, zoals minder beroep op gezondheidszorg, verbeterde veiligheid, minder criminaliteit. Die persoonlijke en maatschappelijke effecten van dienstverlening zijn vaak onvoldoende zichtbaar. [1]

Op dezelfde dag waarop het rapport van de Inspectie verschijnt ziet de reintegratie monitor van de Raad voor Werk en Inkomen het licht. Er wordt verder bekend, dat juist nu gemeenten er beter in slagen mensen uit de bijstand aan werk te helpen, het mes rigoureus in het re-integratiebudget gaat. Door deze bezuinigingen vanuit Den Haag – zeker 100 miljoen minder in 2011 luidt de prognose – raken gemeenten in de klem doordat het aantal bijstandsklanten weer groeit, zoals de re-integratiemonitor van de Raad voor Werk en Inkomen (RWI) liet zien. Van de mensen die via de sociale dienst in 2007 met re-integratie zijn begonnen, is bijna de helft (47 procent) binnen twee jaar betaald aan het werk gegaan, blijkt uit de jongste cijfers. [2]


[2] Lees het complete artikel op de website van De Volkskrant.
]]>

zondag 14 november 2010

Waarom komen uitkeringsgerechtigden niet in verzet. Deel III

Op de talloze discussiebijeenkomsten van de Euromarsen in Nederland en in de andere landen kwamen de sterke en zwakke punten van de mondialiseringsbeweging en het politieke vraagstuk van de (sociale) grondrechten al snel na 1997 aan de orde. Hoofdlijn in de discussies was, dat wij in de eerste plaats ernaar moesten streven een verband te leggen tussen onze belangenbehartiging, het nastreven van sociale grondrechten op Europees niveau, en andere (deel) onderwerpen. Op die wijze zou een samenhangende kritiek op het neo-liberale Europa kunnen worden geformuleerd en zouden de sociale bewegingen elkaar kunnen versterken. In dat kader werd besloten veel energie te steken in de organisatie van de Europese Sociale Fora die in het kielzog van het Wereld Sociaal Forum werden gehouden en waar verschillende sociale bewegingen uit verschillende hoeken zoals de milieubeweging, de vredesbeweging en anderen samenkwamen om alternatieven te formuleren. Met die sociale fora gaat het- samen met het ineenstorten van de mondialiseringsbeweging- overigens niet zo goed, maar dit betekent niet dat uitwerking van inhoudelijke alternatieven en kritiek in hun onderlinge samenhang niet op andere wijze voor het voetlicht kunnen worden gebracht.PvdL

]]>

zaterdag 13 november 2010

Waarom komen uitkeringsgerechtigden niet in verzet. Deel II

Ditzelfde is ook in Frankrijk, waar het gezegde is, dat iedere Fransman wel een werkloze in zijn naaste familie heeft, en dus begrip heeft voor de standpunten van de werklozen. Hoe dit zich momenteel in Nederland ontwikkelt weet ik niet. Aan de ene kant zorgt het overheidsbeleid voor een sterke tweedeling van een soort onderklasse van kanslozen met weinig contacten in andere groepen versus een gegoede middenklasse die neerkijkt op de werklozen. Aan de andere kant zijn de ontwikkelingen naar massa-werkloosheid op de arbeidsmarkt dat ook veel hoger opgeleiden massaal werkloos worden en geen nieuw werk kunnen vinden. Dit is in mijn ogen echter nog een vrij recente ontwikkeling, als gevolg van de economische crisis.5. Ik ben het niet eens met de stelling van sommigen, dat symbolische acties geen zin hebben. Werklozen bouwen een beweging niet op door te pogen, massale demonstraties te organiseren, maar door ontregelingsakties van relatief kleine groepen, die veel publiciteit halen. Ook dit gebeurde in het begin in Nederland in de zeventiger jaren en halverwege de tachtiger jaren en in Frankrijk. Argentinie is ook een voorbeeld.

In Nederland waren de voorwaarden vooralsnog niet zo gunstig. We hadden een sociaal-democratie die samenwerkte met de liberalen, en er was naast een ver doorgevoerde flexibilisering van de arbeid een veelheid aan belangenposities van werklozen, waardoor er een sterker dan elders ver doorgevoerde individualisering van de werkloosheid was. Het is je persoonlijke probleem, en geen maatschappelijk probleem. Hierboven heb ik echter al aangegeven, dat met de nieuwe regering dit niet zo hoeft te blijven. Er zijn zowel ontwikkelingen die het ontstaan van een verzetsbeweging begunstigen, als ontwikkelingen die dat juist verder bemoeilijken. Welke kant het op zal gaan lijkt me onvoorspelbaar.
]]>

vrijdag 5 november 2010

De posities worden ingenomen

Op 8 november 2010 verschijnt een bericht in het Financieel Dagblad, waarin staat dat op het ministerie SOZAWE volgens de schrijver van het artikel ‘koortsachtig’ gewerkt wordt aan wat de grote hervorming van het kabinet Rutte moet worden: de invoering van de WWNV met haar samenvoeging van WWB, Wajong en WSW. Een woordvoerder van de staatssecretaris laat weten dat de concrete invulling van het plan een maand later komt, bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken in de Tweede Kamer. 
De woordvoerder laat verder weten dat de ruim 100.000 mensen met de indicatie ‘sociale werkplaats’, de dans ontspringen. Zij behouden hun beschutte werkplek.Cedris, de branchevereniging voor de sociale werkvoorziening (WSW) stelt alvast nuchter vast dat dit weinig ruimte creëert voor de 19.000 mensen op haar wachtlijsten. ‘In 1998 zijn de WSW-eisen verscherpt. Er zitten bij ons nog mensen van voor die tijd die naar de huidige maatstaven geen sociale werkplek zouden krijgen’, zegt voorzitter Joan Leemhuis-Stout. Lees het volledige bericht op de website van het Financieele Dagblad.

De vraag is, in hoeverre het artikel in het Financieel Dagblad van 8 november 2010 juist is. Uit een toespraak van de staatssecretaris in december 2010 blijkt, dat er pas op 15 november een ambtelijk ‘programmateam’ werken naar vermogen was geformeerd, in eerste instantie onder leiding van de functionaris Petra Lugtenburg. [1]De staatssecretaris deelde mee, dat dit team sinds 15 november hard aan het werk was. Op 15 november verschijnt blijkens de ons toegestuurde stukken ook een geheim gebleven nota. Vanaf 15 november moet de staatssecretaris behoudens enkele afwijkingen iedere donderdag met het programmateam hebben overlegd. Uit verschillende memo’s blijkt dat op die dag overleg met de staatssecretaris plaatsvond. De memo’s en nota’s die ons werden toegestuurd werden meestal enkele dagen voor dat overleg samengesteld. Op 5 november blijkt, dat de onderhandelingen van het Ministerie met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en wellicht met andere maatschappelijke organisaties nog niet zijn begonnen. Op die dag wordt het congres van de VNG gehouden. Marco Florijn, toen wethouder in Leeuwarden en voorzitter van de commissie werk en inkomen van de VNG, deelde blijkens een bericht op de website van DIVOSA het volgende mee. Gemeenten kunnen en willen verantwoordelijkheid nemen voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Maar ze hebben daarbij ook andere instanties nodig. De VNG wil daarom snel in gesprek met kabinet, sociale partners en onderwijsinstellingen om afspraken te maken. “We moeten geen tijd verspillen aan discussies over wie de baas is, maar stappen maken en over onze eigen schaduw heen springen”, aldus Marco Florijn tijdens het congres van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa. Florijn was toen voorzitter van de commissie Werk en Inkomen van de VNG en wethouder in de gemeente Leeuwarden. Hij wil met het kabinet, sociale partners en vertegenwoordigers van het onderwijs afspraken maken over hoe we verder moeten met één regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt. Wat moet er in de regeling en hoe gaan we hem uitvoeren? Florijn gaf aan dat deze afspraken niet gemaakt kunnen worden zonder daarbij de kennis en ervaring van gemeenten te gebruiken. Ook benadrukte hij de noodzaak tot samenwerking tussen gemeenten, UWV, Cedris en het ministerie van SZW.

Het kabinet heeft plannen om te komen tot één regeling voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt (Wajong, WSW, WWB), die wordt uitgevoerd door gemeenten. Om van de regeling een succes te maken zijn volgens de VNG de volgende punten noodzakelijk:
  • investeren in samenwerking met werkgevers en onderwijs: zij hebben de banen en de opleidingen om mensen te plaatsen
  • landelijke inzet op samenwerking met belangrijke sectoren: de VNG wil graag met overkoepelende sectoren landelijke afspraken maken die vervolgens in de regio worden opgepakt
  • duidelijkheid van het kabinet over budgetten, verantwoordelijkheden, middelen en mogelijkheden
Een aantal sectoren zit te springen om arbeidskrachten. Gemeenten willen graag in de regio met die sectoren samenwerken en banen vervullen. De VNG wil afspraken maken waar gemeenten mee verder kunnen.
Marco Florijn is nu wethouder in Rotterdam. 


[1]  Toespraak staatssecretaris De Krom van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens het RUA Symposium op 29 november 2010 in Amsterdam. De staatssecretaris benadrukt de noodzaak van regionale samenwerking tussen lagere overheden, instanties en werkgevers. Wat dit laatste betreft noemt hij als een mooi voorbeeld CAP100, het initiatief van de Lucille Werner Stichting om honderd mensen met een beperking aan de slag te helpen bij grote bedrijven.

]]>

maandag 25 oktober 2010

Een zondagmiddag in Wijk bij Duurstede


Jeugdherinnering


Op mijn tenen kijkend door het raam

een dak, een plompe toren- langzaamaan

zie ik – reikhalzend naar het blauwe zwerk –

met elke halve meter groei meer kerk

zo raak ik met dit zicht op Wijk vertrouwd

ook met De Engel – minstens net zo oud

de plek waar paap, agnost en calvinist

er ouwehoert en eet en drinkt – en pist


André van Zwieten


Vandaag heb ik met familie een uitje gemaakt naar Wijk bij Duurstede. Waarom?. Zomaar. Iets speciaals te doen in Wijk bij Duurstede?. Wij denken bij het vertrek van niet. We willen gewoon eens in Wijk bij Duurstede kijken. We weten wel, dat bij Wijk bij Duurstede de resten liggen van de eerste handelsstad, die er in de Noordelijke Nederlanden toe deed: Dorestad. Zie http://www.dorestadwereldstad.nl/ Maar verder?. Onderweg komen we langs de kant van de weg , nordic walkers tegen, die op zondag een wandeling maken in het bos met in iedere hand een overbodige lange stok die ook gebruikt wordt bij het skiën. Mijn zwager zegt; ‘ Kijk daar heb je knuppelstappers’. Hij zegt dat hij deze vertaling van nordic walkers zelf bedacht heeft. Wijk bij Duurstede is een mooie stad met een stadswal, een molen, een haven, vele historische gebouwen en een kasteel. Veel te zien dus. We rijden naar een parkeerplaats dichtbij het centrum en zien een groot bord: benieuwd naar wat hier komt? Kijk op www.binnenstadswoningen.nl
Gaan ze de historische binnenstad ook hier met behulp van een grote projectontwikkelaar verpesten?We lopen wat straten en stegen door en komen op de Markt waar het raadhuis en de kerk staan. Op het raadhuis staat een prachtig gedicht van Gerrit Achterberg. We gaan koffie drinken in café- restaurant de Engel, sinds 1678. http://www.engelrestaurant.nl/
Op het raam van het café staat ook een gedicht en binnen zijn ook allerlei teksten op de muur gezet. Even naar het toilet. Ik kom een gedicht tegen van ene André van Zwieten dat een ode is aan Wijk bij Duurstede. (Zie gedicht bovenaan). Ik heb nog nooit van André van Zwieten gehoord. We zijn op de markt ook nog langs het pand van boekhandel Pettinga gekomen, met op de muur een gedicht van Vestdijk. De poëzieliefhebber komt hier wel aan zijn trekken. Ik vraag de ober in het café of al die teksten op muren buiten en in het restaurant iets met elkaar te maken hebben. Zit er een soort stadsplan achter, liefhebbers van poëzie naar Wijk bij Duurstede halen? Hij zegt van niet. ‘Een gedeelte van de teksten is er pas vorige week op gezet. Dat zijn onder elkaar en door elkaar flarden van zinnen die hier worden uitgesproken. ‘ jemig is het al zo laat’, ‘Vind maar eens iemand die dat even voor je….’. ‘Deze deur, rechts achterin, dat is de dames’, ‘Wat denk je dat dat kost zo’n tent en dat…’, ‘Waar is mijn krant?’, ‘Dat kunststof is makkelijker, dan hoef je….’ , ‘Het valt soms niet mee’, ‘Nog bekenden tegengekomen?’, ‘ Kijk, daar heb je Guus en Corry, zwaai effe’.

We lopen de Peperstraat in en zien in een etalage kindertekeningen ter gelegenheid van de Roefeldag. Had ik ook nog nooit van gehoord. Thuisgekomen opgezocht op internet. Roefelen is Vlaams voor snuffelen. Kinderen van 6 t/m 13 jaar krijgen op Roefeldag de kans om de grote mensenwereld te verkennen: een speurtocht door een winkel of eens zitten op de zetel van de burgemeester. Je komt dan op plaatsen waar je normaal niet binnen mag! Kortom, de kinderen gaan roefelen. Groepjes kinderen gaan naar verschillende plaatsen en winkels. In Wijk bij Duurstede was de Roefeldag op dinsdag 19 oktober.

We lopen verder en komen meer gedichten van die André tegen. Op de ruit van een vormalige slagerij en op de ramen van ‘Books and Art’, www.librabooksandart.com. Op de hoek van de straat met de Oeverstraat komen we een schoenwinkel tegen met gedichten van André. Ook verderop in de Oeverstraat winkels met gedichten van André. Oa op de pui van notariskantoor Sprenkels. En op het kantoor van een bedirjf voor bedrijfstrainingen, www.opb.nl . We slaan linksaf richting de molen Rijn en Lek en komen langs allerlei kunstgaleries.
Bij de molen Rijn en Lek lezen we het informatiebord over de molen. Daar wordt het beroemde schilderij van Jacob van Ruysdael aangehaald die in de zeventiende eeuw de molen zou hebben afgebeeld. ik herinner mij een recent artikel in NRC Handelsblad, waarin deze theorie onderuit wordt gehaald. (Zie NRC Handelsblad pagina 20 -20 oktober 2010). De molen Rijn en Lek bij Wijk bij Duurstede is helemaal niet door Ruysdael geschilderd. Het is een heel andere molen. En het is onbekend welke. Het informatiepaneel op de molen vermeldt echter, dat het bij de molen op het schilderij van Ruysdael om een molen ging die een eindje verderop in Wijk bij Duurstede stond. Hoe zit dat nu? Klopt de zogenaamde ontmaskering van NRC Handelsblad wel helemaal?. We besluiten het later uit te zoeken. Want het begint te stortregenen en we willen naar huis. Dus we hebben het museum Dorestad en andere bezienswaardigheden nog niet bekeken. http://www.museumdorestad.nl/introductie.htm . We komen weer bij de parkeerplaats en zien daar weer ene tekst op de muur staan: ‘Roll it, light it, smoke it’. Ondertekend door Chronic Waza Peeps. Een oude traditie in Wijk bij Duurstede. De website van het museum over Dorestad vermeld een tentoonstelling uit 2006 over de roemruchte jaren zestig van de vorige eeuw. De tentoonstelling heette ‘breien en blowen’. De toemalige wethouder cultuur bewaart goede herinneringen aan die tijd.

We gaan via de kastelenroute en historische boerderijen achter Langbroek weer op pad. De boerderijen dragen intrigerende namen als de Grote Roekert, en via Leersum en Amerongen, ook een mooie plaats met historische gebouwen, rijden we over de Utrechtse heuvelrug weer naar huis. Wil je meer te weten komen over de vele gedichten in Dorestad en over André van Zwieten surf dan eens naar http://www.fransmensonides.nl/dorestad.htm

]]>

woensdag 20 oktober 2010

Armoede werkt niet

http://www.armoedewerktniet.nl/De petitie is een protest tegen het nieuwe regeringsbeleid, waarbij vooral of eigenlijk alleen de mensen met de smalste beurzen in het kader van de bezuinigingen worden gepakt. Men schept bewust of onbewust een soort onderklasse die het lot treft dat zij tot in lengte van dagen onder een soort bijstandsregiem met vermogens en partnertoets de hele week arbeid moeten verrichten waarbij ze een loon krijgen dat beneden het wettelijk minimum ligt zonder perspectief op beter en zonder dat zij dezelfde vrijheden genieten als bevoorrechte werkenden die wel een volledig salaris hebben. Deze bewust of onbewust geschapen onderklasse wordt vervolgens met strenge controlemaatregelen in toom gehouden en moet als schrikbeeld dienen voor de meer bevoorrechten, die hun onlustgevoelens op deze groep kunnen projecteren, zodat de aandacht wordt afgeleid van het belangrijkste: dat slechts een klein groepje met fabelachtige vermogens beslist over de gang van zaken in onze maatschappij. Jammer is wel dat de SP van te voren geen samenwerking heeft gezocht met anderen, om de petitie gezamenlijk op te zetten. Of is dat wel gebeurd, maar hadden andere grote organisaties die er toe doen (zoals de FNV) er geen trek in? De FNV heeft anders een vrij ferme verklaring uitgegeven. Ach, de organisaties waarin ik werk doen de dingen ook niet altijd samen met anderen. Maar juist nu en zeker op dit punt is het van belang de krachten zoveel mogelijk te bundelen lijkt mij. PvdL]]>

donderdag 30 september 2010

Over het regeerakkoord van Rutte I en een commissie die de toekomst van het UWV moest onderzoeken

Op 30 september 2010 bereikten de Tweede Kamerfracties van VVD en CDA het regeerakkoord, dat als motto heeft ‘Vrijheid en verantwoordelijkheid’. In het regeerakkoord worden ingrijpende reorganisaties en bezuinigingen in de sociale zekerheid aangekondigd. De VVD kan de plannen zoals reeds neergelegd in nota’s van diverse adviescommissies waar ook sociaal-democraten deel van uitmaakten en in haar Participatiewet gaan uitvoeren. Het kabinet Balkenende IV heeft de weg naar de nieuwe Wet Werken naar Vermogen reeds geplaveid. De sociaal-democratie van hogere en lagere bestuurders gaat akkoord met de hoofdlijnen en de uitgangspunten van de VVD plannen mits… voldoende geld wordt uitgetrokken voor de reintegratie en participatiebudgetten voor de gemeenten waarmee werklozen en gedeeltelijk gehandicapten naar betaald werk moeten worden begeleid. De nieuwe regering kan aan de gang. Al voor het regeerakkoord gesloten werd, op 6 september 2010, benoemde demissionair minister Donner, die ook minister zou worden in het kabinet Rutte, een commissie van 3 personen voor het doorlichten van het UWV. In september 2010 werd bekend, dat het UWV 90 miljoen teveel had uitgegeven aan reintegratie activiteiten voor werklozen. De minister stelde daarop een commissie van drie personen in, om dit te gaan onderzoeken en advies te geven. Hun formele opdracht was om voor 1 december ’advies uit te brengen over de mogelijkheden, beperkingen en verbeteringen van de sturing binnen het UWV’.

Over Martin van Rijn een van de commissieleden, is het volgende bekend. Martin van Rijn hield op 20 mei 2010 een keynote speech voor aeDex, waarin hij in algemene, nogal vage bewoordingen ingaat op de gewenste, mogelijke en meest waarschijnlijke scenario’s van de combinatie maatschappelijk middenveld (waaronder instellingen in de gezondheidszorg en de woning corporaties) overheid en markt. De toespraak draagt als titel balanceren tussen overheid en markt. Een van de conclusies is dat welke combinatie van die drie ook wordt gekozen, het zal altijd leiden tot meer controle en toezicht van de overheid. Martin van Rijn was bestuursvoorzitter bij pensioenfonds PGGM, en tevens als extern bestuurder aangesteld bij uitkeringsinstantie UWV om er orde op zaken te stellen. Het UWV werd door minister Donner van Sociale Zaken op de vingers getikt vanwege een forse overschrijding van het re-integratiebudget. Van Rijn schreef een advies over een betere aansturing van het uitvoeringsapparaat van het UWV.   Van de heer Kist is het volgende bekend. Hij was van 1 september 2005 tot 7 augustus 2007 lid van het bestuur van de Autoriteit Financiële Markten, waar hij eerder reeds voorzitter was van de raad van toezicht. Hij voelde zich verplicht ontslag te nemen wegens onzorgvuldig beheer van privé-beleggingen. Het in 2007 opgestapte AFM-bestuurslid Anne Willem Kist blijkt in 2007 zijn aandelen Fortis te hebben verkocht, terwijl hij op dat moment in zijn rol als toezichthouder op de hoogte was van alle details van de overnamestrijd die de bank voerde rond ABN AMRO. Tot 1997 werkte hij als advocaat in Amsterdam en Den Haag. Van 1997 tot zijn benoeming in Leiden werkte hij als directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Van 1 januari 2003 was Kist voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Leiden. In 2005 legde hij deze functie weer neer. Kist is tevens raadsheer-plaatsvervanger bij het Gerechtshof te Amsterdam. In 1997 trad hij af als voorzitter van de NMA, de Nederlandse Mededingings autoriteit. Sommigen veronderstellen dat hij als voorzitter van de NMa verantwoordelijk was voor haar falen in de bouwfraude kwestie.

Van de heer Bruins Slot is het volgende bekend. In 1998 werd Bruins Slot hoofddirecteur van de Informatie Beheer Groep in Groningen en in 2000 secretaris-generaal bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In 2003 volgde hij Gerrit-Jan Wolffensperger op als voorzitter van de Raad van Bestuur van de NPO (voorheen genoemd het hoofdbestuur van de Publieke Omroep (PO) en NOS). Onder zijn leiding werd de publieke televisie ingrijpend hervormd. De omroepen raakten hun vast zendkanaal kwijt. De drie netten kregen elk een profiel. De omroepen voerden fel verzet tegen dit plan, omdat ze niet langer een avondvullend gevarieerd programma konden aanbieden. Maar na de invoering won de publieke omroep veel terrein terug in de kijkcijfers op de commerciëlen. Op 1 juni 2008 ging hij met vervroegd pensioen. Sinds 1 september 2008 is hij voorzitter van het bestuur van KWF Kankerbestrijding

[1] Demissionair minister Donner (sociale zaken) maakte bekend dat het driemanschap bestond uit Anne-Willem Kist (voorzitter van de raad van advies Nederlandse Zorgautoriteit), Harm Bruins Slot (voorzitter van KWF Kankerbestrijding) en Martin van Rijn (bestuursvoorzitter van pensioenfonds PGGM).
]]>

woensdag 9 juni 2010

Invoering van de Tijdelijke Wet Loondispensatie

28 mei 2010. Invoering van de Tijdelijke Wet Pilot Loondispensatie. De wet treedt in werking op 9 juni 2010. En is vervallen m.i.v. 1 januari 2013. 
Reeds op 9 juni 2010 werd door het demissonaire kabinet Balkenende IV, dat 20 februari 2010 was gevallen en bestond uit Partij van de Arbeid, CDA en Christen Unie de Tijdelijke Wet Pilot Loondispensatie ingevoerd. Minister Donner en staatsecretaris Klijnsma regeerden dus gewoon door. Hierbij ging een 32 tal gemeenten experimenteren met het tewerkstellen van werklozen waarbij ze slechts een gedeelte van het minimumloon krijgen uitbetaald. De pilot is ingevoerd om de effecten van de maatregel te meten voordat hij over de hele linie in het kader van de wet werken naar vermogen moet worden ingevoerd. Nog voor de resultaten van de pilot bekend waren heeft de minister besloten, dat invoeren over de gehele linie sowieso te doen. Voor de pilot is een Begeleidingscommissie onderzoek pilots Werken naar vermogen ingesteld. Besluit van 3 juni 2010, Stcrt. 2010, nr. 8759
De begeleidingscommissie is als volgt samengesteld.
Dhr. prof.dr. W.Trommel. Voorzitter. Ontvangt een vergoeding.
Dhr. B. Schriever
Mw. C. van Wijngaarden
Mw. C. Urbanus
Mw. A. van der Giezen
Mw. A.C. den Bakker
Dhr. G.B. van Woerdekom
Mw. P.J.E.P. van der Heijden
Mw. E. Hoetering
Dhr. M. van Mierlo
Mw. E.C.M. Smits
Dhr. B.H. van Apeldoorn
Mw. E.E. Vruggink

]]>

donderdag 3 juni 2010

Het pensioenakkoord

Er kan worden geconstateerd, dat in 2009 maar met name ook tijdens de onderhandelingen over de nieuwe Wet Werken naar Vermogen in de winter van 2010 op 2011 de VVD de publiciteit beheerste. Terwijl in voorgaande jaren nog initiatieven en maatregelen van ‘links’ in de publiciteit kwamen, ook op lokaal niveau, kon ‘links’ in de periode daarop in de hoofdstroom van de publiciteit slechts defensief reageren op de vele initiatieven die de VVD heeft genomen. Zo werd in februari 2010  in eerste instantie door VVD kamerlid Stef Blok een initiatiefwetsvoorstel ingediend, dat de voorwaarde introduceert dat immigranten de Nederlandse taal moeten beheersen alvorens zij aanspraak kunnen maken op een Bijstanduitkering. Na de nodige wijzigingen werd het wetsvoorstel in februari 2011 ingediend. Alternatieve voorstellen van ‘links’ waren uitgezonderd de SP meer een daarop aansluitende alternatieve afbraakpolitiek zoals verkorting van de Werkloosheidswet, verhoging pensioengerechtigde leeftijd, alternatieve flexibilisering van de arbeidsmarkt, etc. waarbij de PVV zich profileerde als verdediger van de bestaande belangen en rechten van de ‘hardwerkende Nederlander’ en de ‘hulpbehoevende bejaarden’. Het is de combi van VVD en PVV standpunten waar veel mensen in geloofden. Dus de meer of minder bewuste creatie van een soort onder discipline gebrachte onderklasse, gecombineerd met ogenschijnlijk een verdediging van de belangen van middengroepen. De meeste linkse partijen hebben zeer verdeeld en halfslachtig op deze ontwikkeling gereageerd.
Tijdens het kabinet Balkenende IV werd toch op 4 juni 2010 een sociaal akkoord tot stand gebracht tussen Rijk, werkgevers en werknemersorganisaties over de pensioenen. Uit het pensioenakkoord: ‘De arbeidsparticipatie van oudere werknemers is het afgelopen decennium geleidelijk toegenomen; dit mede als gevolg van wijzigingen in sociale zekerheid- en vroegpensioenregelingen. Invoering van de in dit akkoord overeengekomen wijzigingen van de AOW en de aanvullende pensioenen zal deze positieve ontwikkeling verder stimuleren. Daarnaast zijn stimulerende maatregelen nodig om het de werkgever en zijn werknemers aantrekkelijk te maken om langer met elkaar door te gaan. Sociale partners zullen daarom aanvullend een beleidsagenda ontwikkelen om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers en de arbeidsmobiliteit van ouderen substantieel te verbeteren. Hierin zijn alle relevante onderwerpen aan de orde: leeftijdsbewust personeelsbeleid, werving en selectie, employability, scholing, arbeidsflexibiliteit (incl. rechtspositionele en sociale zekerheidsaspecten alsmede de zogenoemde perverse prikkels in decentrale regelingen. Ook zullen voorstellen worden gedaan ten aanzien van de sociale zekerheid in samenhang met de inzet van arbeidsmarktinstrumenten welke ook specifiek op oudere werknemers zijn afgestemd. Sociale partners nemen zich voor deze beleidsagenda in het najaar van 2010 te presenteren en periodiek te monitoren op zijn effecten’.

En er waren vele voornemens in het pensioenakkoord, waarvan volgens mij niets terecht is gekomen. Tekst uit het pensioenakkoord: 
De arbeidsparticipatie van oudere werknemers is het afgelopen decennium geleidelijk toegenomen; dit mede als gevolg van wijzigingen in sociale zekerheid- en vroegpensioenregelingen.
Invoering van de in dit akkoord overeengekomen wijzigingen van de AOW en de
aanvullende pensioenen zal deze positieve ontwikkeling verder stimuleren. Daarnaast zijn
stimulerende maatregelen nodig om het de werkgever en zijn werknemers aantrekkelijk te
maken om langer met elkaar door te gaan.
Sociale partners zullen daarom aanvullend een beleidsagenda ontwikkelen om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers en de arbeidsmobiliteit van ouderen substantieel te verbeteren. Hierin zijn alle relevante onderwerpen aan de orde: leeftijdsbewust personeelsbeleid, werving en selectie, employability, scholing, arbeidsflexibiliteit (incl. rechtspositionele en sociale zekerheidsaspecten alsmede de zogenoemde perverse prikkels in decentrale regelingen.
Ook zullen voorstellen worden gedaan ten aanzien van de sociale zekerheid in samenhang
met de inzet van arbeidsmarktinstrumenten welke ook specifiek op oudere werknemers
zijn afgestemd. Sociale partners nemen zich voor deze beleidsagenda in het najaar van 2010 te presenteren en periodiek te monitoren op zijn effecten.

Het lijkt me dat afspraken over een reintegratiebudget voor oudere werknemers en werklozen raakt aan het participatiebudget in het kader van de bijstand en de nieuwe WWNV dat voor gemeenten beschikbaar is. Het komt uit dezelfde pot, lijkt mij. (Zie ook brief van de LCR verderop)
]]>

zondag 9 mei 2010

Leidt verlaging van de loonkosten op het minimumniveau voor werkgevers in Nederland tot meer werk en meer kansen voor werklozen?

Zie ook Mark Schonewille- Voor en nadelen van het minimumloon. 

In Buitenhof van 9 mei 2010 was er een discussie tussen Emile Roemer, lijsttrekker van de SP bij de komende verkiezingen en Barbara Baarsma, directeur SEO Economisch Onderzoek en hoogleraar ‘marktwerking’. Het debat ging over het verkiezingsprogramma van de SP. Hierbij had Barbara de volgende kritiek, waarbij zij duidelijk uitging van het in termen van marktwerking modelmatig beschouwen van de werkelijkheid. Er zou een tegenstrijdigheid in het SP programma zitten. Enerzijds is er de doelstelling van de SP de ‘sociaal zwakkeren” te willen beschermen en hen nieuwe kansen te bieden. Anderzijds is er de bescherming van de zittende werknemers, de grote groep die werk heeft, en die een vast inkomen en enige bestaanszekerheid wil. Dat is tegenstrijdig. Want als je die sociaal zwakkeren kansen wilt geven, moet je de arbeidsmarkt flexibiliseren, het ontslagrecht versoepelen en de bruto loonkosten van de werkgevers tegelijkertijd verlagen. Mensen op het minimum kunnen dan hun koopkracht behouden door extra belastingvoordelen. En niet het minimumloon verhogen, zoals de SP wil. Die verlaging van loonkosten op het minimumniveau levert nieuw werk op, dus bevordert de werkgelegenheid, en bovendien hebben mensen die nu geen kans hebben dan wel een kans om ‘ertussen’ te komen, ook een baantje te vinden, want als het ontslagrecht wordt versoepeld en de loonkosten voor de werkgever naar beneden gaan zal hij ook bij mensen met een lagere arbeidsproductiviteit zeggen: nou, met jouw wil ik het ook wel eens proberen. En in de huidige situatie zegt de werkgever dat niet en neemt hij alleen de sterksten met een hoge arbeidsproductiviteit. Dus de SP komt op voor die sterke groep door hun positie te beschermen en niet voor de  ‘sociaal zwakkeren’  zoals ze in het TV programma werden genoemd. Op twitter ontwikkelde zich een felle discussie tussen voor en tegenstanders van deze redenering, waarbij in mijn ogen voorstanders er weinig van begrepen hebben. Dat zal ik in dit artikel uitleggen.
Lobby voor verlaging minimumloon
Ook de VVD wordt niet moe naar voren te brengen dat zij een sociale partij is, omdat zij door arbeid aan de onderkant van de arbeidsmarkt goedkoper te maken de kansen voor mensen die daarop aangewezen zijn wil vergroten. Tevens pleit de partij voor afschaffing van de huidige bijstand en vervanging door een ‘participatiewet’ om de prikkels voor werkzoekenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt te vergroten. Dan komen de mensen aan het betaalde werk en dan hoor je erbij, je voelt je deel van de samenleving en je voelt je beter. Dit soort vaak in korte snelle bewoordingen geformuleerde uitgangspunten doen het goed in de media en politieke debatten. Daar is alleen tijd voor korte oneliners, waarbij op de argumenten niet wordt ingegaan. Op het eerste gezicht voor de hand liggende vanzelfsprekendheden van het dagelijks leven worden als absolute waarheden verkondigd zonder dat er in de televisiediscussie of bij een TV interview tijd is om het te weerleggen. Tegenstanders zijn dan gedwongen ook in dergelijke oneliners te vervallen, zodat de ‘discussie’ verzandt in een welles-nietes spel zonder argumenten. Emiel Roemer kwam er in die zin niet goed uit, dat hij de kaart van de belangengroepen speelde die hem wellicht electoraal gewin kunnen opleveren: de overgrote meerderheid van de werkende mensen wil enige bestaanszekerheid en bescherming en er zijn steeds meer werkende armen, die de eindjes niet aan elkaar kunnen knopen, dat is geen goede zaak. Mensen moeten wel van hun werk kunnen leven. Dus de bescherming van die groep is terecht. Wat betreft de kansen van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt benadrukte hij dat de SP werkmaatschappijen op gemeentelijk niveau wil, waar mensen aangepaste arbeid kunnen verrichten onder redelijke voorwaarden en omstandigheden, en dat ze begeleid moeten worden naar de arbeidsmarkt. Maar de werkelijke betekenis van Barbara’ s modeldenken bracht hij niet over het voetlicht. En Barbara staat niet alleen: ook de fameuze ambtelijke werkgroepen die de komende draconische bezuinigingen hebben voorbereid pleiten voor verlaging van het minimumloon (en dus van het sociale minimum).
Tweede argument
Baarsma had nog een tweede argument, waarbij ze kritiek uitte op een tweede uitgangspunt van de SP. Namelijk het uitgangspunt dat de SP de hogere inkomens een beetje meer wil belasten, om met de opbrengsten meer te doen voor mensen die van een uitkering moeten leven of voor de financiering van die werkmaatschappijen. En voor andere mooie doelen, natuurlijk. Daar zei Barbara van dat een dergelijke hogere inkomstenbelasting van de rijkeren leidde tot ‘weglek’ effecten: onderzoek zou hebben uitgewezen, dat per saldo de opbrengst van die hogere belasting gering of afwezig is. Nu voert het te ver om dit helemaal uit te werken, maar het argument komt er volgens mij op neer dat bij een sterke inkomensnivellering, dus overhevelen van inkomen van hogere inkomens naar lagere inkomens, de sociale welvaart in zijn totaliteit niet hoeft toe te nemen, omdat tegenover de inkomensverbetering van de minima een inkomensverslechtering van de rijken staat. Sterker nog, als je teveel nivelleert, kan dat een negatief effect hebben: de sociale welvaart neemt af en de economische groei wordt minder. Het wordt allemaal nog erger als de minima van dat meerdere inkomen gaan sparen, terwijl de hoge inkomens het geld over de balk smeten, want ze hadden toch geld genoeg. Dat spaargeld komt niet in de economie, er wordt geen koopkrachtige vraag mee uitgeoefend. Dus de sociale welvaart wordt in zijn totaliteit wat minder. So what, Barbara Baarsma? Het is wel een veel rechtvaardiger samenleving waarin iedereen een redelijk inkomen heeft. Wat de overheidsfinanciën betreft zal er dan wel bezuinigd moeten worden, om de rente op de schulden aan de kapitaalverschaffers te kunnen betalen (?) Maar daar valt genoeg op te bedenken. Heeft de SP ook gedaan.
Baarsma gaat dus uit van een model, waarbij wordt ingezet op zo maximaal mogelijke economische groei, een zo groot mogelijk nationaal inkomen in zijn totaliteit en zo laag mogelijke loonkosten voor werkgevers. Als daar grote inkomensverschillen voor nodig zijn dan moet dat maar.
Twee argumenten
Het was niet voor niets dat de econoom juist de twee bovengenoemde argumenten naar voren bracht, want ze hangen in mijn ogen in het modeldenken van Barbara Baarsma samen.
Verlaging van de loonkosten voor de werkgevers op het minimumniveau leidt tot meer banen, is de stelling. Daarbij moet je denken aan ongeschoolde arbeid in het huishouden of de bediening in de horeca, zoals café ‘s, restaurants en hotels. Of conciërges in grote flats en andere functies in de bewaking of in de schoonmaak. Nu is het minimumloon in Nederland te hoog om dat soort banen op grote schaal te scheppen. Een voorwaarde voor het ontstaan van dat soort banen is echter wel, dat er een relatief grote koopkrachtige groep uit de hogere inkomens is, die dit soort werkzaamheden kan uitbesteden. Ook bij een laag minimumloon blijft dat uitbesteden relatief duur. Vaak buiten de deur eten kost geld. Dus wil verlaging van de minimumloonkosten voor werkgevers effect hebben op de werkgelegenheid, dan moet er zo’n koopkrachtige groep zijn. Vandaar dat meer belasten van de hogere inkomens niet verstandig is. Dat vermindert de kansen van de mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.
Er ontstaat dus een relatief kleine groep rijken, die bediend worden door een grote groep armen. Dat er nog heel andere modellen denkbaar zijn, waarin heel andere, socialere oplossingen worden bedacht voor het scheppen van een koopkrachtige vraag naar klusjesmannen en bedieningspersoneel, bewijst het door Barbara Baarsma bekritiseerde ‘Nederlandse’ model. In Nederland liggen de minimum marktlonen en CAO lonen voor een groot deel boven het absolute minimum. Ik kom daar nog op terug.
Een andere econoom, Heleen Mees, benadrukt in bijna iedere column in NRC Handelsblad dat in New York  voor de werkgevers relatief lage loonkosten bestaan aan de onderkant van de arbeidsmarkt en dat die lage loonkosten daar werken: er ontstaan banen  in de dienstverlenende sector die in Nederland niet bestaan en die vooral de vele nieuwe migranten naar de stad kansen en mogelijkheden bieden. Maar ook de andere mensen die op deze sector op de arbeidsmarkt aangewezen zijn. Dus als het hier werkt, waarom in Nederland dan niet? New York zou het ideale model zijn.
New York
New York is de metropool van de wereld. Niet alleen is de stad het financiële centrum van de wereld, er zijn ook op het gebied van kunst, theater, nieuwe technologieën, creatieve industrie en nog andere bedrijfstakken vele activiteiten. De mensen met talent en specifieke schaarse vaardigheden trekken op grote schaal naar New York, het centrum waar alles gebeurt. Daardoor is er in New York een relatief grote groep rijken die al die mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt kan betalen. De inkomenstegenstellingen zijn groot. Extreme rijkdom naast bittere armoede van mensen die twee baantjes moeten nemen en 60 uur per week werken om financieel het hoofd boven water te houden. Maar ze hebben werk! Dat geldt niet voor de duizenden, die ook bij de lage loonkosten voor de werkgevers nog niet voldoende arbeidsproductiviteit kunnen opbrengen om in overeenstemming met de marktsituatie  meer dan hun loon terug te verdienen. In New York is de bijstand afgeschaft, en het betekent voor deze mensen met een lage arbeidsproductiviteit dat ze in ellende gestort worden. Vandaar dat in New York de situatie bestaat van enerzijds de superrijken, die zich in dure restaurants laten bedienen door de werkende armen en anderzijds de ellende van de daklozen, die aangewezen zijn op de tientallen gaarkeukens om in leven te blijven. Alles voor een zo maximaal mogelijke economische groei en verhoging van het nationaal inkomen!.
Zodat er zoveel mogelijk banen worden geschapen. Maar wel te laag betaald en met als gevolg veel mensen in ellende zeg ik erbij. Maar New York bruist!
periferie
In gebieden die minder een centrumfunctie hebben wonen relatief minder rijken met een koopkrachtige vraag. Maar ook hier is in het model denken van Barbara Baarsma van toepassing. Juist in perifere armere gebieden waar relatief veel mensen dicht tegen het sociale minimum aanzitten zal verlaging van de loonkosten op het minimumniveau grote werkgelegenheidseffecten hebben. En zal de verlaging van de loonkosten veel mensen die nu aan de kant staan meer kansen bieden. Juist dan komen er meer laagbetaalde banen bij. In situaties, waar weinig mensen tegen het minimumloon zitten zijn de werkgelegenheidseffecten veel geringer. Hier stuiten we dus op een tweede randvoorwaarde van het model: er moeten relatief veel mensen zijn die tegen het minimum loon niveau aanzitten, wil men bij een (beperkte) verlaging van de loonkosten voor de werkgevers werkgelegenheidseffecten bewerkstelligen, een zo maximaal mogelijke economische groei nastreven en het nationaal inkomen in zijn totaliteit zo maximaal mogelijk laten zijn.  
Nederland
In Nederland is aan deze twee randvoorwaarden onvoldoende voldaan, in de ogen van de modeldenkers. In Nederland zijn er relatief minder grote inkomensverschillen, hoewel de belastingdruk, als je de indirecte belastingen meerekent, aan de onderkant van het inkomensgebouw even groot is als aan de bovenkant. En er zijn in Nederland maar weinig mensen die het minimumloon verdienen. De minimum CAO lonen liggen over het algemeen ruim boven het minimumloon.
Uiteindelijk verdient maar 4% van de werknemers hier het minimum(jeugd)loon. Werkgevers zitten dus helemaal niet te springen om een verlaging, anders zouden ze dit minimum wel vaker opzoeken. Modeldenkers als Baarsma en Mees zijn niet van deze tijd.
Het zou goed zijn als zij nog eens de Consumentengids van maart 2010 ter hand nemen. Daar is te vinden wat de klusjesman in Nederland kost. Voor een uurtje tuinieren bent u 14 euro zwart en 30 euro wit kwijt. De werkster doet het voor een tientje zwart en 14 euro wit en zit dus nog ruim boven het minimumloon. Alleen de kinderoppas, meestal een scholier die zijn of haar huiswerk komt maken bij de jonge buren, is bereid met 5 zwarte euro’s genoegen te nemen. Het hoogste in rang is de administratieve klusjesman en de bijlesleraar die met 25 euro zwart of 33 euro wit, op bezoek komen. (1)
In Nederland blijkt dus een heel andere oplossing te bestaan voor het scheppen van een koopkrachtige vraag naar (ongeschoolde) laagbetaalde arbeid: juist door minder grote inkomensverschillen, waardoor relatief veel mensen zich een tuinman kunnen veroorloven, en situaties als hypotheekrente aftrek en op de huizenmarkt de scheefwoners kunnen ook de flexibele klussers in de dienstverlening een redelijk uurloon verdienen- boven het minimumloon. De hoogte daarvan speelt in Nederland qua werkgelegenheidseffecten nauwelijks meer een rol; het kan best omhoog, zoals de SP wil. Maar in het denken van Barbara Baarsma moeten we een nieuwe weg inslaan, een ander model aan de werkelijkheid in Nederland opleggen.
Wil je in dat model ook In Nederland werkgelegenheidseffecten scheppen door verlaging van de loonkosten voor werkgevers op het minimumniveau, dan zul je iets aan die twee randvoorwaarden moeten doen. Bevorderen dat er een relatief grote groep rijken komt, en anderzijds juist bevorderen, dat er een relatief grote groep is die tegen het sociale minimum aanzit. Je kunt dan veronderstellen, dat verlaging van de minimumloonkosten voor de werkgevers betekent, dat het voor de vakbonden moeilijker wordt in de CAO onderhandelingen: de werkgever kan veel relatief goedkope arbeidskrachten krijgen, die alleen het minimumloon verdienen. Dus de minimum cao lonen zullen dan ook omlaag gaan. En je kunt natuurlijk ook hardere maatregelen nemen: CAO’s niet algemeen verbindend verklaren, of een loonmaatregel nemen, etc. Je zult dus in de perifere gebieden over de gehele linie een zekere verarming van de bevolking moeten nastreven. Maar de mensen hebben werk! En ach, die groep uitvallers kun je wel in toom houden met voedselbonnen, strenge controles en gaarkeukens. Als superrijke geef je af en toe wat, dat leidt ook maar weer tot een sociaal gezicht, en voor bedrijven is het goed voor de PR om de gaarkeukens en voedselbanken te sponseren. Ook in Nederland wil men geheel in overeenstemming met het model- aan de bijstand sleutelen: hervormen heet dat. En de toegang zoveel mogelijk beperken.
Eindresultaat
Het bovenstaande maakt duidelijk waar het pleidooi van Baarsma op uitloopt: een bruisend mondiaal economisch centrum, waar van alles gebeurt, waar het booming bussiness is voor miljoenen mensen, die worden bediend door ook weer miljoenen werkende armen, waar de cultuur bruist en leeft, en waar de duizenden daklozen op straat rondzwerven. Een bruisende metropool, en wel te midden van een verarmde en langzaam verder ontvolkte periferie, waar een scherpe tegenstelling tussen arm en rijk groeit. En zal dat model de massawerkloosheid in Nederland oplossen? Economen zijn het er wel over eens, dat ook bij extreme toerpassing van het model de werkgelegenheidseffecten beperkt zijn: hooguit enkele procenten meer. Onvoldoende om de 2,5 miljoen mensen tussen de 18 en de 65 die in Nederland geen betaald werk hebben aan werk te helpen. Maar, zeggen de mensen die ‘een beetje’ voorstander zijn van dit model: nee, er moet natuurlijk wel een bijstand zijn voor mensen die het echt nodig hebben, nee, er moeten ook weer niet te extreme tegenstellingen tussen arm en rijk groeien, nee, wij willen de CAO’s wel algemeen verbindend blijven verklaren, etc. Maar dan zijn de werkgelegenheidseffecten nog geringer. Want aan de randvoorwaarden wordt niet voldaan. Wel zal het model de economische groei bevorderen: er komt meer economische activiteit, meer welvaart, maar dan wel volgens een zeer bepaald organisatorisch, infrastructureel en sociaal model waarin voor miljoenen geen plaats is. Dat is de werkelijke uitkomst van het modeldenken van Barbara Baarsma, die wil opkomen voor de sociaal zwakkeren. Decennia van loonmatiging, invoering van minimumjeugdlonen (die geen snars extra betaald werk heeft opgeleverd) en jaren van economische groei hebben de werkelijke massawerkloosheid, het feit dat miljoenen tussen de 18 en 65 jaar geen betaald werk hebben, niet kunnen oplossen, hoezeer in statistieken ook met cijfers wordt gegoocheld  om naar voren te kunnen brengen dat Nederland in West-Europa de laagste werkloosheid kent. Laten we met zijn allen iets anders verzinnen en de positieve elementen van het ‘Nederlandse’ model koesteren en uitbreiden. Want dat is waar: ook het Nederlandse model is tot nu toe geen oplossing voor massawerkloosheid en verarming van grote groepen. We moeten echter meer in het verlengde van dat model denken in mijn ogen, zoals arbeidstijdverkorting en beperking van marktwerking in publieke diensten, en niet een geheel nieuw marktmodel van New York opleggen aan Nederland. Dat leidt tot alleen maar meer ellende.
Piet van der Lende
http://www.pluspost.nl/een-zwarte-pool-kost-al-twee-maal-het-minimumloon%E2%80%A6./33762]]>

woensdag 21 april 2010

Duizenden studenten in Amsterdam kunnen in mei een onverwacht huisbezoek van de gemeente verwachten

Studenten met een beurs voor uitwonenden krijgen een studiebeurs van 266 euro per maand en thuiswonende studenten krijgen 96 euro. Dit verschil is zo ingevoerd, omdat uitwonende studenten meer kosten hebben en huur moeten betalen. Volgens onduidelijke en vage schattingen zou er een grote groep studenten zijn, die opgeeft niet bij zijn of haar ouders te wonen, en dus ontvangen ze 266 euro per maand, terwijl ze toch thuis wonen. Er zijn ongeveer 310 duizend studenten die bij hun ouders wonen en 270.000 studenten met een uitwonenden beurs. Er wordt beweerd dat de Partij van de Arbeid vorig jaar een onderzoeksrapport heeft opgesteld, waaruit zou blijken dat 40.000 studenten frauderen met hun beurs. Staatsseceretaris Van Bijsterveld van Onderwijs zegt naar aanleiding van recente persberichten dat ‘naar ruwe schatting’ de fraude in de ‘tientallen miljoenen’ kan lopen. Concrete cijfers hebben ze dus niet.Om dit allemaal te controleren start begin mei in Amsterdam een campagne van het Ministerie van Onderwijs, met name de Dienst Uitvoering Onderwijs (voorheen de IB groep)  en de gemeente Amsterdam om vele studenten thuis te bezoeken. Volgens een persbericht van het Ministerie van Onderwijs gaat het hierbij om een proef. Wat betreft de gemeente Amsterdam zullen de huisbezoeken en de controles worden uitgevoerd door controleurs van de afdeling handhaving van de Dienst Persoons en Geo informatie. Dat is de dienst die de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) beheert. http://www.dpg.amsterdam.nl/Daarbij zal worden gecontroleerd of studenten, die in de gemeentelijke basisadministratie hebben aangegeven ergens te wonen, daar ook daadwerkelijk wonen. Alle studenten (MBO, HBO, Wetenschappelijk Onderwijs) die studiefinanciering ontvangen zijn verplicht zich in te schrijven bij de gemeentelijke basisadministratie. Voor uitwonenden geldt bovendien dat hun GBA adres niet overeen mag komen met dat van de ouders. Of een van de ouders.Volgens het persbericht van het Ministerie zal bij de controles gebruik worden gemaakt van ‘nieuwe methoden van opsporing’. Wat die nieuwe methoden zijn vermeldt het persbericht niet. Net als in Amsterdam bij de Dienst Werk en Inkomen gaat men in de toekomst werken met zogenaamde ‘risico-profielen’. Waarbij de populatie wordt ingedeeld op basis van bepaalde kenmerken zoals leeftijd, aard van de studie, woonplaats, woonwijk, etc. Door statistische bewerkingen zouden daardoor fraudeurs sneller kunnen worden opgespoord, omdat men zich richt op degenen, die aan bepaalde kenmerken voldoen waarbij studenten met die kenmerken vaker frauderen dan anderen. Dergelijke methodisch-statistische onderzoeken om risicoprofielen op te stellen zijn voor de Dienst Werk en Inkomen uitgevoerd door wetenschappers van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Gemeenteraadsleden in Amsterdam hebben vertrouwelijk inzage gehad in de risicoprofielen om te bepalen of er geen sprake was van discriminatie. Deze profielen zijn echter verder geheim.Het summiere persbericht van het ministerie en de informatie in de pers roept vooralsnog verschillende vragen op. Zo zou er extra worden gelet op studenten, die in dezelfde straat wonen als hun ouders. En men selecteert huizen waar veel studenten wonen. Hier stuiten we op dezelfde moeilijkheden als bij de huisbezoeken aan bijstandsgerechtigden, wanneer men daarvan poogt vast te stellen of ze ergens daadwerkelijk wonen, nl dat je niet alleen zeer diep moet graven in het priveleven van de betrokkene, maar dat de gevonden gegevens multi-interpretabel zijn en tot arbitraire beslissingen kunnen leiden. Wannneer en op basis van welke gegevens stel je vast dat een student die in dezelfde straat woont als zijn of haar ouders, in feite bij die ouders woont?De tweede vraag is wat op dit moment de sancties zijn als je een huisbezoek weigert. Dat is onduidelijk.  Het persbericht van het ministerie vermeldt, dat de Wet studiefinanciering zal worden gewijzigd en dat in de wet zal worden opgenomen, dat er een verzwaring komt voor de bewijslast van de studenten, boetes, terugvordering van teveel ontvangen geld en uiteindelijk zelfs stopzetting van de beurs. Blijkbaar is dat nog niet in de wet opgenomen. Dit zou pas met ingang van het studiejaar 2011-2012 het geval zijn. Hoe kan dan nu een huisbezoek worden afgedwongen op straffe van stopzetting van de beurs?Duidelijk is dat deze nieuwe maatregelen zullen leiden tot een groot aantal juridische procedures, waarbij de wettelijke grondslag van die huisbezoeken vaag is.Het ministerie heeft aangekondigd, dat na mei 2010 de proef navolging krijgt in oa Den Haag, Rotterdam, de regio Twente en Noord-Holland Noord. Vermoed men daar meer fraude dan bv in Maastricht of Tilburg of Wageningen? Nog voor de zomer zullen in totaal meer dan duizend  huizen waarin studenten wonen zijn bezocht.Piet van der Lende
]]>