pagina's

zondag 6 december 2020

Recensie van het boek van Eric Hochstenbach 'Gelukkig leef ik nog'

Solidariteit – Commentaar 422 – 6 december 2020
”Gelukkig ik leef nog”
Piet van der Lende

Eric Hochstenbach is een 67 jarige man die zijn leven heeft beschreven in een biografie onder de titel Gelukkig ik leef nog. Hij heeft zijn bestaan als lichamelijk gehandicapte vastgelegd in een persoonlijke beschrijving die een goed beeld geeft van de problemen die je dan tegenkomt. Discriminatie, eenzaamheid, onbegrip en uitsluiting vanuit de maatschappij heeft hij heel zijn leven meegemaakt. Eric noemt dat het ijzeren gordijn waardoor hij constant het gevoel heeft in een gevangenis te leven.

Hij heeft onder andere spraakproblemen en evenwichtsstoornissen, en in de loop van zijn leven is hij daarom veel door andere mensen uitgelachen. Pas onlangs werd een adequate diagnose gesteld en vertelde een revalidatiearts hem dat zijn beperkingen bij de DCD ‘familie’ voor volwassenen behoorden (Development Coordination Disorder). Een zeldzame ziekte.

Tegenslagen
Eric vertelt in verschillende verhalen dat mensen al snel veronderstellen dat iemand die lichamelijke beperkingen kent, ook geestelijk wel niet helemaal volwaardig zal zijn; hij werd navenant behandeld. Een frappant voorbeeld zijn de pogingen een HAVO avondstudie te volgen. De directeur zei dat Eric zijn MAVO diploma om toegang te krijgen, had vervalst. Hij kon de opleiding niet volgen. De directeur veronderstelde dat hij vanwege zijn handicaps verminderd intellectuele vermogens had.

Eric beschrijft verder de problematische relatie met zijn autoritaire vader en hoe hij door andere kinderen werd uitgesloten van deelname aan het voetballen. Zijn vader accepteerde zijn beperkingen niet en werd steeds kwaad of kleineerde hem. Met zijn moeder had hij een goede relatie. Eric zat gedurende zijn eerste jeugd op speciale scholen, een Mytylschool in Hengelo en het Psychologisch Instituut in Amsterdam. Hij kwam daardoor min of meer los te staan van de kinderen die in de buurt van zijn ouders woonden, hij kende niemand van hen. Eric voelde zich daardoor soms eenzaam en trok zich terug, iets waar hij zijn hele leven mee geworsteld heeft, ook in de relaties met vriendinnen. Het boek laat een, ondanks alle dips tot aan zelfmoordneigingen toe, een positief ingestelde man zien die beschrijft hoe hij moeilijkheden overwon en bij tijd en wijle ook van het leven kon genieten. Regelmatig begon hij aan nieuwe opleidingen, cursussen en therapieën en aan nieuwe contacten. Maar sommige van die initiatieven mislukten en raakte hij teleurgesteld.

Gespecialiseerde instituten
Het Psychologisch Instituut adviseerde dat hij naar een school voor individueel technisch onderwijs moest (ITO), lager beroepsonderwijs dus. Een volkomen verkeerd advies. Eric is a technisch. Hij deed eindexamen in de vakken praktisch taalgebruik, sociaal rekenen en kennis van ons land.

Eric ging dan ook voor een vervolgopleiding naar een school voor Lager Economisch en Administratie Onderwijs (LEAO). De eerste keer zakte hij voor het eindexamen, maar in mei 1973 slaagde hij. Door de mislukte schoolkeuze ging veel tijd verloren en op de LEAO waren de kinderen een jaar of drie jonger dan Eric. Hij volgde in deze periode ook dansles, en sommige andere jongens dreven dan de spot met zijn manier van bewegen. En dat stak mij best wel.

Het eerste werk
Na de LEAO ging Eric naar de Economische en Administratieve Beroepscategorie (ECABO) met wekelijks twee dagen les en drie dagen stage. Na kort gewerkt te hebben op een sociale werkplaats en een stageplaats in een ander bedrijf, kwam Eric dankzij relaties van zijn moeder terecht bij PTT Telecommunicatie. Hier verrichtte hij administratief werk. Eric werd lid van de Abvakabo. Hij schreef brieven naar de vakbond over dat niemand naar hem luisterde en hij alleen maar dingen moest doen die anderen hem voorschreven – vaak eenvoudige werkzaamheden beneden zijn niveau. Maar steeds volgde een nietszeggend antwoord. Eric stelde dat ook aan de orde bij zijn chef die in het bestuur van de vakbond zat en lid was van de ondernemingsraad. Er kwam een nietszeggende reactie. Daarop stapte Eric naar iemand anders van de ondernemingsraad die beloofde het aan de orde te stellen. Maar na een paar weken zei hij: ik mag er niets over zeggen van de voorzitter. En die voorzitter was de chef van Eric. Dat waren zijn ervaringen met de vakbond.

Eric heeft verschillende auto’s gehad en daarmee is hij naar vele landen op vakantie gegaan. Later, toen hij geen auto meer had, ging hij onder andere naar Nicaragua met een vriendin en naar Amerika. Hij vertelt op een eerlijke manier van zijn worsteling met de handicaps en de reacties daarop, zonder zich voor te doen als een heilig boontje. Hij volgt de avond MAVO en schrijft over zijn gokverslaving om de problemen die tot een grote schuldenproblematiek leidde te vergeten. Maar ook hoe hij er met hulp van onder meer de Kredietbank, die hem gedurende drie jaar op vijftig euro in de week zet, erin slaagt daar weer uit te komen. Hij vertelt over zijn relaties met vriendinnen en zijn zoektocht daar een weg in te vinden en over de huizen en buurten waar hij heeft gewoond.

Discriminatie
Hij noemt verschillende voorvallen waaruit blijkt dat hij werd gediscrimineerd. Bij een politiecontrole van automobilisten op het gebruik van alcohol moest hij een blaastest afleggen en daaruit bleek dat hij niet gedronken had. Maar de agenten geloofden het niet vanwege zijn spraakproblemen en hij moest mee naar het bureau. Daar wilden ze hem in de cel gooien, tenzij hij een hoge boete betaalde. Dat deed hij, maar toch moest hij naar het ziekenhuis een bloedtest laten afnemen. Na verloop van tijd kwam het hoofd van de politie met een bos bloemen zijn verontschuldigingen aanbieden.

Later kwam Eric tot de ontdekking dat er nog een rechtszaak over was geweest, maar de correspondentie daarover verliep via zijn ouders die hem niet ingelicht hadden. Steeds werd hij door zijn vader die zijn post openmaakte toen hij nog thuis woonde, en door de rest van zijn familie, zoals zijn broer, behalve zijn moeder, buitengesloten. Samenvattend komt het erop neer dat de mensen zeiden: Je begrijpt er toch niks van. Je maakt maar brokken met je onhandige gedoe, het is niet goed dat jij wordt ingelicht, want dat is niet goed voor je geestesgesteldheid. Dat gebeurde ook bij de ziekte en het overlijden van zijn moeder en de regeling van de erfenis.

Ontslag
Eind november 1988 moest iedere werknemer van de PTT een nieuwe arbeidsovereenkomst afsluiten. De PTT werd opgesplitst in een post- en een telecomgedeelte, de KPN. Eric hoorde in de wandelgangen dat personeel met een aangeboren afwijking en een aangepaste functieomschrijving moest vertrekken. Goed- of kwaadschiks. En inderdaad, hij kreeg geen nieuw contract en vocht dat aan met hulp van een advocaat. Maar verloor. Eric had, betoogde uiteindelijk de advocaat van de tegenpartij, een aangepaste functieomschrijving. En mensen met zo’n omschrijving vielen niet onder de collectieve afspraken. Zijn lidmaatschap van de Abvakabo had hij inmiddels opgezegd.
Eric kreeg een uitkering en daarmee begon zijn gang in de re-integratie industrie. Hij beschrijft de schandelijke behandeling op het arbeidsbureau, over de diverse gesubsidieerde banen en hoe hij daar niet serieus genomen werd. Steeds moest hij eenvoudige schoonmaak- of archiefwerkzaamheden doen en als hij om verbetering vroeg, werd dit afgewezen. Hij diende klachten in bij diverse instanties, maar dat leverde niets op. Hij hoorde vaak niets meer na zijn verhaal dat hij onder andere deed bij de toenmalige FNV-voorzitter De Waal die niet reageerde en zoals later bleek hem vergeten was.

Telkens werd over Eric een negatief oordeel geveld, terwijl hij niets verkeerds had gedaan. Zo begon de directeur van een welzijnsstichting, waar hij een gesubsidieerde baan had, over zijn slordigheden. Eric was verbaasd, omdat de directe chef vol lof was over zijn accurate werkwijze. Maar Eric werd daar ontslagen en kwam in de bijstand terecht.

Eenmansacties
In een interview zegt Eric: Mijn boek gaat over, zoals ik het omschrijf, ‘een leven vol hindernissen en nog meer discriminatie’. Pas op mijn 45ste begon ik hiertegen te ageren, daarvoor vond ik het normaal, ik kende niets anders. In mijn boek noem ik dat telkens een eenmansactie door het hele land. Wat ik ermee wil bereiken? Aandacht en vooral meer waardering: begrip en respect voor mij en mijn lotgenoten. Niet alleen theoretisch maar ook praktisch.
Eric beschrijft hoe hij vanaf 2014 een soort eenmansguerrilla in de publiciteit en bij acties begon. Hij schreef brieven en e-mails naar de media om aandacht te vragen voor de positie van gehandicapten, waarop hij meestal geen antwoord kreeg. Maar toch waren er later enkele televisieoptredens en volgde interviews voor verschillende kranten. Hij greep bepaalde themadagen aan om in straten en op pleinen waar veel mensen waren door het hele land toespraken te houden, waarin hij de positie van gehandicapten in de samenleving op basis van eigen ervaringen aan de orde stelde. Zo sprak hij verschillende malen op de Internationale dag van de Gehandicapten op 3 december en bij 1 mei bijeenkomsten zoals in 2017 op het Museumplein, waar podia voor sprekers door de FNV waren ingericht. Hij trok naar Leeuwarden, Hengelo, Deventer en met de verkiezingen in 2017 naar Den Haag.
Aan het eind van zijn boek vertelt Eric dat de vele problemen leidden tot schuldgevoelens en zelfverwijten dat hij in relaties en bij bepaalde gebeurtenissen niet adequaat gereageerd zou hebben. Wat heb ik geleerd in al die jaren dat ik leef? Nou, dat is niet altijd hoopvol. Als ik iets wil of iets wil bereiken, dan moet ik dat oneindig vaak bewijzen net zo lang tot ik een fout maak. En dat is dan voor andere mensen het bewijs dat ik ongeschikt was.

Het boek van Eric is een lange aanklacht tegen functionarissen in hogere functies van bedrijven, vakbonden, overheidsinstellingen, politieke partijen en media die blijk geven van hun onmacht om te gaan met de problemen van mensen in het algemeen en arbeidsongeschikten in het bijzonder. Al snel veronderstellen die functionarissen dat het wel aan jezelf zal liggen, dat degene die iets aan de orde stelt fouten gemaakt heeft en lastig is. Dan maar doodzwijgen of nietszeggende antwoorden geven, is een veel voorkomend fenomeen.

Het boek is in eigen beheer uitgegeven. Te bestellen via: hochstenbach_eric@hotmail.com, exclusief portokosten: 17,50 euro.

]]>

dinsdag 6 oktober 2020

Verarming van de Amsterdamse bevolking door de coronacrisis

Veel flexwerkers die in Amsterdam hun werk verloren tijdens de coronacrisis komen niet in aanmerking voor bijstand omdat ze vaak niet voldoen aan de toetredingsvoorwaarden. Voorspelling: de toename van het aantal bijstandsgerechtigden in Amsterdam zal voorlopig beperkt blijven. Er treedt door de coronacrisis wel een aanzienlijke verarming van de Amsterdamse bevolking op zonder dat daar reguliere sociale voorzieningen tegenover staan om de klap enigszins op te vangen. Dit zal leiden tot een schuldenexplosie. En de werkelijke ramp van de werkloosheid moet nog komen. 

Onlangs publiceerde MUG Magazine opvallend nieuws op hun website. Het aantal bijstandsgerechtigden is de laatste weken in Amsterdam aan het dalen! In de periode maart tot en met mei was er een stijging van het aantal aanvragen, daarna trad er een stabilisatie op en nu dus een daling. De toename van het aantal bijstandsgerechtigden over het hele jaar gemeten blijft tot nu toe beperkt: Nu zijn er 40.000 op 1 januari waren dat er bijna 39.000. 

Hoeveel mensen verloren hun werk tijdens de coronacrisis?

Eerst iets over de aantallen mensen die hun werk in Amsterdam verloren tijdens de coronacrisis. Het kabinet riep de zogenaamde TOZO regeling in het leven, als overbrugging voor ZZP-ers die hun werk geheel of gedeeltelijk verloren. Deze regeling kende geen partnertoets en geen vermogenstoets. 40.000 mensen hebben in Amsterdam een beroep gedaan op die regeling. Zij zijn hun werk dus geheel of gedeeltelijk kwijtgeraakt. 10% van de  aanvragen werd afgewezen vanwege een te hoog inkomen. Met andere woorden: er is naast die 40.000 nog een categorie, die zijn inkomen wel aanzienlijk zag dalen door minder werk maar toch nog boven de bijstandsnorm is gebleven. Hoeveel dat er zijn is onbekend. Maar 10% afwijzingen betekent toch 4000. Daarnaast zijn er natuurlijk mensen, die geen aanvraag hebben gedaan omdat ze wel weten toch niet aan de inkomensnorm te voldoen. Verder zijn er nog de mensen, die in Amsterdam werkten en dat werk zijn kwijtgeraakt maar die in een andere gemeente wonen en daar de TOZO hebben aangevraagd. (Je moet de TOZO aanvragen in de gemeente waar je woont). Hoeveel dat er zijn is ook onbekend. 

Dan het aantal WW-uitkeringen. In juli 2020 zaten bijna 30.000 inwoners van groot Amsterdam in de WW. Dat is een toename van 10.000 ten opzichte van een jaar eerder. Het aantal mensen dat in die periode WW heeft gehad is echter groter, want er is instroom en uitstroom. Veel WW-ers die bij begin van de coronacrisis zijn ingestroomd zijn na drie maanden alweer uitgestroomd. Daar zijn veel studenten bij. Dan hebben we nog de Tofa regeling. Flexwerkers, oproep- en uitzendkrachten met inkomstenverlies door corona konden gedurende een beperkte periode een beroep doen op de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA). Ruim zeventig procent van de goedgekeurde aanvragen gaat naar werknemers tussen de 18 en 27 jaar. Met andere woorden: veel studenten. Ze mochten geen beroep op een andere regeling kunnen doen. Veel van hen werken via uitzendbedrijven of in de horeca. In totaal heeft UWV ruim 23.000 aanvragen voor de TOFA-regeling ontvangen. Hoeveel dat er zijn in de regio Amsterdam is onbekend, maar Amsterdam is een echte studentenstad met twee universiteiten en Hogescholen, en aangezien vooral in de regio Amsterdam landelijk gezien flexibele krachten hun werk verloren, zal een aanzienlijk deel van die 22.000 uit Amsterdam komen. Overigens kreeg maar de helft van die 23.000 daadwerkelijk een uitkering in het kader van de Tofa regeling. De andere helft voldeed niet aan de strenge voorwaarden. Dan is er nog een aanzienlijke groep studenten en flexwerkers, die niet voor enige regeling in aanmerking komt. 

Amsterdam heeft een beroepsbevolking van 469.000 in 2019. Van die beroepsbevolking heeft minstens 60.000 en misschien wel veel meer met een inkomensachteruitgang te maken gehad als gevolg van verlies van werk. Wat zal de toekomst brengen? Hiervoor kunnen we te rade gaan bij de NOW regeling. De NOW-regeling is bedoeld voor werkgevers die als gevolg van het coronavirus kampen met een substantieel omzetverlies (ten minste 20%). Zij kunnen bij het UWV een aanvraag indienen voor een tegemoetkoming in de loonkosten, en hiervoor een voorschot ontvangen. In totaal is landelijk gezien de NOW 2.0 regeling ruim 63.000 keer toegekend. De cijfers zijn gebaseerd op de stand van 4 september 2020 en hebben betrekking op de toegekende aanvragen sinds de start van de regeling op 6 juli 2020. In de regio groot Amsterdam was het aantal toekenningen iets minder dan 10.000. Gemiddeld hebben de bedrijven te maken met 46% omzet verlies en gemiddeld werken er in die bedrijven 24 werknemers. Dat betekent, dat in de regio groot Amsterdam voor bedrijven met 240.000 werknemers de NOW 2.0 regeling is aangevraagd. 240.000 werknemers in Amsterdam werken dus in bedrijven, die door de coronacrisis in moeilijkheden zijn gekomen en die door de loonkostensubsidies overeind worden gehouden. Dat is meer dan de helft van de beroepsbevolking! Op wat langere termijn, als ook de NOW regelingen aflopen, zullen niet alleen de flexibele krachten maar ook de mensen met een vaste aanstelling ontslagen worden. We zien daar nu al een stijging in. De werkelijke ramp moet nog komen. 

 Beroep op bijstand zal voorlopig beperkt zijn

Toch zal het toenemende beroep op bijstand voorlopig beperkt zijn. Studenten waarvan de WW afloopt of die in aanmerking kwamen voor de Tofa regeling komen sowieso niet in aanmerking voor bijstand omdat ze een studiebeurs hebben. (Voorliggende voorziening) Van de 40.000 die gebruik maakte van de TOZO 1 regeling zonder partnertoets en vermogenstoets bleek slechts 20.000 in aanmerking te komen voor de TOZO 2 regeling met partnertoets. Met andere woorden: die andere 20.000 hebben een verdienende partner of in ieder geval een partner met inkomen en komen ook niet in aanmerking voor bijstand. Ook de mensen met een terugloop van inkomen tot even boven de bijstandsnorm komen niet in aanmerking voor bijstand. De grens is voor een alleenstaande 70% van het minimumloon. Hoewel in de WW veel mensen zijn ingestroomd is er ook alweer een categorie uitgestroomd. Dit heeft nauwelijks geleid tot een grotere instroom in de bijstand. Ik vermoed dat veel WW-ers ook niet voldoen aan de toetredingsvoorwaarden van de bijstand, bijvoorbeeld omdat ze student zijn, een verdienende partner hebben of slechts gedeeltelijk werkloos zijn geworden. Ook onder de gebruikers van de Tofaregeling zijn veel mensen, die niet voldoen aan de toetredingsvoorwaarden tot de bijstand. De grote categorie die in aanmerking komt voor bijstand zit onder de TOZO 2 regeling. Een deel van deze 20.000 mensen zal een vermogen (spaargeld) boven de bijstandsnorm hebben. De gemeente schat hun aantal op 5000. Dit betekent, dat 15.000 in principe voldoen aan de toetredingsvoorwaarden tot de bijstand. Maar voor hen heeft de regering de TOZO regeling verlengd tot 1 april volgend jaar, de TOZO 3 regeling. Er zal ook in de TOZO 3 regeling geen vermogenstoets geleden. Dus die mensen stromen voorlopig ook niet in in de bijstand. 

In bovenstaand staatje kun je zien hoe de instroom naar de bijstand tot nu toe is verlopen. Er is een merkwaardige piek in het aantal aanvragen in week 13 tot en met 16. Ik heb daar geen verklaring voor. De daadwerkelijke instroom in de bijstand stijgt echter ook in die periode nauwelijks. Dit zou erop kunnen wijzen, dat veel mensen aan het begin van de coronacrisis dachten voor bijstand in aanmerking te komen terwijl dit niet zo was. Ook na week 16 is de kloof tussen het aantal aanvragers van bijstand en het aantal toekenningen groter dan in de periode voor week 13. Het aantal aanvragers waarvan de bijstand wordt afgewezen is dus aanzienlijk toegenomen.

Gevolgen

Uit het bovenstaande kun je concluderen, dat een grote verarming van de Amsterdamse bevolking is opgetreden maar dat er geen reguliere voorzieningen bestonden om dat op te vangen. Sociale zekerheid bestaat voor die mensen niet. De bijstand als laatste vangnet functioneert alleen in noodsituaties. De WW is een uitgeklede voorziening waarvoor je maar beperkt in aanmerking komt. Maar veel mensen die werk hadden zijn allerlei verplichtingen aangegaan die geld kosten. Bijvoorbeeld een koophuis of een huis met een zeer hoge huur. De TOZO 1 regeling zonder partnertoets en vermogenstoets is afgebouwd. De verarming zonder vangnet zal betekenen, dat velen in de schulden komen. De alarmerende cijfers over de NOW 2.0 regeling laten echter zien dat de grote ramp pas echt komt als de loonkostensubsidies worden afgebouwd. Hoe het dan met de instroom in de bijstand zal gaan valt niet te voorspellen. 

Piet van der Lende 

]]>

dinsdag 1 september 2020

Fantoomgroei

Onlangs verscheen het boek ‘Fantoomgroei’ met als ondertitel ‘waarom we steeds harder werken voor steeds minder’. Het boek is geschreven door Sander Heijne en Hendrik Noten. Er is een begeleidende discussiesite. Het boek kreeg de nodige publiciteit, hoewel er naar mijn mening niet echt iets nieuws in staat en het boek is dan ook vooral een samenvatting van de kritiek op ons huidige doorgeschoten economisch systeem die al door andere historici en economen geformuleerd is. En het biedt een oplossingsrichting in de vorm van oprichting van coöperaties om de economie te veranderen met concrete initiatieven die ook al door anderen naar voren zijn gebracht. Maar als samenvatting biedt het een mooi overzicht.

De ondertitel geeft al aan met welke onderzoeksvraag Heijne en Noten begonnen. Want waarom maken bedrijven mega-winsten, maar zien we dat niet terug in onze portemonnee? De Nederlandse economie is de afgelopen 40 jaar met tientallen procenten gegroeid terwijl de gezinsinkomens in dezelfde periode vrijwel niet zijn gestegen. De schrijvers gaan op zoek naar het verhaal hoe dit heeft kunnen gebeuren. Eerst analyseren zij de opkomst van populistisch extreem rechts. Daarna gaan zij in op de armoede in Nederland, dat niet het egalitaire, sociaal rechtvaardige land blijkt te zijn waarop vele politici zich laten voorstaan. De schrijvers constateren, dat de economie wel sterk is gegroeid, maar dat daarmee de armoede niet als vanzelf is opgelost en zij analyseren de schuldenberg die Nederlanders op zich genomen hebben, de flexibilisering van de arbeid en contrasteren dat met de excessieve stijging van bedrijfswinsten in de hele westerse wereld. Waarbij de belastingafdrachten daalden en er bezuinigingen op de collectieve voorzieningen waren.

Dit is allemaal wel bekend, maar dan vertellen de schrijvers een idyllisch verhaal over Philips om aan te tonen dat er ook goede kapitalistische bedrijven zijn, met aandacht voor sociale aspecten, het milieu en de gemeenschap van mensen. In de tachtiger jaren telde Philips 400.000 werknemers. Philips wierf personeel in heel Nederland en ontwikkelde een conglomoraat van fabrieken waarbij alles in eigen huis werd geproduceerd. Philips investeerde een vermogen in goede maatschappelijke voorzieningen voor het personeel. Eigen woningbouwverenigingen, speciale Philips winkels waar het personeel zijn boodschappen kan doen, speelplaatsen, een bibliotheek en scholen. En dan zijn er de verschillende vrije tijdsverenigingen, waaronder PSV.

Economische crisis

Eind jaren zeventig komt de Nederlandse maak-industrie, zoals Fokker, scheepswerven, DAF in moeilijkheden. Ook Philips ontkomt niet aan de crisis. Operatie Centurion wordt afgekondigd. Het grote conglomeraat wordt opgeknipt in een waaier van zelfstandige bedrijfsonderdelen. De productie van apparatuur wordt uitbesteed aan onderaannemers. Het aantal werknemers is nu geslonken naar 37.000.

Daarna analyseren de schrijvers de nieuwe ondernemingen zoals Bol.com en hoe die werken. Het heeft flexibilisering van de arbeid tot gevolg. Wat er bij Philips gebeurde, het opknippen van grote industriële conglomeraten in ketens van onderaannemers is wat de Amerikaanse professor David Weil de creatie van een afhankelijk sterrenstelsel noemt. Die duizenden kleine onderaannemers cirkelen rond een ster, bijvoorbeeld Philips, die het product uiteindelijk aan de klant verkoopt. Zij bepalen dus hoe het geld over de leveranciers wordt verdeeld. De onderaannemers, de planeten rond de ster zijn in een hevige concurrentiestrijd verwikkeld om de gunsten van de ster en nemen zo goedkoop mogelijke flexkrachten en zzp-ers in dienst, die je in deze analogie de satellieten zou kunnen noemen.

Die verdienen nog amper geld. Uit cijfers van het CBS blijkt dat 40% van de zzp-ers in 2016 minder dan 16.000 euro per jaar verdiende. Door deze ontwikkeling is het niet (meer) zo, dat als we in een opgaande economie zitten, de hele maatschappij daarvan profiteert. Steeds meer gegenereerde waarde wordt weggezogen naar de sterren, en die hebben geen oog voor mooie sociale doelen zoals eertijds Philips. Dankzij internet ontstaan platformen van diensten leveranciers, die een monopoliepositie gaan innemen.

Daarna besteden de schrijvers aandacht aan het zogenaamde aandeelhouderskapitalisme (waarin alleen de maximale korte termijn winsten tellen) en succesvolle acties van de FNV bij de schoonmakers en Post.nl tegen de slechte arbeidsvoorwaarden. In volgende hoofdstukken wordt het Keynesianisme, de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en de opbouw van de welvaartsstaat behandeld en de reactie daarop, de opkomst van het neoliberalisme. Deze ontwikkeling is al door verschillende wetenschappers bestudeerd en beschreven.

Kansen

In het boek wordt geconstateerd dat we met de huidige economische groei en organisatie van de productie afstevenen op een ecologische en economische ramp als we niet snel een vuist maken tegen klimaatverandering. Naar analogie van het succes van de neoliberalen, die zeiden dat hun ideeën kans maakten in crisistijd, vragen de schrijvers zich af of de komende crisis kansen biedt voor een omwenteling ten goede.

Eerst wordt geanalyseerd wat economie eigenlijk is. Daarbij wordt kritiek geleverd op de theorie van de ‘onzichtbare hand’, het spel van vraag en aanbod op de markt die tot de meest efficiënte prijsvorming leidt. Daarbij is er een poging tot rehabilitatie van de beroemde Adam Smith, die de bedenker zou zijn van de onzichtbare hand, maar die in werkelijkheid tekeer ging tegen de commerciële, met de staat verbonden monopolies van zijn tijd.

Door het hele boek, in verschillende beschouwingen, loopt dat de geschiedenis een geschiedenis van ideeënstrijd is. Wij worden geconditioneerd om in bepaalde dingen te geloven en een creatieve radicale verandering is dan ver weg, ook al zien we de catastrofe op ons afkomen, maar we blijven op platgetreden paden achter elkaar aanlopen. Dit zou de reden zijn dat veranderingen zo moeilijk realiseerbaar zijn.

Het goede kapitalisme

Verwerpen de schrijvers nu het kapitalisme? Geenszins. Het huidige kapitalisme heeft geen oplossingen voor de crisis die op ons afkomt. Over hoe we de welvaart eerlijker verdelen onder de mensen die haar creëren, over hoe we de planeet leefbaar houden. Maar de schrijvers geloven niet dat het kapitalisme kapot is. Het is het kompas van het kapitalisme dat ernstig is ontregeld. Het huidige kapitalisme is gericht op ongebreidelde economische groei, de optimalisatie van private winsten en het bevorderen van ene marktsysteem dat de economische vrijheid van bedrijven voorop stelt. Het Bruto Binnenlands Product (BBP) dat de economische groei meet, is ontwikkeld tijdens de Tweede Wereldoorlog om in korte tijd zoveel mogelijk goederen (wapens) te produceren. We moeten toe naar een maatstaf voor vooruitgang in plaats van voor groei. Vervolgens wordt uitgelegd, waarom het BBP een belachelijke maatstaf is. Milieurampen kunnen in principe zorgen voor groei van het BBP. Dit is de fantoomgroei, de titel van het boek. We stapelen materiële groei op groei en dat kan zo niet doorgaan. We zullen een breder debat over welvaart en welzijn moeten eisen. Een ‘brede welvaartsmonitor’.

‘Een nieuw verhaal’

In dit laatste deel van het boek wordt aangegeven dat jonge mensen de straten van de hoofdsteden op gaan ‘in een verbeten strijd voor hun toekomst’. Chili, Hong Kong, de vele demonstraties voor een beter klimaat met als inspiratie een zestienjarige Zweedse scholiere. De gele hesjes worden genoemd, die strijden tegen de hoge brandstofprijzen.

Maar hé, die verhoging van de brandstofprijzen was door Macron toch bedoeld om klimaatverbetering te bereiken? En dan wordt de vraag gesteld: zijn die klimaatdemonstranten enerzijds en de gele hesjes anderzijds (en bij ons de boeren, voeg ik daaraan toe), niet elkaars ideologische tegenstrevers? Gaan verschillende bevolkingsgroepen de straat op TEGEN een klimaatbeleid omdat ze hun broodwinning in gevaar zien komen? Of tegen inperking van hun bewegingsvrijheid, zoals de gele hesjes? De schrijvers concluderen, dat een beleid voor een rechtvaardig klimaat alleen een kans maakt wanneer de transitie naar een duurzame samenleving gepaard gaat met de strijd voor een eerlijker verdeling van de welvaart. Dat zijn twee zijdes van dezelfde medaille. Als voorbeeld van het streven daarnaar wordt de Amerikaanse vakbondsman Mazzocchi naar voren gehaald.

Een nieuwe Green Deal

Dan zeggen de schrijvers dat er voor die sociaal rechtvaardige transitie een nieuwe Green Deal nodig is. Wat nodig is, zijn werkende gemeenschappen zoals coöperaties die een leidende rol kunnen spelen in de groene transities. Door concrete projecten en inzet op lokale acties buiten het systeem om, kunnen veranderingen worden afgedwongen.

Daarna worden ‘pioniers van het nieuwe verhaal’ naar voren gebracht. De Deense eilandbewoners van Samsö bijvoorbeeld. Daar werden agrarische en investeerders-coöperaties opgericht die in feite een collectief eigenaarschap betekenden van o.a. windturbines, die op het eiland werden geplaatst. In 1997 draaide de economie van Samsö nog volledig op fossiele brandstoffen, maar in 2000 dekte lokale windenergie al de gehele elektriciteitsconsumptie van de inwoners.

In Jackson, Mississippi, verwezenlijkt een werknemerscoöperatie een radicale visie op een rechtvaardige transitie. Maar, zeggen de schrijvers, het was geen socialistisch initiatief. Het was ondernemen pur sang maar met andere waarden dan in de gangbare economie. De coöperatie is begonnen met de opzet van collectief beheerde stadsboerderijen om eigen voedsel te produceren, men heeft een café geopend en er is een cateringsbedrijf gestart,en ook is men begonnen met het opkopen van stukken land om een eco village van duurzame huizen te bouwen voor inwoners met een laag inkomen. Men streeft naar een parallelle economie naast de ‘grote’ economie: het doel is om deze huizen weg te houden van de markt. Men werkt binnen het parallelle systeem ook aan een eigen bank- en kredietsysteem zodat men niet langer afhankelijk is van de grote financiële instituties. Door economische zelfstandigheid voor de gemeenschap te creëren in een parallel systeem vergroten de leden van die gemeenschap hun politieke macht om ook in het grote systeem in de samenleving als geheel hervormingen af te dwingen. Wie niet langer bang is om zijn of haar inkomen te verliezen en honger te moeten leiden, durft eerder de straat op te gaan om zijn of haar rechten op te eisen.

Coöperaties

Coöperaties hebben de toekomst. Die zouden ook commercieel een succes zijn, omdat over het algemeen de arbeidsproductiviteit er hoger ligt dan in traditionele kapitalistische ondernemingen. Het is wanneer de overheid een beetje meewerkt aan een gunstig ondernemersklimaat voor coöperaties, een potentieel instrument om de economie van binnen uit te veranderen. Daarna worden de vele coöperaties in Italië behandeld. Alternatief voor de platform monopolies zoals taxibedrijf Über zijn de platformco-ops. Zo is Green Taxi een coöperatie bestaande uit een groep taxichauffeurs in Denver, Colorado. Het platform dat eigenlijk net zo werkt als Über, is in handen van de chauffeurs zelf. Zij hebben zich ingekocht en zijn werknemer en mede-eigenaar tegelijkertijd. De chauffeurs krijgen een normaal salaris betaald. Er zijn in de wereld vele van dergelijke taxi coöperaties.

De schrijvers noemen de analyses van de Moor niet.

Tine de Moor is van huis uit een historica die de opkomst en ondergang van initiatieven voor zelfbeheer en zelfregulering door burgers heeft bestudeerd. Ze noemt dat “instituties voor collectieve actie”. Daarbij blijken er drie grote golven geweest te zijn in de West-Europese geschiedenis waarin mensen zelf het heft in handen namen, los van de staat en gedeeltelijk tegen het marktdenken in, waarbij ze groepsgewijs de productie van goederen en diensten en de regulering van de lokale samenleving vorm gaven. Die golfbewegingen waren in de middeleeuwen de gilden, en met de opkomst van het kapitalisme in Nederland in de tweede helft van de 19e eeuw de opkomst van de coöperatieve gedachte. We zien nu een nieuwe golf van burgerinitiatieven, zoals energie coöperaties, en de Transition Towns.

Arbeiderskapitalisme

De schrijvers pleiten in het laatste deel van het boek voor een soort arbeiderskapitalisme. Werknemers zouden naast de aandeelhouders een plaats moeten krijgen in de bedrijfsstructuren, en aandelen zouden ook moeten worden uitgegeven aan medewerkers, zodat zij als collectief mede-eigenaar worden van het bedrijf. Op deze wijze moet vorm gegeven worden aan het zogenaamde ‘stakeholder value’, waarbij bedrijven waarde creëren voor de gehele gemeenschap waarin ze actief zijn, zoals eertijds Philips, in plaats van alleen financiële waarde voor de aandeelhouders. De schrijvers zeggen: ‘Een pleidooi voor meer gemeenschapszin en solidariteit is allerminst een pleidooi tegen ondernemerschap. Integendeel. Juist nu hebben we behoefte aan visionaire ondernemers, die samen met het personeel bouwen aan een betere samenleving’. Het is geen exclusief links verhaal, alle politieke stromingen zouden zich hierin moeten kunnen vinden. In de beste traditie van de Nederlandse polder.

De studie is tot stand gekomen met een ‘ruimhartige’ subsidie van vakbond FNV. De subsidie werd verstrekt nog voor de schrijvers een letter op papier hadden gezet en er kleefden aan die subsidieverstrekking geen voorwaarden voor de inhoud van het werk.

Kritiek

In mijn ogen kleven aan het kapitalisme als zodanig systeemfouten, waar de schrijvers aan voorbij gaan, die een oplossing op langere termijn door middel van de ontwikkeling van een parallelle economie met coöperaties onmogelijk maken.

Wat betekent de ondergang van Philips als sociale onderneming eigenlijk? Ze moest mee in de ratrace om te overleven. In wezen is het kapitalisme een chaotisch tegenstrijdig systeem. Individuele ondernemers beslissen op basis van concurrentie over de aanwending van de productiemiddelen en ze hoeven daarvoor in principe aan niemand verantwoording af te leggen behalve aan de aandeelhouders, die hoge rendementen eisen. Het is de vraag of dit verandert als werknemers ook aandelen krijgen, kleine kapitalistjes worden en medezeggenschap krijgen in op de kapitalistische markt opererende ondernemingen.

De concurrentieverhoudingen in een kapitalistisch systeem dwingen hen tot aanpassing aan de markt. Die markt kent ups en downs. De golfbewegingen in de economie komen voort uit het feit, dat de beslissingen over de productie in afzonderlijke bedrijven worden genomen. In een periode van opgang wil iedere ondernemer zoveel mogelijk van de opgang profiteren en een zo groot mogelijk marktaandeel veroveren. Dat leidt tot overproductie. Daardoor blijft een deel van de bedrijven met onverkochte voorraden zitten. Saneringen, faillissementen en massaontslag zijn het gevolg, die vervolgens de economische crisis -als de overheid niet ingrijpt- versterken. In het dal van de economische crisis blijven alleen sterke bedrijven met veel kapitaal over, en een nieuwe periode van opgang begint. Bedrijven gaan over de kop of moeten gedwongen goedkoper produceren, of het nu coöperaties zijn of niet. Er zijn korte en lange golven, maar het zou te ver voeren daarop in te gaan.

Monopolievorming

Bovendien vindt in het kapitalisme altijd monopolievorming plaats, concentratie van de productie in steeds kapitaal-intensievere grote bedrijven. Kleinere bedrijven leggen het in de concurrentie af tegen grotere, waardoor het kapitaal zich in handen van steeds minder kapitalisten concentreert. Bovenop de economie waar goederen en diensten worden geproduceerd in bedrijven, ontwikkelen zich de structuren van het financierskapitaal die via hun eigendomsrechten van de ondernemingen en door het verlenen van kredieten een groot deel van wat in de reële economie verdiend wordt in hun zak steken. Zij zijn verzekerd van hoge rendementen terwijl de producerende bedrijven in het sterrenstelsel moeten werken met smalle winstmarges of zelfs verlies, onder de felle concurrentieverhoudingen. Door speculatie en het grote geld dat belegd wordt in onroerend goed, stijgen de prijzen daarvan enorm. Winkeliers moeten in wat drukkere winkelstraten extreem hoge huren ophoesten. Die omstandigheid maakt het bedrijven onmogelijk in de productie rekening te houden met de mooie doelstellingen die Sander Heijne en Hendrik Noten formuleren. Zij moeten streven naar een extreme kostenbeheersing met voorbijzien aan mooie doelstellingen, om de huren te kunnen opbrengen. En bedrijven zoals Philips redden het alleen als ze meegaan in de ratrace.

Hoe in te grijpen?

De schrijvers van het boek ontwijken de vraag, in welke mate rechtstreeks in die financierings systemen kan worden ingegrepen en vooral: wie dat dan gaat doen. Maar Sander en Hendrik willen als alternatief in dit systeem een brede welvaartsmonitor introduceren.

Ik zie het niet voor me. De doelstellingen van de brede welvaartsmonitor kunnen alleen worden bereikt, als we ons met ons allen afvragen of grote delen van de productie -met de vele mislukkingen in het achterhoofd- niet in gemeenschapshanden moet worden gebracht en hoe dat er dan organisatorisch uitziet. De schrijvers ontwijken die vraag.

Inzetten op de oprichting van coöperaties en ‘sociale’ ondernemingen met mooie doelstellingen is daarvoor niet voldoende. Zij zullen om te overleven in de ratrace hun mooie doelstellingen vaak moeten bijstellen in negatieve zin. De protesterende boeren met hun coöperaties zijn daarvan een voorbeeld.

Hoewel er ook de nodige boeren-miljonairs zijn, hebben de meesten enorme schulden op lange termijn op zich genomen, die alleen kunnen worden afbetaald bij nog grootschaliger, efficiëntere productie, met voorbijzien aan het milieu. De boeren zitten klem tussen de doelstellingen van wat de schrijvers de brede welvaartsmonitor noemen en de wetmatigheden van het kapitalisme als systeem. Grote multinationals zetten in op deze ontwikkeling, om de rendementen van het financierkapitaal op peil te houden en de winsten van de banken en de grote monopolies veilig te stellen. Grote coöperaties in de landbouw zoals de RABO bank hebben zich ontwikkeld tot puur kapitalistische ondernemingen, die het rendement voorop stellen. De multinational Friesland Campina – een coöperatieve onderneming – is daarvan ook een voorbeeld.

FrieslandCampina is het op vier na grootste zuivelbedrijf ter wereld, de grootste coöperatie van Europa en het grootste landbouwbedrijf van Nederland. In het Financieel Dagblad van donderdag 23 juli 2020 zetten woordvoerders van het concern hun plannen voor de komende tien jaar uiteen. En wat er volgens hen de komende tien jaar gaat gebeuren.

FrieslandCampina voorspelt dat het aantal melkveebedrijven de komende tien jaar fors zal dalen, van 15.000 tot 10.000 bedrijven. Tevens zal het aantal melkkoeien met 10% dalen. Maar… het concern verwacht dat de melkproductie op peil blijft! Het kleinere aantal nog grootschaliger werkende boeren zal nog veel intensiever gaan werken dan nu het geval is. Er komt dus een nog intensiever grondgebruik, terwijl de melkproductie van de koe, die in Nederland nu al het hoogste van Europa is, nog zal toenemen. De koeien die nu al kort leven en nauwelijks nog op hun poten kunnen staan door de uiers die extreem grote proporties hebben aangenomen, en die in leven moeten worden gehouden met extra krachtvoer dat eiwitrijk is, gras is niet voldoende.

Wordt die uitbuiting nog erger? Nee, zegt FrieslandCampina. Die intensievere landbouw en hogere melkproductie is wel te combineren met een lagere milieudruk. Dit wil men bereiken door de inzet van technologische innovatie en duurzame energiebronnen.

Het tienjarenplan van FrieslandCampina gaat lijnrecht in tegen het streven van de Europese Green Deal van Timmermans, en het beleid van landbouwminister Schouten. De Nederlandse landbouw moet op een andere manier compleet op de schop. Het systeem van steeds grotere bedrijven die steeds meer produceren voor steeds minder geld, werkt niet meer. Er moet juist minder geproduceerd worden voor meer geld. Nederland is de tweede exporteur van landbouwproducten ter wereld. Op zo’n kleine oppervlakte. Wij importeren op grote schaal veevoer en kunstmest, en mergelen de grond in feite uit om die hoge productie te halen. Ons stikstofprobleem komt voornamelijk door de gigantische veestapel. Maar FrieslandCampina streeft er met haar tienjarenplan naar om extreem goedkope melk op de markt te brengen om te concurreren op de wereldmarkt en zo de grootste zuivelproducent ter wereld te worden. ‘Een liter melk produceren kost in Nederland 35 cent, in China 50 cent’ zegt een woordvoerder van FrieslandCampina trots.

Weinig invloed

Naast deze kapitalistische ontwikkeling concrete initiatieven nemen om anders te produceren zoals de schrijvers van Ffantoomgroei willen, zal op de totale maatschappij van weinig invloed zijn. Bijvoorbeeld de omslag naar een duurzame landbouw is zo onmogelijk. Er staan velen klaar om die duurzame landbouw vorm te geven. Met aandacht voor het milieu, kleinschalige productie, etc. Maar het komt niet van de grond door gebrek aan land en kapitaal. De grondprijzen in Nederland zijn tot exorbitante hoogten gestegen en onbetaalbaar voor die initiatieven. En de producten van de grootschalige boeren die werken met voorbijgaan aan het milieu zijn altijd goedkoper.

In het model dat Friesland Campina voor ogen staat leggen biologische bedrijven in de concurrentiestrijd uiteindelijk het loodje of moeten zich beperken tot een niche in de markt. Onlangs werd bekend, dat er teleurstellende cijfers zijn over de omzet van biologische producten het afgelopen jaar. In de supermarkten werd afgelopen jaar voor iets meer dan 40 miljard euro verkocht, maar biologische producten als melk, kaas, vlees en groenten hadden daarin maar een aandeel van 3,21 procent. Nauwelijks hoger dan de 3,19 procent in 2018. De biologische sector wil de btw van 9 procent op biologische producten afschaffen om de vraag bij consumenten te stimuleren, en een grote reclamecampagne lanceren over de betekenis en waarden van biologische landbouw. Maar zal door biologische producten iets goedkoper te maken voor de markt en in te zetten op de ideeënstrijd die de schrijvers van Fantoomgroei ook voor ogen staat, de productie zich aanzienlijk uitbreiden? Ik denk van niet. Uiteindelijk leg je het op de markt af tegen de modellen van FrieslandCampina.

Conclusie

Zoals al eerder opgemerkt: de schrijvers concluderen dat een beleid voor een rechtvaardig klimaat en een beter milieu alleen kans maakt wanneer de transitie naar een duurzame samenleving gepaard gaat met de strijd voor een eerlijker verdeling van de welvaart. Dat zijn twee zijdes van dezelfde medaille.

We moeten erop focussen dat het grootste deel van de bevolking er niet qua inkomen op achteruit gaat of zelfs een inkomensverbetering krijgt. En we moeten alternatieve werkgelegenheid creëren voor arbeiders die werkzaam zijn in milieuvervuilende sectoren. Anders zullen delen van de bevolking zich hevig gaan verzetten tegen een duurzame transitie. De boeren zijn daarvan een voorbode. Maar is dat voldoende?

Waar de schrijvers aan voorbijgaan is een analyse van de fundamentele wetmatigheden van het kapitalisme. Een discussie daarover en een analyse daarvan is eveneens noodzakelijk, verbonden met een discussie over het antwoord op de vraag, in hoeverre we goederen en diensten in gemeenschapshanden brengen en hoe dat er organisatorisch uitziet. In hoeverre moeten we de kapitalistische markt inperken? Dus een discussie over een hernieuwd socialisme. Anders heb je geen criteria in handen in eventuele onderhandelingen met andere partijen.

Nog eens: de abstracte, mooie doelstellingen zoals milieuvriendelijk produceren, gemeenschapszin, sociale rechtvaardigheid en solidariteit die de schrijvers formuleren, die doelstellingen onderschrijven ook de liberalen en alle grote bedrijven. Maar in relatie tot de concrete maatregelen die moeten worden genomen, moet je vanuit een analyse van het kapitalisme criteria ontwikkelen ten aanzien van wat wel en niet werkt.

Ook zal op basis van die criteria een sociale strijd-perspectief ontwikkeld moeten worden om concrete maatregelen die werken erdoor te krijgen. Ik denk in tegenstelling tot de schrijvers van Ffantoomgroei dat polderen en proberen de christendemocraten en liberalen aan je kant te krijgen of zelfs grote ondernemers, middels een ideeënstrijd hier niet helpt. Zij zijn mordicus tegen inperking van de marktwerking met alle nadelen van dien die hiervoor werden geschetst.

Piet van der Lende

]]>

zaterdag 16 mei 2020

Koppeling tussen minimumloon en uitkeringen essentieel voor campagne #samenvoor14

Enige tijd geleden is de campagne #samenvoor14 begonnen, waarbij het doel is dat het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen worden verhoogd naar 14 euro per uur. Nu zijn er nog veel minimumloners die 10 euro per uur of minder verdienen. De campagne kreeg veel steun en was in ontwikkeling, waarbij in diverse steden initiatieven werden genomen voor allerlei acties. Maar door de coronacrisis is veel stil komen te liggen. Toch zijn er ook wel acties doorgegaan, zoals stoepkrijtacties met leuzen voor verhoging van het minimumloon tot 14 euro. Een ander initiatief is de publicatie van een boek, getiteld “Denkend aan 14 euro”, over het minimumloon en de lagelonen-industrie.
In het boek onder redactie van Saskia Boumans, die werkt bij de FNV, leggen verschillende wetenschappers en belangenbehartigers uit waarom verhoging van het wettelijk minimumloon noodzakelijk is. Ervaringsdeskundigen die moeten rondkomen van een (flexibel) minimum leggen in soms schrijnende verhalen uit waarom ze niet of bijna niet kunnen rondkomen. Daar zijn overigens geen uitkeringsgerechtigden bij die moeten leven van de bijstand of AOW. Uit het boek wordt duidelijk dat qua koopkracht het minimumloon in Nederland laag is in vergelijking met andere Europese landen, te laag om fatsoenlijk van te kunnen leven. Datzelfde geldt voor de aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen. Het minimumloon is qua koopkracht de laatste decennia achteruit gehold door bevriezen, alleen meestijgen met CAO-lonen die werden gematigd, ontkoppelen van uitkeringen, enzovoorts. Dat heeft desastreuze gevolgen gehad voor de bestaanszekerheid aan de onderkant van het loongebouw. Of je nu een relatieve armoede-definitie neemt (het aandeel in de welvaart van de minimuminkomens in verhouding tot hogere inkomens) of een absolute armoede-definitie hanteert (het inkomen dat gezien de kosten van levensonderhoud minimaal noodzakelijk is), in beide gevallen leven met name eenverdieners in meerpersoonshuishoudens vaak in extreme armoede. Daar komt de doorgeschoten flexibilisering bij waartegen de regering nauwelijks maatregelen neemt, zo wordt uit het boek duidelijk.

Geen reserves

Door de flexibilisering is het wettelijk minimumloon poreus: velen werken beneden dat niveau, zoals ZZP-ers die geen beroep kunnen doen op de rechten van werkenden in loondienst. Tijdens de lockdown in de coronacrisis bleek de rechteloosheid van velen. Ze kwamen zonder werk te zitten, hebben geen recht op sociale zekerheid en geen spaargeld, en moeten een beroep doen op bijstand. Veel ZZP-ers hebben door hun lage inkomen onvoldoende reserves kunnen opbouwen om de crisis te overleven. Hier wreekt zich ook dat het minimumloon simpelweg te laag is om dergelijke reserves te kunnen opbouwen. In Amsterdam schat men dat het aantal bijstandsgerechtigden dit jaar zal verdrievoudigen. De flexibilisering van de arbeidsmarkt eist haar tol. ZZP-ers hebben geen recht op WW, evenals mensen met nuluren-contracten. Het uitkleden van de WW betekent verder dat velen slechts drie maanden recht hebben op een WW-uitkering en daarna zijn aangewezen op een bijstandsuitkering. De regering heeft inmiddels een soort alternatieve bijstand voor ZZP-ers ingevoerd en een aparte regeling voor zelfstandigen. Nuna Zekic, universitair hoofddocent arbeidsrecht bij de Tilburg University, legt in het boek uit dat die flexibilisering van de arbeidsmarkt bewust regeringsbeleid is geweest, waar men niet echt iets tegen wil doen.
De inkomensongelijkheid is de laatste decennia zeer groot geworden, als je kijkt naar de brutolonen. Hierover wordt Monique Kremer geïnterviewd, zij is bijzonder hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam. Op zich geeft zij wel een goede analyse van de ongelijkheid in Nederland, al gaat zij even de mist in als het over werkloosheid gaat. Zij is medeschrijfster van allerlei WRR rapporten en roept vrolijk ‘De werkloosheid in Nederland is erg laag. We hebben nog nooit zoveel gewerkt’. Wel zegt ze erbij dat de werkloosheid onder mensen met een lagere opleiding vele malen hoger is dan onder de mensen met een hogere opleiding. In werkelijkheid lopen in Nederland meer dan 2 miljoen mensen tussen de 28 en 65 rond die geen betaald werk hebben. Het is al vele malen gezegd: de werkloosheidscijfers van het CBS en het CPB kloppen in die zin niet dat ze uitgaan van een veel te beperkte definitie van werkloosheid en de gevolgen van de massawerkloosheid veel te beperkte invloed geven. Toch nemen de wetenschappers als Kremer ook die cijfers als uitgangspunt.
Om de gevolgen van de toenemende ongelijkheid enigszins op te vangen is in de belastingen een heel ingewikkeld toeslagencircus ontwikkeld dat de grote inkomensverschillen enigszins compenseert, maar dat ook diverse nadelen heeft.
Robin Fransman, politicoloog die werkt bij de Argumentenfabriek legt in het boek uit wat de nadelen van al die toeslagen zijn. Meer gaan werken loont nauwelijks door de hoge marginale lastendruk, waardoor burgers voor elke verdiende euro tot 95% belasting moeten betalen. Er ontstaan problematische schulden, omdat mensen voorschotten soms weer terug moeten betalen. Uitvoering van het toeslagensysteem leidt tot hoge uitvoeringskosten en controles op burgers.
Het wettelijk minimumloon en de overigens subjectieve en willekeurige hoogte ervan op basis van de krachtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid in de zestiger jaren is tot stand gekomen in de periode van de eenverdieners: de man werkte en verdiende het huishoudinkomen, de vrouw deed de huishouding en de opvoeding van de kinderen. Maar die situatie bestaat in veel gevallen allang niet meer. We zijn toegegroeid naar de tweeverdienersmaatschappij, waarbij in een huishouden minstens één redelijk hoog inkomen binnenkomt en één aanvullend inkomen, vaak verkregen door het verrichten van laagbetaalde ongeschoolde arbeid door MBO-ers en andere middelbaar of hoger opgeleiden. Als gevolg van de massawerkloosheid concurreren de “overige verdieners” vanuit huishoudens die al van een redelijk inkomen zijn voorzien om de beschikbare banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De laaggeschoolde eenverdieners, zoals alleenstaanden of eenoudergezinnen (vooral vrouwen), hebben het nakijken. Deze situatie is begonnen in de tachtiger jaren van de vorige eeuw en uitgegroeid bij de herstructurering van de economie en het akkoord van Wassenaar in 1983. Daarbij werden oude industrietakken afgebouwd en werden industriearbeiders, die goede arbeidsvoorwaarden hadden met vaste banen, vervangen door herintredende huisvrouwen en scholieren in de nieuwe diensteneconomie.

Lekker sleutelen

Hoe op deze situatie te reageren? Er staat in het boek een eenduidig verhaal met sterke argumenten voor verhoging van het minimumloon. Maar als het gaat om de koopkracht van uitkeringsgerechtigden en de sociale zekerheid gaan de analyses alle kanten uit. De diverse wetenschappers die een bijdrage voor het boek schrijven, gaan enthousiast sleutelen aan allerlei regelingen die nu bestaan en die vaak erg ingewikkeld zijn. Moet het minimumloon wel over de hele linie omhoog? Die tweeverdieners profiteren er dan van, en die hebben het niet arm. Dus zou je een systeem moeten bedenken waarbij het minimumloon alleen voor sommigen omhoog gaat. Hoe kunnen we sleutelen aan het ingewikkelde toeslagensysteem, als het minimumloon omhoog gaat. Daarbij wordt in diverse bijdragen de koppeling tussen wettelijk minimumloon en uitkeringen ter discussie gesteld.
Zo stelt Paul de Beer, bijzonder hoogleraar Arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam: “Het is niet meer van deze tijd het minimumloon te koppelen aan het loon van een vaste voltijdbaan. Ook de koppeling van uitkeringen aan het minimumloon is achterhaald.” Wat wil De Beer dan? In de eerste plaats zouden we volgens hem moeten uitgaan, gezien de vele deeltijdbanen, van een minimumuurloon en niet van een minimumloon per week of per maand. Dit minimumloon moeten we dan koppelen aan het gemiddelde of mediane uurloon, niet aan de CAO-lonen, want door toeslagen en bonussen stijgen de uurlonen meer dan in de CAO’s is vastgelegd. En hoe moet het dan met de uitkeringen, als de koppeling wordt afgeschaft? Het niveau van het sociale minimum moet gelijk worden gesteld aan de armoedegrens. De Europese armoedegrens van zestig procent van het mediane huishoudinkomen zou een anker kunnen zijn. Dat komt neer op een netto inkomen van een alleenstaande van 1.325 euro per maand. Dat is een derde hoger dan de bijstandsuitkering van een alleenstaande nu.
Ook Robin Fransman pleit voor een ontkoppeling van minimumloon en uitkeringen. Volgens hem betekent een (forse) verhoging van het minimumloon dat de koppeling van de uitkeringen aan de lonen tijdelijk moet worden losgelaten. AOW en bijstand moeten ontkoppeld worden, totdat het minimumloon haar nieuwe hoogte heeft bereikt. Erg royaal jegens uitkeringsgerechtigden is hij bepaald niet. Hij wil de uitkeringen met een bedrag van ongeveer honderd euro per maand verhogen om zo de zorgtoeslag integraal af te schaffen.

Gevaarlijk

Dat ter discussie stellen van de koppeling bergt een groot gevaar in zich, namelijk dat in de krachtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid in de polder zowel een hoger minimumuurloon als hogere uitkeringen in een nieuw systeem sneuvelen en er slechts van een geringe inkomensverbetering sprake is. De beweging #samenvoor14 wil mensen weer perspectief bieden, waarbij de verdeeldheden en de scheidslijnen worden doorbroken en een nieuwe beweging wordt opgebouwd voor een rechtvaardige en inclusieve samenleving. In deze beweging is altijd als vanzelfsprekend aangenomen dat bij verhoging van het minimumloon de koppeling tussen uitkeringen en minimumloon gehandhaafd moet blijven. Zo konden minimumloners, werkenden, werklozen en andere uitkeringsgerechtigden, mensen uit arme buurten samen de straat op gaan voor een gemeenschappelijk doel: het uitbannen van de armoede in Nederland. Maar het ontkoppelen van minimumloon en uitkeringen en het pleiten voor andere regelingen zet de deur wijd open voor interventies in ingewikkelde discussies van rechtse wetenschappers, politici en werkgevers om via de aloude polderformule in overleg de tamelijk slechte situatie van nu te vervangen door wel een ander systeem, maar nog steeds even slecht. Wanneer bij de acties van de beweging #samenvoor14 in de polder wordt overlegd over dergelijke compromissen, dan is dat een slag voor de beweging die wantrouwen schept bij de achterban.

Tegenvoorstellen

Dat er tegenkrachten zijn die slechte voorstellen doen, blijkt ook uit het volgende. Onlangs verschenen de heroverwegingen van de ambtelijke werkgroep “Naar een inclusieve samenleving”. Deze werkgroep adviseert onder meer om fors te bezuinigen op de bijstand, tot wel 20 of 25 procent, om zodoende 2,5 miljard euro te besparen. https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2020Z07213&did=2020D15415
De tweede ontwikkeling is dat het Centraal Plan Bureau (CPB) heeft uitgerekend dat een verhoging van het wettelijk minimumloon met 10 procent best kan. Maar dan zouden de uitkeringen volgens het CPB niet aan het minimumloon gekoppeld moeten worden. Zie https://www.cpb.nl/kansrijk-arbeidsmarktbeleid-update-minimumloonbeleid
Beide standpunten, van de ambtenaren en het CPB, zijn bedoeld om een rol te spelen tijdens de verkiezingsstrijd van 2021 en tijdens de daarop volgende kabinetsformatie. In dit kader moet ook worden bedacht dat de tekorten op de staatsbegroting door de coronacrisis tot grote hoogten stijgen. Dan weet je wel wat er dreigt: verlaging van de bijstandsuitkeringen en het sociale minimum, in plaats van verhoging, zoals broodnodig is.

Sociaal-democratie

Dat we van de sociaal-democratie in dit opzicht weinig hoeven te verwachten, blijkt uit het volgende. Naast de bovenstaande interventies is het polderen al begonnen. De PvdA wil dat er één minimumuurloon wordt ingevoerd. De partij heeft daartoe op de Dag van de Arbeid een initiatiefwetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Het CPB stelde in een doorrekening van het plan dat werknemers met het laagste loon er 3 tot 11 procent op vooruit zouden kunnen gaan. Die doorrekening heb ik hierboven genoemd.
Nederland heeft als een van de weinige landen geen wettelijk minimum uurloon. Daarmee wordt dus voldaan aan een gedeelte van de voorstellen van De Beer. De PvdA wil dat het minimum uurloon wordt vastgezet op het hoogste uurtarief van de 36-urige werkweek. Als het hogere uurloon wordt ingevoerd voor alle medewerkers, dan zou iemand die 40 uur per week werkt, er 1 euro per uur op vooruit gaan. Dat is dus 40 euro per week en 160 euro per maand. Voor iemand met het laagste salaris is dat een flink bedrag, rekent de PvdA voor …
Vervolgens wijdt PvdA-Kamerlid Gijs van Dijk mooie woorden van solidariteit aan de harde werkers in de cruciale beroepen, zoals vakkenvullers, schoonmakers en magazijnmedewerkers die juist in deze tijd zo nodig zijn. Naast waardering zouden zij een hoger minimumloon moeten krijgen. Als het minimumloon omhoog gaat, stijgen ook de uitkeringen. Dat gebeurt met dit PvdA-plan van de PvdA niet. Maar dat maakt de sociaal-democraten niets uit, want daardoor is het plan acceptabel voor zowel links als rechts.
Volgens het CPB zal de invoering van het hogere uurtarief samen met een gemiddelde loonsverhoging van 3,6 procent dit jaar leiden tot een stijging van de totale loonkosten met naar schatting 140 miljoen euro. Er is geen effect op de overheidsuitgaven en het heeft nauwelijks invloed op de werkgelegenheid, aldus het CPB.
Maar het polderen gaat verder. Ook binnen de FNV gaan geluiden op voor ontkoppeling en beperkte verhoging van het minimumuurloon. Dat geluid horen we steeds vaker. Door de druk van de nieuwe FNV- campagnes zien we vanuit de bazen ook dat ze steeds meer open staan voor een verhoging van het minimumloon. Maar dan niet naar 14 euro. Ze willen het minimumloon iets verhogen, en tegelijk willen ze ook dat arbeiders minder inkomstenbelasting gaan betalen. Zo gaan werkenden er flink op vooruit, maar uitkeringsgerechtigden slechts een beetje. Het FNV-bestuur dat volop aan het polderen is, gaat erg deze kant op uit.

Inzet

De inzet vanuit de campagne #samenvoor14 is dat de koppeling moet blijven. De FNV-sector Uitkeringsgerechtigden staat hier volledig achter. De FNV in algemene zin ook, hoewel daar dus soms wel discussie over ontstaat. We hebben één kans, namelijk de beweging versterken en tegenmacht opbouwen, zodat ze maar moeilijk om ons heen kunnen.

Piet van der Lende

]]>

zondag 22 maart 2020

De tijden veranderen

zondag, 22 maart 2020 Weblog Konfrontatie

11 en 12 maart 2020 vergaderde de Amsterdamse gemeenteraad. Erik van Erp, journalist van de MUG, doet op de website van het blad verslag van de vergadering.

‘Met een aantal banenplannen – onder meer op Schiphol (750 banen) en met ZuidOostWerkt (250) – in combinatie met de zogeheten cohort-aanpak wil de gemeente het aantal bijstanders laten dalen van 40.000 begin 2019 naar 30.000 in 2022. Via de cohort-aanpak worden de komende maanden alle bijstanders opgeroepen, per regio en met speciale aandacht voor specifieke groepen zoals jongeren, statushouders en 50-plussers. Deze aanpak loopt dus al ruim een jaar en volgens wethouder Groot Wassink gaat het voortvarend: onder jongeren van 27 tot 32 jaar in Nieuw-West en Zuidoost is er tot nu toe een uitstroom van 25 procent. Vóór de zomer volgen nieuwe cijfers. Begin dit jaar stond de teller op 38.725 personen in de bijstand.’

Einde citaat. Dat was vorige week.

Alles wordt anders

Maar de dingen kunnen snel gaan. Op het spreekuur van de Bijstandsbond kwam een vrouw, die in het kader van het banenplan op Schiphol was aangenomen om passagiers te begeleiden. Ze heeft één dag gewerkt. Toen werd ze weer ontslagen.

Je moet de zichzelf als links afficherende Rutger Groot Wassink nageven dat hij bij de presentatie van de strenge cohortaanpak waarschuwde voor toekomstige ontwikkelingen. Zijn uitgangspunt: we moeten alles op alles zetten om de mensen aan het werk te helpen nu de economie groeit en bloeit. Want in de nabije toekomst kan er weer een crisis aankomen en worden de mensen misschien ontslagen of hebben geen kansen meer op de arbeidsmarkt.

Dat moment lijkt nu gekomen. Nu de economie praktisch is stilgevallen en velen hun baan zullen kwijtraken of in bedrijven werken die geen inkomsten meer hebben, zijn het vooral ook de ZZP-ers die geen vangnet hebben om op terug te vallen. Daarom maakten de ministers Koolmees, Wiebes en Hoekstra een pakket van zeven noodmaatregelen bekend.

Alles wordt vloeibaar

Een van die maatregelen is een tijdelijke uitbreiding van het Bijstands Besluit Zelfstandigen, BBZ, die aan ZZP-ers de mogelijkheid biedt gedurende een periode van 3 maanden een beroep te doen op deze regeling in het kader van de Participatiewet.

In tijden van crisis wordt alles vloeibaar. De decennialang onwrikbare partnertoets en vermogenstoets in de bijstand, waaraan niets veranderd werd ondanks de eveneens al decennialange klachten van bijstandsgerechtigden over deze principes, worden plotseling volledig buiten werking gesteld in de nieuwe BBZ-regeling. Ook hoeft plotseling niet meer te worden voldaan aan de strenge beoordeling van de levensvatbaarheid van een BBZ aanvragend bedrijf. Ook de levensvatbaarheidstoets wordt buiten werking gesteld.

In een andere noodmaatregel blijkt de alles doordringende bureaucratie van de verzorgingsstaat, voor zover die nog bestaat, en ook het probleem van wachtlijsten simpel oplosbaar. Je maakt gewoon een andere, simpeler regeling. Dat gebeurde met de regeling voor werktijdverkorting. Een recordaantal bedrijven heeft 78.000 aanvragen gedaan. Terwijl in alle bureaucratische procedures de beschikbare ambtenaren eigenlijk maar jaarlijks 200 bedrijven kunnen afhandelen. ‘De groei was voor de uitvoering bij het UWV niet houdbaar’ zei Koolmees. En hup, daar is een nieuwe simpele regeling. Het Noodfonds Overbrugging Werkgelegenheid. ‘een regeling die sneller, wendbaarder is en beter toegerust op de grote aantallen’.

Niet te vroeg juichen

Nu moeten we hierover ook weer niet te vroeg juichen, want Koolmees waarschuwde dat voor dat de nieuwe regelingen echt ingaan daar wel minstens enkele weken overheen gaan. Op de persconferentie zei hij: ‘Maar ik wil nog wel dit kwijt. We hebben een tijd nodig om deze regeling netjes neer te zetten, juridisch kloppend en de uitvoering goed te regelen. Loopt u dus niet morgen naar uw gemeente. Wacht nadere berichtgeving af. We zijn keihard bezig en we houden u op de hoogte’.

In de media en de politiek werd juichend gedaan over de zeven noodmaatregelen. Maar is het echt zo uitgebreid? Een van de andere noodmaatregelen: er komt een noodloket voor de tegemoetkoming in de vorm van een gift voor de eerste nood bij ondernemers die direct zijn getroffen door overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronacrisis en die hun omzet daardoor geheel of grotendeels zien verdwijnen. Het betreft een eenmalig forfaitair bedrag van € 4000 voor de periode van drie maanden en geldt alleen voor ondernemingen die qua type en sector aan bepaalde voorwaarden voldoen. Het geldt bijvoorbeeld voor horecaondernemingen. Nou, het lijkt me dat een horecaonderneming in een beetje drukke winkelstraat met die 4000 euro een paar dagen de huur van het bedrijf kan betalen. Dat zet zoden aan de dijk. En pas op, ook de nieuwe BBZ geldt voor drie maanden. Daarna? Onzeker is, wanneer het coronavirus weg is, waar die voormalige ZZP-ers van moeten leven in een krimpende economie.

En Amsterdam?

Wat betekent dit voor de gemeente Amsterdam? In Amsterdam werken relatief veel ZZP-ers, van grafisch ontwerpers, organisatieadviseurs en cultuurmakers tot sekswerkers.

“Amsterdam kan dit,” zegt wethouder Rutger Groot Wassink (Werk) desgevraagd. Het betekent dat de enorme groep van 80.000 tot 90.000 Amsterdamse zelfstandigen veel makkelijker toegang krijgt tot inkomensondersteuning, oplopend tot 1500 euro netto per maand. Naar schatting 20.000 ZZP-ers in Amsterdam leven nu al op het bestaansminimum of daaronder. Zij zullen een beroep doen op bijstand. “De regeling is versimpeld en uitgebreid waardoor het de facto een bijstandsuitkering voor zzp’ers is geworden, zonder dat zij hun bedrijf hoeven op te geven.”

Inmiddels hebben al ruim 2350 zzp’ers een aanvraag gedaan terwijl er in heel 2019 slechts 900 aanvragen waren. En dat ondanks de waarschuwende woorden van Wouter Koolmees terwijl de nieuwe regeling nog niet eens is ingevoerd. Blijkbaar verkeren velen nu al in nood. We praten met die 80.000 ZZP-ers in nood over heel andere cijfers dan de terugloop naar 30.000 bijstandsgerechtigden waar de gemeenteraad het vorige week nog over had.

Einde cohortaanpak

En de cohortaanpak en haar doelstellingen? De cohort-aanpak was het nieuwe zeer strenge beleid van GroenLinks-wethouder Rutger Groot Wassink. Ondanks mooie woorden over links beleid was dit het zoveelste project om mensen uit de bijstand te jagen. Iedereen werd opgeroepen, ook arbeidsongeschikten. Het veroorzaakte weer veel angst en stress bij mensen die niet kunnen werken. Bij de Bijstandsbond stromen de klachten binnen. Maar nu wordt alles anders.

Alle WPI- afspraken (afspraken met de sociale dienst) worden zoveel mogelijk telefonisch afgehandeld tenzij doelmatigheid, rechtmatigheid én de eerste levensbehoefte van de burger anders vereisen. Schriftelijk verkeer richting de klant vanaf de werklocaties blijft doorgang vinden.

Re-integratie-trainingen & opleidingen vervallen tot nader bericht. In het kader van afspraken met externe partijen op het gebied van o.a. leerstages, volgt de gemeente hun werkwijze waarbij men ervan uitgaat dat zij de richtlijnen van de overheid volgen.

Dienstverlening in het kader van het Startproces (procedure bij aanvraag van een uitkering waarbij je meteen in een soort re-integratietraject komt) en de cohort-aanpak gebeuren zoveel mogelijk telefonisch, tenzij de professional op basis van recht- en doelmatigheid anders besluit. Oftewel: de dienstverlening wordt drie weken bevroren omdat de aanpak zich juist kenmerkt door intensieve fysieke dienstverlening.

En er komen reorganisaties aan: De inzet op BBZ zal de komende dagen worden versterkt. De gemeente ziet ook het aantal aanvragen voor levensonderhoud fors toenemen. De inzet op aanvraag levensonderhoud zal de komende dagen worden versterkt.

De gemeente maakt nu een plan om te kijken hoe mensen die werkzaamheden hebben die stil komen te liggen, ingezet kunnen worden op plekken waar de prioriteit het hoogst is.

Conclusie moet luiden dat men de theoretische mogelijkheid open houdt voor de klantmanager om te besluiten dat iemand op een locatie, bijvoorbeeld het stadsdeelkantoor, moet verschijnen voor een gesprek bv over toeleiding naar betaald werk.

Onder dreiging van?

Ik vind het een schande dat het wordt overgelaten aan de klantmanager, dat deze onzekerheid bestaat en dat men niet gewoon besluit alles te bevriezen. De oude manier van denken blijft voortwoekeren.

Piet van der Lende

]]>

woensdag 12 februari 2020

Position paper van de Bijstandsbond over evaluatie van de Participatiewet


Op 20 februari houdt de vaste commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer een rondetafelgesprek over de Participatiewet. Aanleiding voor het gesprek is het rapport “Eindevaluatie van de Participatiewet” (1) van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). De Amsterdamse Bijstandsbond (2) neemt ook deel aan het gesprek en heeft bovendien een “position paper” naar de Tweede Kamer opgestuurd. Hieronder de integrale tekst van dat stuk, waarmee de Bijstandsbond vanuit een visie van onderop forse kritiek levert op het beleid tegen mensen met een uitkering.

Ervaringen met de Participatiewet

Wij baseren dit position paper op de spreekuurervaringen van de Bijstandsbond. We hebben een inloopspreekuur in Amsterdam, waar wekelijks 20 tot 30 mensen komen, maar er bellen en mailen ook mensen uit andere delen van het land. De Bijstandsbond is een basisorganisatie van en door bijstandsgerechtigden en andere mensen met een uitkering, waarbij wij in ons spreekuur en bij belangenbehartiging handelen vanuit het perspectief van de mensen die het betreft.

De Participatiewet is de strengste bijstandswet ooit: sollicitatieplicht, huisbezoeken, tegenprestaties, het verplicht volgen van een re-integratietraject, werken met behoud van uitkering, sancties en nauwelijks ruimte om bij te verdienen. De wet is ingewikkeld, omdat het principe geldt dat steeds als je elders inkomsten of vermogen verwerft, dit verrekend moet worden met de uitkering, of steeds als je naar de mening van de overheid kosten bespaart, dit ook verrekend moet worden met je uitkering. Verder is er de partnertoets die leidt tot diep ingrijpen in het privéleven van veel bijstandsgerechtigden. Maar het SCP meldt: de wet werkt niet. De repressiemachine kleineert en helpt mensen eerder in de put dan naar een baan. De invoering van de Participatiewet ging gepaard met rigoureuze bezuinigingen. Daardoor wordt door de gemeenten op alles beknibbeld: de uitvoeringsorganisatie, de bijzondere bijstand, etc. Dat heeft verschillende gevolgen, die we hieronder uiteenzetten.

Eerst gaan we in op de gevolgen van de ingewikkelde regelgeving en de beknibbeling op de uitvoeringsorganisatie. Steeds als er belangrijke mutaties zijn, zoals scheiding van tafel en bed, een echtscheiding of een verhuizing, of inkomen uit een deeltijdbaan, treden er moeilijkheden op bij de toegang tot de Participatiewet. Er is vaak een periode, die soms lang duurt, waarin geen bijstandsuitkering wordt toegekend, terwijl de betrokkene juist in deze periode door de mutatie voor hoge uitgaven staat. Het duurt vaak zo lang omdat de uitvoeringsorganisatie niet in staat is om op korte termijn de ingewikkelde regelgeving te interpreteren en toe te passen op gecompliceerde persoonlijke situaties en de uitvoeringsorganisatie niet de capaciteiten heeft (kennis, personeel) om alles op een adequate wijze af te handelen.

Het systeem van voorschotten verstrekken werkt niet goed. In de wet staat dat de gemeenten na 4 weken tot 95% van de norm aan voorschotten kunnen verstrekken, maar in de praktijk voeren gemeenten dat vaak niet uit, weigeren ze een voorschot of verstrekken ze maar een klein percentage van de norm. De betrokkene doet dan een beroep op de omgeving, en krijgt geld van vrienden, bekenden en familieleden om de tijd door te komen. Dat levert dan weer moeilijkheden op bij de toekenning van de bijstandsuitkering, of de voortzetting ervan, want de sociale dienst wil bepalen of die giften geen inkomsten zijn en hoe men in de moeilijke periode aan geld gekomen is. De sociale dienst stuurt handhavers op pad, terwijl de betrokkene juist in een moeilijke periode zit, wat veel stress en slapeloze nachten oplevert. Die handhavers vragen je het hemd van het lijf, waardoor mensen zich in hun privacy aangetast voelen en onheus bejegend. En er worden bij de beoordeling fouten gemaakt, omdat men er bij voorbaat van uitgaat dat de betrokkene fraudeert.

De overheid gaat vaak uit van een geïnstitutionaliseerd wantrouwen jegens haar burgers, wat zich uit in opmerkingen en redeneringen van klantmanagers. Het komt voor dat dan de uitkering niet wordt toegekend, omdat niet alle gevraagde bewijsstukken zijn ingevoerd. Of gemeenten melden dat ze op grond van de gegevens niet kunnen bepalen of er recht bestaat op een uitkering. Veel sociale diensten gaan bureaucratisch-ambtelijk en gevoelloos met de situatie om, hoewel de betrokkene geen fraude heeft gepleegd. Hieronder worden enkele van de problemen die voortvloeien uit de combinatie van bezuinigingen, ingewikkelde strenge wetgeving en een geïnstitutionaliseerd wantrouwen jegens de burger nader uitgewerkt.

Verdienen naast je uitkering

Sinds enige tijd mogen inkomsten uit werk tot 6 maanden terug verrekend worden met de bijstandsuitkering. De uitvoering van deze maatregel laat veel te wensen over. Mensen krijgen geen brief met een berekening die ze kunnen controleren en ze moeten uit de uitkeringsspecificatie afleiden dat er inkomsten verrekend zijn.

Bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand in veel gemeenten is totaal afgeknepen. De tijd is voorbij dat je voor duurzame gebruiksgoederen, zoals een wasmachine, een koelkast of een stofzuiger, in bijzondere omstandigheden bijzondere bijstand kon krijgen. De betalingen aan bewindvoerders en de eigen bijdrage-vergoeding in het kader van juridische procedures nemen het grootste deel van de bijzondere bijstand in beslag. Er wordt in veel gemeenten standaard gezegd: u kunt van uw uitkering sparen. Maar dat is niet waar. Als je spaargeld opbouwt, dan kom je niet meer in aanmerking voor kwijtschelding van gemeentelijke heffingen en waterschapslasten van tussen de 300 en 400 euro per jaar. Dit bedrag moet je eerst sparen om de heffingen te kunnen betalen. Pas wat je daarboven spaart, kun je gebruiken om duurzame gebruiksgoederen te kopen.

Kostendelers

De kostendelersnorm verdeelt mensen. Ze kunnen niet meer samenwonen zonder negatieve gevolgen voor hun inkomen, terwijl ze toch al krap zitten en elkaar nauwelijks nog kunnen helpen. De overheid         neemt zo zelf maatregelen die de zelfredzaamheid en de participatie die zij zegt na te streven belemmeren. Met name kostendelers die inwonen bij hun ouders en een kind hebben, terwijl de vader afwezig is, hebben het financieel erg zwaar. Ze komen niet in aanmerking voor zorgtoeslag en het kindgebonden budget. De regering wil dit niet veranderen met het argument dat het landelijk om maar 3.000 gevallen gaat. Maar ieder geval is er een teveel, dus dat is een onzinargument. Onlangs is nog een verslechtering in de kostendelersnorm opgetreden. Eerst was het zo dat bij bloedverwanten in de tweede graad de kostendelersnorm niet van toepassing was, bijvoorbeeld bij twee broers waarbij de ene broer voor de andere zorgt. Na een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is dat veranderd en geldt de kostendelersnorm ook voor hen. De kostendelersnorm moet worden afgeschaft. Het stapelen van uitkeringen, het argument waarmee de kostendelersnorm werd ingevoerd, geldt maar in een klein aantal gevallen.

Leven beneden het wettelijk sociaal minimum

Uit de bovenstaande beschrijving blijkt dat de Participatiewet in de praktijk moeilijk toegankelijk is voor velen. Wij denken dat dat tot gevolg heeft dat velen die recht hebben op bijstand of op een aanvulling deze niet krijgen of pas na een lange periode en dat daardoor velen leven beneden het wettelijk sociaal minimum (WSM). Volgens cijfers van het CBS hadden in 2018 in Nederland 526.800 huishoudens een inkomen lager dan 101% van het WSM. Dat komt overeen met 841.800 personen waarvan 182.100 kinderen. Wij hebben het CBS gevraagd hoeveel van die huishoudens beneden het wettelijk sociaal minimum leven en het CBS gaf de volgende cijfers. In Nederland bedroeg het aantal huishoudens in 2018 lager dan 100% van het WSM 399.000. 105.000 huishoudens hadden zelfs een inkomen lager dan 80% van het WSM. Er kunnen verschillende oorzaken zijn waarom mensen leven beneden het WSM. Beschikken over een vermogen boven de bijstandsnorm is zo’n oorzaak. In Amsterdam heeft 38% van de huishoudens met een inkomen minder dan 80% WSM een vermogen groter dan de bijstandsnorm. In de categorie 80-100% van het WSM heeft 11% een vermogen boven de bijstandsnorm. Van het totale aantal huishoudens tot 120% van het WSM heeft 17% een vermogen boven de bijstandsnorm. Ook bij de AOW-ers die geen AIO ontvangen, heeft een klein percentage een vermogen boven de bijstandsnorm.

Dit is duidelijk niet de hoofdoorzaak waarom mensen leven van een inkomen beneden het WSM. Wij denken dat bijvoorbeeld veel ZZP-ers zonder vermogen leven beneden het WSM. Een groot probleem is dat ZZP-ers in sommige gemeenten geen aanvullende bijstand kunnen krijgen. Sommige gemeenten stellen zich op het standpunt dat je ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel als ondernemer en dat daarom geen aanvullende bijstand mogelijk is. Als ondernemer bijstand ontvangen kan in die gemeenten alleen als je gebruik maakt van de BBZ-regeling of werkzaamheden op bescheiden schaal verricht. In andere gemeenten gaan ze er soepeler mee om en is aanvullende bijstand wel mogelijk. Groot knelpunt is ook dat ZZP-ers die aanvullende bijstand krijgen, geen beroepskosten in rekening kunnen brengen. Wanneer je een IOAZ- of IOAW-uitkering hebt of via de BBZ kan het weer wel. Er is nader onderzoek nodig naar de oorzaken waarom mensen leven beneden het WSM, bijvoorbeeld een onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de effectiviteit, efficiency en bereik van de Participatiewet, zoals met de AOW ook is gebeurd in het rapport “Ouderdomsregelingen ontleed”.

De Participatiewet heeft ook allerlei gevolgen voor de reïntegratie en de positie van arbeidsgehandicapten. Veel arbeidsgehandicapten voelen zich onheus bejegend, omdat er niets voor hen wordt gedaan om hen bezigheden te geven of aan betaald werk te helpen. Tienduizenden met een beperking zitten thuis.

De kwaliteit van de reïntegratietrajecten is beneden de maat. Bijstandsgerechtigden moeten dikwijls met behoud van uitkering zeer eenvoudige werkzaamheden verrichten in werkplaatsen waar ze slecht worden behandeld en zich vernederd voelen. En de bemiddeling van jobhunters vindt uitsluitend plaats in de richting van flexibele ongeschoolde banen waar eerst ook weer met behoud van uitkering moet worden gewerkt. Het zijn standaard disciplineringstrajecten om “werknemersvaardigheden” aan te leren die alleen maar frustrerend werken. Inhoudelijk houdt het “werk” niets in en er zijn geen op maat gesneden toeleidingstrajecten met scholing en het aanleren van nieuwe vaardigheden. De eisen van de werkgevers zijn het uitgangspunt, qua voorwaarden, en een aanpassing aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene vindt niet plaats.

Deze situatie is mede een gevolg van de rigoreuze bezuinigingen op de re-integratie, die een persoonlijke benadering onmogelijk maken. Maar het is ook een gevolg van de manier waarop tegen werkloze bijstandsgerechtigden wordt aangekeken. Klantmanagers, jobhunters en andere bemiddelaars oefenen druk uit op de betrokkene om zich aan te passen aan omstandigheden en voorwaarden waaraan hij/zij door beperkingen vaak niet kan voldoen. Vervolgens wordt de schuld bij de betrokkene gelegd, met als gevolg strafkortingen en onder druk zetten met denigrerende opmerkingen.

De jobcoaches en klantmanagers kunnen vaak niet met uitkeringsgerechtigden omgaan, ventileren vooroordelen, behandelen hen slecht of treden ontactisch op. Of ze delen werkzoekenden onterecht in  bij de categorie mensen met een beperking. Of ze zijn welwillend naar de bijstandsgerechtigden toe, maar zijn zelf gedwongen om mee te draaien in dit systeem. Het is nietszeggend labeltjes plakken. Mensen die op zich gezond zijn en die te maken krijgen met een disfunctionerende sociale dienst, worden op een hoop gegooid mensen met een beperking en krijgen daardoor zelf gezondheidsproblemen, zoals depressies en stress. En mensen met een beperking worden nog zieker dan ze al zijn.

De eisen van de werkgevers op het gebied van flexibele constructies staan niet ter discussie. Hen worden geen verwijten gemaakt. De gemeenten hebben geen beleidsinstrumenten in handen om het personeelsbeleid van werkgevers te beïnvloeden.

Het is bijzonder schrijnend in deze maatschappij dat mensen met een beperking tussen twee vuren zitten bij hun zoektocht naar aangepast werk. Zoals gezegd, aan de ene kant zijn er de werkgevers die mensen niet in dienst nemen en geen rekening met de beperkingen wensen te houden, omdat ze alleen veel producerende werknemers aannemen waarmee ze flink geld kunnen verdienen. Aangepast werk is bijna niet te vinden, en de wanhopige sollicitanten worden niet aangenomen of vallen uit door alle problemen op de arbeidsplaats. Aan de andere kant zijn er de sociale diensten die erop inzet om zoveel mogelijk mensen aan het werk te krijgen, zonder resultaat. De sociale diensten zetten bijstandsgerechtigden met een beperking onder druk door te dreigen met strafkortingen. Ze moeten solliciteren naar banen die er voor mensen met een beperking niet zijn, zodat die mensen terechtkomen in moeilijke situaties.

Er zijn veel projecten in het land om werkzoekenden aan werk te helpen. Werkgevers maken afspraken met vakbonden, gemeenten en de rijksoverheid over het aan werk helpen van arbeidsgehandicapten of mensen met een beperking. Wat zijn er de gevolgen van dat het personeelsbeleid van de werkgevers in feite niet is te beïnvloeden? Werkgevers nemen de krenten uit de pap voor een vast contract. Ze nemen bijvoorbeeld geen mensen aan met een psychische handicap, maar wel iemand met specifieke lichamelijke beperkingen die weinig begeleiding vereisen. De resultaten van dergelijke projecten zijn vaag, want ook zonder hulp en projecten stromen mensen vaak uit. Er wordt dan juichend gedaan over de uitstroom in een traject, terwijl de bijdrage van het project aan de kansen op betaald werk gering is. In de praktijk komen arbeidsgehandicapten nauwelijks aan het werk. In de afspraken die worden gemaakt met werkgevers zorgen die ervoor dat ze uit verschillende doelgroepen kunnen putten, bijvoorbeeld de doelgroep migranten naast arbeidsgehandicapten. Dat maakt het voor hen gemakkelijker om de krenten uit de pap te vissen.

Dwangarbeid

Het is af en toe in het nieuws: uitkeringsgerechtigden, meestal mensen met bijstand, die door gemeentebesturen gedwongen worden om in allerlei werkprojecten met behoud van uitkering arbeid te verrichten. En dat soms tot in lengte van dagen, zonder perspectief op een regulier arbeidscontract of reguliere arbeid voor een loon elders. Mensen moeten onder een bijstandsregime vaak ver beneden hun opleidingsniveau zeer eenvoudige werkzaamheden verrichten zonder perspectief op verbetering.

Op de spreekuren van belangenorganisaties en vakbonden komen schrijnende verhalen binnen over misstanden die heersen in de dwangarbeidprojecten. Slechte werkomstandigheden, intimidatie, vernederingen, dreigen met stopzetting van de uitkering als je niet constant naar de pijpen van de werkmeesters danst, en vaak zelfs daadwerkelijke kortingen of stopzettingen van de uitkering voor de meest futiele “overtredingen” van de zeer strenge regels. Schrijnend is dat je in dergelijke projecten vaak niets leert en dat ze op geen enkele manier bijdragen aan je kansen op de arbeidsmarkt. Ook meer in zijn algemeenheid worden soms zeer strenge sancties toegepast, zoals een korting van 100% gedurende een maand, oplopend tot een uitsluiting uit de uitkering van drie maanden. Deze sancties moeten worden afgeschaft.

Wij zijn in Amsterdam en elders samen met andere organisaties in opstand gekomen tegen deze mensonterende omstandigheden en gedeeltelijk met succes. Wij noemen dergelijke werken zonder loon-projecten dwangarbeid, omdat de omstandigheden voldoen aan de definitie van verboden verplichte arbeid en dwangarbeid in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Werken zonder loon moet stoppen. Ook de tegenprestatie is in feite verboden verplichte arbeid volgens het EVRM, omdat dit niet als doelstelling heeft om mensen toe te leiden naar betaald werk.

Voorstellen

Wat moet er gebeuren?

1. Veel voorstellen zijn de afgelopen tijd in rapporten de revue gepasseerd. Door de WRR worden “basisbanen” voorgesteld. De commissie-Borstlap richt zich ook op de onderkant van de arbeidsmarkt. De vele voorstellen en de rapporten blijven echter stilstaan bij dat ene punt: de werkgevers zijn, als puntje bij paaltje komt, in hun personeelsleid volstrekt autonoom. Op die manier worden al die voorstellen een afkoopsom voor werkloosheid. Dat geldt ook voor een basisinkomen. Verder behelzen de voorstellen maatregelen die werken via het prijsmechanisme, waarop de werkgevers moeten reageren. Flexibele arbeid duurder maken bijvoorbeeld, in de hoop dat de werkgevers dan hun beleid zullen bijstellen. Het is sterk de vraag of deze indirecte manier van beïnvloeden via het marktmechanisme echt werkt. De Partij van de Arbeid heeft voorgesteld om aan de ene kant werkgevers te belonen die hun personeel zekerheid geven, en aan de andere kant werkgevers te belasten die de risico’s afschuiven op de werknemers. Zo wordt het veel aantrekkelijker om mensen weer in dienst te nemen. En bedrijven die het goede met hun mensen voor hebben, worden zo niet langer weggeconcurreerd door bedrijven die de werknemers uitknijpen. Aldus dat voorstel.

In onze ogen hebben al deze maatregelen aanvechtbaar effect. Nodig is een hernieuwde discussie over directe beïnvloeding van het personeelsbeleid van de werkgevers door de werknemers, in het kader van een agenda over democratisering van de economie. Verder zouden aanzetten kunnen zijn: herverdeling van de arbeid, arbeidstijdverkorting, vroege pensionering, arbeid naar de menselijke maat, terugdringing van de sociale onzekerheid, en verhoging van de minimumlonen en de daaraan gekoppelde uitkeringen, waarbij het wettelijk minimumloon naar 14 euro per uur gaat. Het bijstandsbedrag is simpelweg te laag, Op initiatief van de FNV loopt er nu een campagne voor verhoging van het minimumloon naar 14 euro per uur. De Bijstandsbond en veel andere organisaties hebben zich bij deze campagne aangesloten. Juist omdat mensen niet kunnen sparen voor bijvoorbeeld duurzame gebruiksgoederen of voor wat dan ook, moet de bijstandsuitkering substantieel omhoog.

2. Wat betreft de sociale onzekerheid: oppositie en regering discussiëren over een meer algemene verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Iedereen die werkt, zou steun moeten krijgen als het even tegenzit. Het moet niet uitmaken of je liever als zelfstandige aan de slag gaat of meer hecht aan een vast contract. Waar het om gaat, is dat alle werkenden moeten kunnen rekenen op een goed pensioen én een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Volgens ons moet deze nieuwe volksverzekering tegen arbeidsongeschiktheid niet alleen gelden voor werkenden, maar voor alle inwoners. Dus ook voor bijstandsgerechtigden. Veel bijstandsgerechtigden zijn arbeidsongeschikt en kunnen niet werken. Dat heeft ook het SCP geconstateerd. Zolang die verzekering tegen arbeidsongeschiktheid er niet is, moeten die mensen met rust worden gelaten. Het opjaagbeleid van nu moet stoppen.

3. Wij pleiten voor een sociale bijstand, waarbij mensen niet worden gestraft voor werkloosheid, maar ze met vertrouwen worden behandeld en waarbij werken loont. Geef bijstandsgerechtigden meer rechten om te kunnen onderhandelen met de diverse partijen. In plaats van dwang en rechteloosheid die misbruik in de hand werkt. Geef mensen de mogelijkheid om zich te verdedigen. In dit kader pleiten wij ook voor afschaffing van de sollicitatieplicht. Veel bijstandsgerechtigden willen graag werken, de sollicitatieplicht is overbodig. Geen werken zonder loon en geen dwang op het gebied van een tegenprestatie, dat is wat we willen. De bezuinigingen van 2015 op de reïntegratiebudgetten moeten worden teruggedraaid. Voorzover reïntegratietrajecten worden uitgevoerd, moet dat gebeuren met instemming van de betrokkenen, gezamenlijk met hen, dus geen van bovenaf bedachte projecten waarbij vervolgens mensen in die projecten worden geduwd. Vaak passen die van bovenaf bedachte projecten niet bij de mensen en sluiten die niet echt aan op de gevraagde kennis en vaardigheden op de arbeidsmarkt. Sociale ontwikkelbedrijven kunnen de functie         van de vroegere sociale werkplaatsen overnemen.

4. Ondanks bovenstaande volksverzekering tegen werkloosheid zal bijstand nodig blijven als laatste vangnet voor mensen die in de andere regelingen buiten de boot vallen, bijvoorbeeld vrouwen die te maken hebben met een echtscheiding. Dat moet echter een andere bijstand worden dan nu. Geen kostendelersnorm, en verruiming van de mogelijkheden om een opleiding te volgen.

5. Als basis voor de ontwikkeling naar een socialere bijstand moet er een onderzoek komen naar de oorzaken van het feit dat honderdduizenden beneden het wettelijk sociaal minimum leven, bijvoorbeeld door de Algemene Rekenkamer.

]]>

zondag 19 januari 2020

Samen voor 14 - campagne voor hoger minimumloon

Solidariteit – Commentaar 399 – 19 januari 2020

Piet van der Lende

Al eerder besteedde Solidariteit aandacht aan de nieuwe beweging “Samen voor 14”. De benaming voor een initiatief van de FNV, waarbij bewust de samenwerking wordt gezocht met buurtorganisaties, belangenverenigingen en actiegroepen om samen op voet van gelijkwaardigheid van onderop een sociale beweging op te bouwen.

Organizers van de FNV gaan naar de buurten in de steden om te proberen lokale actiegroepen “Samen voor 14” te vormen. Uiteindelijk moet het een landelijke beweging worden, waarbij het voornaamste concrete actiedoel is om de politiek zover te krijgen het wettelijk minimumloon naar 14 euro per uur te verhogen. Maar het initiatief poogt ook een nieuw elan te bewerkstelligen om de belangenbehartiging van mensen aan de onderkant van de samenleving nieuwe impulsen te geven. De beweging is nadrukkelijk antiracistisch en streeft op basis van diversiteit en inclusiviteit (dus niemand uitgesloten) naar de deelname van veel groepen in de samenleving. Gericht op het doorbreken van de kunstmatige, door rechtse propaganda aangewakkerde, verdeeldheid langs etnische, sociale en culturele scheidslijnen.

Lange adem

De opbouw van de beweging “Samen voor 14” is een project van de lange adem. Het is tegenwoordig niet eenvoudig meer om mensen in beweging te krijgen. Velen hebben het vertrouwen in de politiek verloren en herinneren zich de defensieve acties van vroeger zonder resultaat, waarbij we kunnen denken aan de uitspraak van de vroegere VVD-minister Zalm, toen er een demonstratie voorbij trok op het Binnenhof: Ik zal naar ze wuiven.

Velen moeten ook alle energie die ze nog hebben, besteden aan het dagelijkse rondkomen, de eindjes aan elkaar knopen via een te lage uitkering of via laagbetaald en inspannend flexibel werk. En velen zijn arbeidsongeschikt of gehandicapt en beschikken niet, zoals de boeren, over de financiën van kapitalisten en andere middelen om harde acties uit te voeren. Ook blijkt het integreren van de antiracisme strijd eenvoudiger gezegd dan gedaan. In de praktijk is het best lastig om te gaan met spanningen tussen groepen en het buiten de deur houden van opvattingen uit PVV en FvD. Veel mensen wantrouwen niet alleen politici, maar ook vakbonden, hoewel de FNV nog altijd een miljoen leden heeft en veel mensen enthousiast zijn over de nieuwe campagne. Daar komt bij dat velen zich zo machteloos voelen dat ze geen hoop en ook geen geloof meer hebben dat het ooit nog door sociale strijd beter gaat worden. Het is van groot belang om die impasse te doorbreken.

Groeiende beweging

Het initiatief “Samen voor 14” is in april vorig jaar voorzichtig in Rotterdam begonnen en langzaam maar zeker breidt de beweging zich uit. Er zijn nu groepen gevormd in de vier grote steden Den Haag, Rotterdam, Amsterdam en Utrecht die zich in verschillende stadia van ontwikkeling bevinden. Ook in kleinere steden zijn of worden groepen opgezet, zoals in Nijmegen, Haarlem, Leiden, Leeuwarden, Helmond, Maastricht, Heerlen, Zaanstreek. Er zijn inmiddels al flink wat bijeenkomsten, acties en demonstraties gehouden.

De publiciteit in de grote media valt nog wat tegen. Daarvoor heeft de beweging blijkbaar nog niet genoeg ‘body’. Maar de resultaten zijn positief. In Amsterdam werd op 12 december een actie gehouden bij de ‘miljonair fair’, om de groeiende tegenstelling tussen arm en rijk aan de kaak te stellen. De actie kende qua deelnemers een grote diversiteit. In feite gingen veel kleine groeperingen die in Amsterdam actief zijn voor het eerst sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw weer samen de straat op voor een gezamenlijke actie. Dit betekent nu al een versterking van de belangenbehartiging van en voor mensen met een minimaal inkomen in de stad. Het uitdragen van een expliciet antiracistisch standpunt blijkt succes te hebben: opvallend veel ‘niet witte mensen’ sluiten zich bij de campagne aan. Dat is verheugend en noodzakelijk, als we in deze multiculturele samenleving vooruitgang willen boeken in onze strijd tegen onrecht en armoede.

Plannen

Stip aan de horizon is 16 januari 2021. Dan moeten groepen uit het hele land samenkomen als ‘kick off’ voor de twee laatste maanden voor de verkiezingen op 21 maart. Het moet een inspiratiedag worden, waarbij zoveel mogelijk mensen samen gaan bespreken hoe kan worden geïntervenieerd in de verkiezingscampagnes van de politieke partijen om de noodzaak van de verhoging van het minimumloon tot 14 euro onder de aandacht te brengen.

Nu al wordt op bijeenkomsten van politieke partijen, op eigen bijeenkomsten met fora van politici en tijdens acties en demonstraties, de eis van een hoger minimumloon aan de orde gesteld. En ook wordt er een begin gemaakt met het vormen van ‘kernen’ van activisten in diverse steden die de campagne moeten dragen en uitbouwen. De ‘inspiratiedag’ zou bijvoorbeeld in de Jaarbeurshallen in Utrecht kunnen worden gehouden, maar de definitieve plaats is nog onbekend. Maar de campagne richt zich niet alleen op de politiek. Bij de FNV is het nu arbeidsvoorwaardenbeleid. Dat betekent dat bij iedere cao onderhandeling de 14 euro minimumloon als eis moet worden neergelegd. En dat gebeurt ook. Alleen bij de ene werkgever wordt het meer een gevecht dan bij de ander.

Komende acties in Amsterdam

Het streven is om in Amsterdam nog voor de zomer van dit jaar een kern van 65 activisten met een minimuminkomen te vormen. Met als bedoeling dat mensen met een minimuminkomen vanuit hun eigen ervaringen in de media, aan politici en aan werkgevers vertellen hoe het is om van een minimum te moeten rondkomen.

Deze kerngroep gaat allerlei acties organiseren. Tot de zomer wordt iedere 14de van de maand een actie gehouden, te beginnen met 14 februari. Dan is het Valentijnsdag. De Amsterdamse groep van “Samen voor 14” denkt erover om op die dag een groot hart met leuzen naar de Beurs te dragen. Het zou dan gaan om een statement van de kleine beurzen aan de grote beurs. Verder is het plan om in april en mei een actieweek te houden, zoals dat in december ook het geval was. Het idee is om de diverse groepen die aan de campagne deelnemen, zichtbaar te maken. Ook zullen we ons dan richten op de hotemetoten die de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen aan het schrijven zijn.

]]>

maandag 13 januari 2020

Amsterdamse wethouder Groot Wassink wil met “cohorten aanpak” mensen uit de bijstand jagen

De Amsterdamse wethouder Rutger Groot Wassink van Sociale Zaken heeft op 18 december een brief(pdf) gepubliceerd waarin een nieuwe aanpak van bijstandsgerechtigden wordt uitgelegd, de zogenaamde “cohorten aanpak”. Ondanks mooie woorden over links beleid is dit het zoveelste project om mensen uit de bijstand te jagen. Iedereen wordt opgeroepen, ook arbeidsongeschikten. En het huisbezoek wordt als drukmiddel ingezet. Het zal weer veel angst en stress veroorzaken bij mensen die niet kunnen werken.

De Participatiewet is sowieso een onmenselijke wet door de complexe regelgeving, de vele verplichtingen en de strenge voorwaarden waarbij je iedere cent die je extra krijgt weer moet inleveren. De wethouder gaat nu de wet strak uitvoeren, hoewel hij er zelf ook kritiek op heeft. En het ergste is nog dat al die ambtenaren en politici denken dat ze goed bezig zijn.

Uitroken

De ambitieuze en onhaalbare doelstelling om het aantal bijstandsgerechtigden in Amsterdam terug te dringen van 40.000 naar 30.000 legt druk op de werkwijze, de visie en de beoordelingen van klantmanagers. Zij moeten scoren. Het zal onrechtvaardige beoordelingen regenen en mensen onterecht in moeilijkheden brengen. Op zich is er niets op tegen om mensen op te roepen zoals de vorige wethouder, Arjan Vliegenthart, dat deed: een goed gesprek in een buurthuis, waarbij de baanlozen zelf een eigen inbreng hebben en mensen die zichzelf kunnen redden, met rust worden gelaten. Maar de “cohorten aanpak” van Groot Wassink is nadrukkelijk bedoeld om bijstandsgerechtigden uit te roken. De nauwe koppeling van de oproepen en de gesprekken aan de uitstroomdoelstelling – het gaat uitsluitend om gesprekken om te kijken of iemand aan het werk kan, zo blijkt uit de oproepbrief – betekent dat alles en iedereen onder druk komt te staan, waarbij de vertrouwenskloof tussen de bijstandsgerechtigden en de uitvoeringsorganisatie alleen maar groter wordt.

Het overgrote deel van de Amsterdamse bijstandsgerechtigden is arbeidsongeschikt, dat geldt ook landelijk. Waarom wil dat maar niet doordringen tot de beleidsmakers en waarom blijven ze voortdurend focussen op uitstroom naar betaald werk? In Amsterdam leven 40.000 gezinnen beneden het sociale minimum, zo blijkt uit de Armoedemonitor. Veel mensen met een laag inkomen zien er van af om een beroep te doen op de gemeente om hun inkomen aan te vullen tot het wettelijk sociaal minimum (wsm). Mensen die het wel proberen, raken verstrikt in de complexiteit van de regelgeving en de strenge eisen van de Participatiewet, waarmee die wet moeilijk toegankelijk is. De gemeente heeft niet veel beleidsvrijheid om daar echt iets aan te doen, want het gaat om landelijke wetgeving. Maar in plaats van de ruimte te benutten die er wel is, wordt de gemeentelijke uitvoering strak gekoppeld aan de landelijke regelgeving. De gemeente onderzoekt niet hoe het komt dat zoveel gezinnen onder het wsm leven.

Met het nieuwe beleid van de wethouder worden nu al uitkeringen stopgezet van mensen die niet meteen reageren. Het kan de gemeente niet schelen wat er met hen gebeurt, het wordt niet onderzocht. Ook is onduidelijk wat als gevolg van het nieuwe beleid de uitstroomcijfers tot nu toe betekenen. Vinden mensen duurzaam een baan? Worden uitkeringen stopgezet en je zoekt het verder maar uit? Een eerste vereiste voor de gemeente is om de gevolgen van het nieuwe beleid voor al die mensen te onderzoeken.

Piet van der Lende

]]>

zondag 12 januari 2020

De jacht op bijstanders in Amsterdam is weer begonnen

Ook verschenen in MUG Magazine van januari 2020

De Amsterdamse wethouder Rutger Groot Wassink van Sociale Zaken heeft woensdag 18 december een brief gepubliceerd, waarin een nieuwe aanpak van bijstandsgerechtigden wordt uitgelegd, de zogenaamde ‘cohorten aanpak’. Ondanks mooie woorden over links beleid is dit weer het zoveelste project om mensen uit de bijstand te jagen. Iedereen wordt opgeroepen, ook arbeidsongeschikten. En het huisbezoek wordt als drukmiddel ingezet. Het zal weer veel angst en stress veroorzaken bij mensen die niet kunnen werken.

De Participatiewet is sowieso een onmenselijke wet door de complexe regelgeving, de vele verplichtingen en de strenge voorwaarden waarbij je iedere cent die je extra krijgt weer moet inleveren. De wethouder gaat nu de wet strak uitvoeren, hoewel hij er zelf ook kritiek op heeft. En het ergste is nog, dat al die ambtenaren en politici denken dat ze goed bezig zijn.

De ambitieuze en onhaalbare doelstelling om het aantal bijstandsgerechtigden terug te dringen van 40.000 naar 30.000 legt druk op de werkwijze, de visie en de beoordelingen van klantmanagers. Ze moeten scoren. Het zal onrechtvaardige beoordelingen regenen en mensen onterecht in moeilijkheden brengen. Op zich is er niets op tegen om mensen op te roepen zoals de vorige wethouder, Arjan Vliegenthart, dat deed: een goed gesprek in een buurthuis, waarbij de betrokkene zelf een eigen inbreng heeft en mensen die zichzelf kunnen redden met rust laten.

De nauwe koppeling van de oproepen en gesprekken aan de uitstroomdoelstelling – het gaat uitsluitend om gesprekken om te kijken of iemand aan het werk kan blijkt uit de oproepbrief – betekent dat alles en iedereen onder druk komt te staan, waarbij de vertrouwenskloof tussen de bijstandsgerechtigden en de uitvoeringsorganisatie alleen maar groter wordt.

Het overgrote deel van de Amsterdamse bijstandsgerechtigden is arbeidsongeschikt, dat geldt ook landelijk. Maar waarom wil dat maar niet doordringen tot de beleidsmakers en waarom blijven ze voortdurend focussen op uitstroom naar betaald werk?

In Amsterdam leven 40.000 gezinnen beneden het sociale minimum blijkt uit de Armoedemonitor. Veel mensen met een laag inkomen zien er van af om een beroep te doen op de gemeente om hun inkomen aan te vullen tot het wettelijk sociaal minimum (WSM). Mensen die het wel proberen raken verstrikt in de complexiteit van de regelgeving en de strenge eisen van de Participatiewet, waarmee die wet moeilijk toegankelijk is. De gemeente heeft niet veel beleidsvrijheid om daar echt iets aan te doen, want het gaat om landelijke wetgeving. Maar in plaats van de ruimte die er wel is te benutten, wordt de gemeentelijke uitvoering strak gekoppeld aan de landelijke regelgeving. De gemeente onderzoekt niet hoe het komt dat zoveel gezinnen onder het WSM leven.

Met het nieuwe beleid van de wethouder worden nu al uitkeringen stopgezet van mensen die niet meteen reageren. Het kan de gemeente niet schelen wat er met ze gebeurt, het wordt niet onderzocht. Ook is onduidelijk wat als gevolg van het nieuwe beleid de uitstroomcijfers tot nu toe betekenen. Vinden mensen duurzaam een baan? Worden uitkeringen stopgezet en je zoekt het verder maar uit?

Een eerste vereiste voor de gemeente is om de gevolgen van het nieuwe beleid voor al die mensen te onderzoeken.

Piet van der Lende, Bijstandsbond

]]>