pagina's

woensdag 19 mei 2021

Zwartboek over de uitvoering van de bijstand in Amsterdam

De Bijstandsbond heeft een zwartboek geschreven over hoe het beleid van wethouder Groot Wassink in Amsterdam in de praktijk uitpakt. Het beleid van de wethouder wordt ook wel de ‘cohortaanpak’ genoemd. Bijstandsgerechtigden worden ingedeeld in cohorten van 1500 personen in de stadsdelen. Men werkt de cohorten af door alle bijstandsgerechtigden in een bepaald gebied op te roepen, ook de mensen die zijn vrijgesteld van de sollicitatieplicht om medische of sociale redenen. Het gaat om een nieuwe aanpak. De oude trede indeling wordt losgelaten. (de indeling van bijstandsgerechtigden op de participatieladder van vrijstelling van de verplichtingen om te re-integreren tot trajectbegeleiding). Er wordt gekozen wordt voor een nieuwe strengere ‘integrale’ aanpak. In het zwartboek delen wij de ervaringen met de cohortaanpak in de afgelopen twee jaar. Wij behandelen eerst wat de cohortaanpak inhoudt. Daarna gaan wij in op praktijkvoorbeelden van mensen die zijn vrijgesteld van de sollicitatieplicht en hoe die bijstandsgerechtigden behandeld worden. Over het algemeen wordt geen rekening gehouden met de wensen en mogelijkheden van betrokkene. Klantmanagers gaan aan het dossier en de achtergronden van de bijstandsgerechtigde voorbij en ventileren aan het begin van het gesprek al dat de bijstandsgerechtigde in een traject richting betaald werk moet, door bijvoorbeeld te solliciteren of gekoppeld te worden aan een jobhunter. In de brieven vooraf met een uitnodiging voor een gesprek wordt al gezegd dat de betrokken bijstandsgerechtigde naar werk moet worden begeleid. De brieven en de gesprekken leiden tot veel frustraties, angsten, woede en stress bij de bijstandsgerechtigden die zich weer van voren af aan moeten verdedigen. Bij degenen, voor wie betaald werk te hoog gegrepen is, wordt soms druk uitgeoefend dat men vrijwilligerswerk moet gaan doen, ook als betrokkene erg ziek is hoewel de wethouder heeft gezegd dat hij de verplichte tegenprestatie niet gaat uitvoeren. 

Na te zijn ingegaan op de samenwerking van de sociale dienst (WPI) met andere organisaties zoals de buurtteams gaan we in op de strenge aanpak in het algemeen. Bijstandsgerechtigden die tegen de  AOW aanzitten worden onder druk gezet te solliciteren, voorbijgaand aan hun belemmeringen, met bijvoorbeeld minimaal 5 sollicitaties in de week. Tegen bijstandsgerechtigden die om wat voor reden dan al langer in de bijstand zitten, en die al meerdere vruchteloze re-integratietrajecten achter de rug hebben, wordt gezegd: ‘de bijstand is een tijdelijke noodvoorziening en: als je vrijwilligerswerk kunt verrichten kun je ook werken’.  Een van de klantmanagers verontschuldigde zich. Ze zei: ‘in het kader van de cohortaanpak moeten er 10.000 uit, ik kan er ook niks aan doen’. De vacatures waarmee geschermd wordt bevatten vaak geen essentiële informatie met loonhoogte of adequate omschrijving van de taken en er is geen contactadres waar je naartoe kunt bellen om informatie. Alles moet via de jobhunter lopen. 

Er is sprake van een carrousel van ‘proefplaatsingen’ en “leertrajecten”, waar zonder loon productief gewerkt wordt. Het blijkt dat alle trajecten bestaan uit eerst drie maanden onbetaald werk en daarna kans op slechts een halfjaar 24 uur per week betaald werk vaak tegen het minimumloon. Die kans op een tijdelijk minibaantje geeft de werkzoekende echter maar één zekerheid: Hij zal zes tot negen maanden aan het werk zijn en kosten maken, zonder in staat te zijn ook maar iets aan rekeningen af te betalen.

In het laatste deel van het zwartboek wordt ingegaan op het neoliberale arbeidsmarkt beleid. Daarbij is alles gericht op de individuele aanpak, waarbij het gaat om disciplinering; de werkloze moet worden bijgeschaafd en onder druk gezet om te voldoen aan de eisen van de werkgevers omtrent inzetbaarheid, loonhoogte en arbeidsvoorwaarden die vaak slecht zijn. Creatie van werkgelegenheid middels het scheppen van banen is er nauwelijks. 

Piet van der Lende

U kunt het zwartboek hier downloaden

]]>

zaterdag 3 april 2021

Recht, ruil of gift. Opvattingen van bijstandsgerechtigden over sociale zekerheid

Uit enquetes blijkt dat de meerderheid van de bevolking in Nederland voorstander is van een rechtvaardige sociale zekerheid en goede arbeidsvoorwaarden voor de werkenden. Wel moet misbruik streng worden bestraft. Wie niet naar betaald werk zoekt terwijl ie wel kan werken, of fraude pleegt, moet hard worden aangepakt. Voor de arbeidsongeschikten moet een rechtvaardig sociaal vangnet zijn. Wat uit de enquetes ook naar voren komt is een groot wantrouwen tegenover de overheid. Niet alleen de toeslagenaffaire, maar sowieso het optreden van de overheid bij de benadering van (uitkeringsgerechtigde) burgers is punt van kritiek. Er is veel verontwaardiging over de toenemende kloof tussen arm en rijk en het feit dat veel mensen in Nederland te weinig inkomen hebben om van rond te komen en in armoede leven. Overigens hebben de traditioneel linkse partijen, zoals Groen Links, SP en Partij van de Arbeid die bij de verkiezingen zwaar verloren, in de verkiezingsstrijd nauwelijks gebruik gemaakt van de verontwaardiging hierover. Maar in wat voor kader of frame plaatsen de mensen een rechtvaardige sociale zekerheid? Hoe denken uitkeringsgerechtigden zelf over deze materie? Kunnen we op bovenstaande opvattingen inzoemen om er meer over te weten te komen?

Melissa Sebrechts en Thomas Kampen, beiden verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek, resp. als antropologe en socioloog, hebben dat onderzocht in het artikel ‘De bijstand als recht, ruil of gift’. Rechtvaardigheid van de uitkering volgens bijstandsgerechtigden zelf. (1) Weliswaar gaat dit alleen over bijstandsgerechtigden, maar veel andere mensen zullen op dezelfde manier denken. De perspectieven van bijstandsgerechtigden op de (on)rechtvaardigheid van de bijstand staan niet op zichzelf, maar zijn gebaseerd op wat in de maatschappij als rechtvaardig of onrechtvaardig wordt gezien. Daarnaast hebben de veranderende bijstandsregimes waarschijnlijk invloed op de opvattingen– de bijstand is in de loop der jaren steeds strenger geworden en met name vanuit de VVD was het gehak op bijstandsgerechtigden niet van de lucht. Deze invloeden vormen het venster van waaruit bijstandsgerechtigden rechtvaardigheid beoordelen. Zo’n venster wordt frame genoemd. De onderzoekers onderscheiden drie perspectieven of frames waarbinnen bijstandsgerechtigden het hebben van een bijstandsuitkering beoordelen. De bijstand als recht, de bijstand als ruil en de bijstand als gift. Het onderstaande is voornamelijk een samenvatting.

De bijstand als recht

Het frame van de bijstand als recht kwam het minst in het onderzoek voor. In dit frame zou de bijstand een onvoorwaardelijke uitkering moeten zijn voor iedereen die (tijdelijk) niet in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien. Bij het rechtenperspectief ga je er als het ware van uit dat ieder mens recht heeft op een waardig bestaan en dat dit recht door de overheid moet worden gewaarborgd. In dit perspectief zijn er bezwaren tegen een verplichte tegenprestatie voor de uitkering. Dat ondergraaft het recht op een uitkering. In dit frame heerst veel verontwaardiging over de tegenprestatie. Aanhangers van dit frame beschouwen gedwongen onbetaald werk als uitbuiting. Bijstandsgerechtigden moeten aantonen dat ze de uitkering nodig hebben, maar (teveel) controle op de naleving van verplichtingen is overbodig en contraproductief. In dit perspectief wordt de nadruk gelegd op de falende reïntegratietrajecten, die uitkeringsgerechtigden demotiveren, nutteloos zijn en waarbij alleen maar baantjes voor improductieve arbeidsbemiddelaars worden gecreeerd. We zagen al dat er in dit frame veel verontwaardiging heerst over de verplichte tegenprestatie. De onderzoekers halen een Amerikaanse socioloog aan, Arlie Hochschild, die een samenhang zag tussen frames en gevoelens. Referentiekaders of frames bepalen vaak welke gevoelens de betrokkene zichzelf en anderen toestaat. Vaak worden in referentiekaders historische, morele of pragmatische argumenten gebruikt die dan weer emoties oproepen. Zoals jaloezie, schaamte of boosheid. Ook in het rechtenperspectief wordt vaak een historische vergelijking gemaakt met hoe de bijstand vroeger was. Ruimer, en met minder plichten. In dit kader past de verontwaardiging over de afbraak van de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat. De onderzoekers vinden het opvallend dat vaak relatief hoog opgeleide, witte mannen van 45 jaar of ouder zonder veel psychische of lichamelijke problemen de bijstand als recht beschouwen.

De bijstand als ruil

Het ruil-perspectief of -frame wordt gekenmerkt door het uitgangspunt dat er bij het verstrekken van bijstand een evenwicht moet zijn tussen geven en ontvangen. Dit was in het onderzoek verreweg het meest gehanteerde perspectief. In dit perspectief is het rechtvaardig, dat je iets terugdoet voor je uitkering (ruil van geven en nemen) in de vorm van een tegenprestatie. Men vindt het in dit frame rechtvaardig dat het recht op bijstand onderdeel is van een sociaal contract met duidelijke plichten. Het belangrijkste in dit perspectief is wederkerigheid. Maar in het ruilperspectief moet er wel sprake zijn van een evenwicht tussen rechten en plichten. De verplichte tegenprestatie is daarom niet per definitie rechtvaardig. Op basis van het principe van wederkerigheid moet je er iets mee opschieten, zoals het opdoen van een werkritme, sociale contacten of een kans om sociale vaardigheden te ontwikkelen. Bijstandsgerechtigden die vinden dat ze meer terugdoen dan zij ontvangen worden kwaad. In dit frame vergelijken de bijstandsgerechtigden zich met anderen. Wanneer ze bijvoorbeeld streng gecontroleerd worden op fraude, vinden de mensen dat ze strenger worden behandeld dan ze verdienen en voeren ze het argument aan dat de eigenlijke grote fraudeurs niet worden aangepakt. Dit leidt tot jaloezie en wrok jegens andere bijstandsgerechtigden. Hoewel de onderzoekers het zelf niet zo noemen, zou je kunnen zeggen dat het dominante ruilperspectief past in het neoliberale gedachtegoed. Je moet streven naar voor wat hoort wat, in marktsituaties, maar ook in het dagelijks leven. Je moet voornamelijk vanuit je eigen belang redeneren. Kritiek is er niet zozeer op het stelsel van rechten en plichten als zodanig, maar op de uitvoering ervan, waarin een disbalans kan optreden tussen rechten en plichten op basis van wederkerigheid.

De bijstand als gift

Het derde perspectief is minder dominant dan het ruilperspectief maar komt toch vaker voor dan het rechtenperspectief. In dit frame is de bijstand niet een recht, maar moet je je gevoelens van dankbaarheid tonen dat je bijstand krijgt. De mensen die bijstand beschouwen als gift zijn gespeend van kritiek. Om niet ondankbaar te lijken, oefenen ze geen kritiek uit. Ze vinden het niet gepast om te klagen of eisen te stellen aan de bijstand. Ze hanteren een pragmatisch referentiekader, dat wil zeggen ze vergelijken de Nederlandse bijstand met de situatie in andere landen en vinden dat wij beter af zijn. Bij het giftenperspectief is het ontvangen van bijstand niet vanzelfsprekend, en dat betekent een gevoel van afhankelijkheid van de gever, dat schaamte in de hand werkt. Bijstandsgerechtigden die redeneren vanuit het giftenperspectief schamen zich vaak dat ze een uitkering hebben. De verplichte tegenprestatie is niet een kwestie van ruilen, zoals in het ruilperspectief, maar een uiting van behulpzaamheid. Toch kunnen mensen in het giftenperspectief zich onrechtvaardig behandeld voelen. Ze willen zelf graag behulpzaam zijn, en als de klantmanager dan druk op hen uitoefent om iets te doen, vinden ze dat onrechtvaardig. Het valt op dat het vaak alleenstaande moeders met een verleden vol problemen zijn die de bijstand als een gift beschouwen. De bijstand schonk hen financiele onafhankelijkheid van hun voormalige echtgenoten. Maar tegelijkertijd is er het gevoel van een nieuwe afhankelijkheid, nl van de staat. Hoewel de mensen in het giftenperspectief dankbaar zijn, zouden ze toch liever hun eigen geld verdienen, onafhankelijk zijn.

Oordelen

Hoe oordelen bijstandsgerechtigden nu vanuit de verschillende frames over de andere bijstandsgerechtigden?

In het rechtenperspectief zijn andere bijstandsgerechtigden vooral onwetend. Het zijn mensen die laaggeletterd zijn, ze spreken de taal vaak niet goed of hebben problemen zoals schulden, chronische ziekte of een verslaving. Daardoor komen ze niet goed vanuit een rechtenperspectief voor zichzelf op. Overigens worden bijstandsgerechtigden in dit perspectief met vertrouwen en zorgzaamheid benaderd. In het ruilperspectief moet er een evenwicht zijn tussen rechten en plichten. In dit frame worden bijstandsgerechtigden al gauw als profiteurs gezien, die de kantjes eraf lopen en te weinig terugdoen voor hun uitkering. Zij moeten hard aangepakt worden. Vaak zijn het migranten die als profiteurs worden neergezet. Degenen die de bijstand als gift beschouwen, zijn kritisch over bijstandsgerechtigden die kritiek hebben. In dit frame beschouwd men dit als ondankbaarheid. Ondankbaarheid is bijvoorbeeld het aanspraak maken op extra voorzieningen. De bijstand is al een geschenk en dan vraag je daar niet nog eens toeslagen bovenop. Mensen die de bijstand als gift zien zijn dankbaar en verwachten dat ook van anderen.

Onderzoek

In het onderzoek waren ongeveer driekwart van de respondenten voorstander van het ruil- of giftenframe. De onderzoekers vergelijken hun bevindingen met een vergelijkbaar onderzoek eind jaren tachtig van de vorige eeuw (2). In dat onderzoek concludeerde men, dat het rechtenperspectief het meest werd gehanteerd. De huidige onderzoekers constateren, dat dat onderzoek verricht werd op een kantelpunt: daarna is het gehak op bijstandsgerechtigden en werklozen begonnen en werd de bijstand steeds strenger. Zij constateren, dat de hervorming van de verzorgingsstaat diep heeft ingegrepen in de ideeen over rechtvaardigheid van bijstandsgerechtigden. Ik voeg eraan toe dat 30 jaar propaganda voor het neoliberalisme zijn uitwerking op de opvattingen van bijstandsgerechtigden niet heeft gemist, hoe zij de bijstand zien en hoe zij andere bijstandsgerechtigden zien. Voor een uitgebreide behandeling van de 3 frames verwijs ik naar het artikel. Voor ons, als belangenbehartigers, is dit onderzoek van belang omdat het aanwijzingen geeft over hoe wij argumenten moeten aanvoeren waarin het rechtenperspectief centraal staat. Benadrukken dat de bijstand een verworvenheid is waarop recht bestaat en benadrukken van anti-racisme campagnes. Maar ook geeft het onderzoek aanwijzingen hoe het ruilperspectief en het giftenperspectief effectief met argumenten kan worden weerlegd.

Piet van der Lende

(1) Melissa Sebrechts en Thomas Kampen. De bijstand als recht, ruil of gift. Rechtvaardigheid van de uitkering volgens bijstandsgerechtigden zelf. In: Streng maar onrechtvaardig. De bijstand gewogen. Uitgeverij van Gennep. Thomas Kampen, Melissa Sebrechts, Trudie Knijn, Evelien Tonkens (red). Artikel op blz 177 tm blz 197.

(2) H. Kroft, G Engbersen, K. Schuijt, J.S. Timmer, S. Hoegen, H. Muller- 1989. Een tijd zonder werk. Een onderzoek naar de leefwereld van langdurig werklozen. Leiden/Antwerpen. Stenfert Kroese.

]]>

dinsdag 30 maart 2021

De basisbaan is capitulatie voor onrechtvaardige verhoudingen op de arbeidsmarkt

Solidariteit – Commentaar 430 – 28 maart 2021

De basisbaan

Piet van der Lende

In de onderhandelingen over een nieuw kabinet wordt nagedacht over de zogenaamde basisbaan voor werklozen. De Partij van de Arbeid zette het in haar verkiezingsprogramma en wil honderdduizend basisbanen in de publieke sector. Zo’n baan is volgens de PvdA een volwaardige met een fatsoenlijk salaris, waarmee mensen die ongewild langs de kant staan aan de slag kunnen. Als wijkhulp, beveiliger of speeltuinmedewerker. Maar in de diverse varianten die de ronde doen, gaat het toch meestal om vrij slechte arbeidsvoorwaarden: geen bijstand meer, maar een baan bij de gemeente tegen minimumloon.

Begin dit jaar adviseerden twee instanties het kabinet om naar de basisbaan te kijken. Als werk psychologisch en sociaal zo belangrijk is, kunnen we mensen niet ‘afschepen’ met een uitkering staat in een rapport van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid.

Verplichtingen

Ook de commissie Borstlap nam de basisbaan op in haar advies. Ze deed dat in opdracht van het kabinetsonderzoek naar de toekomst van de arbeidsmarkt. Basisbanen zijn een variant op de oude Melkertbanen, maar dan zonder doorstroming naar regulier werk als doelstelling.
De moeilijkheid om de nadelen van de basisbaan te benoemen, is dat voorstellen over elkaar heen duikelen en politieke partijen verschillende uitgangspunten hebben en wetenschappers proefballonnetjes oplaten met een wisselende inhoud. Hier enkele nadelen van de basisbanen.

Allereerst is zo’n baan een capitulatie voor de onrechtvaardigheden op de arbeidsmarkt onder kapitalistische verhoudingen. Politieke partijen en wetenschappers richten zich op volledige werkgelegenheid en pleiten voor ‘recht op werk voor iedereen’. Is dat niet mogelijk met een reguliere baan, dan met een basisbaan, noodzakelijk om te kunnen ontplooien.
Aan dit recht op werk zitten echter ook verplichtingen verbonden. In de praktijk bepaalt de ‘klantmanager’, al of niet in overleg met de betrokkene, welk werk geschikt is. De ervaring leert dat in de praktijk niets terechtkomt van uitgangspunten als zelf voorstellen mogen inbrengen, meewerken is een vrije keuze, redelijk overleg moet plaatsvinden. De klantmanager staat onder druk van bovenaf met ’te halen targets’ en zet de werkzoekende vervolgens op haar/zijn beurt onder druk.
Er is geen vrijwillige keuze. De verplichting is om iedere gangbare arbeid te aanvaarden. Het begrip ‘passende arbeid’ is afgeschaft. Daar hoor je niemand over. De deur staat dus bij gemeentelijk beleid wagenwijd open naar gedwongen arbeid – dus op straffe van kortingen of zelfs uitsluiting van de uitkering om de dwang om een voorgestelde basisbaan te aanvaarden.

Geen beleidsinstrumentarium

De gemeenten die nu experimenteren met basisbanen beschikken niet over het beleidsinstrumentarium om de arbeidsmarkt te hervormen en ongelijkheden te bestrijden. In de praktijk kan dat averechts uitwerken. Mensen worden vaak niet geholpen, maar dieper het moeras in geduwd met onbeantwoorde vragen als:

  • is volledige werkgelegenheid mogelijk, terwijl er geen economisch beleid wordt gevoerd om de markt te beïnvloeden en regulier werk te scheppen door bijvoorbeeld een industriepolitiek die de privatisering van publieke diensten terugdraait?
  • is arbeidsbemiddeling, waarbij slechts maatregelen worden genomen om de werkzoekende bij te schaven en te disciplineren, meer dan via het marktmechanisme de vraag naar arbeid af te stemmen op het aanbod?

Zo niet, dan is volledige werkgelegenheid een illusie en is de basisbaan een onderschikking aan de markt. De gemeentelijke initiatieven om basisbanen, buurtbanen of uitstroombanen te creëren passen in de huidige onrechtvaardige situatie, rustend op een neoliberaal regeringsbeleid.

Mislukking

In de bestaande verhoudingen is het beleid mislukt om arbeidsongeschikten aan een reguliere baan te helpen. De streefcijfers die in het sociaal akkoord tussen vakbonden, werkgevers en overheid zijn afgesproken, worden lang niet gehaald. Nu wordt de basisbaan van stal gehaald om mensen toch perspectief te bieden. In het licht van de chronische massawerkloosheid kunnen werkgevers die vrijwel autonoom zijn in hun selectie- en personeelsbeleid, te kust en te keur kiezen voor de mensen die ze willen aannemen. En dat zijn degenen met de hoogste arbeidsproductiviteit. Discriminatie op de arbeidsmarkt van verschillende groepen tiert welig en maatregelen ertegen zijn volstrekt onvoldoende. Bovendien gaan werkgevers, concurrerend, in hun aannemings- en beoordelingsbeleid uit van zeer subjectieve, aanvechtbare criteria.

In sommige voorstellen geldt de basisbaan als aanvullend werk, assisteren bij regulier werk, dat geen bestaande betaalde arbeid mag verdringen en soms als vrijwilligerswerk gedaan wordt. Op zich is er niets tegen een baan als bijvoorbeeld speeltuinmedewerker, maar zeker onder slechte arbeidsvoorwaarden is de basisbaan een doekje voor het bloeden. Ondanks alle mooie woorden over zinvol werk, is het in de huidige situatie zwichten voor de arbeidsmarkt, omdat:
1) mensen met een beperkte arbeidsongeschiktheid niet aan het werk komen en uitgesloten zijn van uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid, zodat ze gedumpt worden in de onleefbare bijstand,
2) met name jongeren aangewezen zijn op het flexibele segment van de markt met onderbetaalde baantjes, waaraan geen bestaanszekerheid te ontlenen is,
3) ‘bevoorrechten’ werken in een vast contract met een redelijk salaris, terwijl hun banen voor de twee andere groepen nauwelijks toegankelijk zijn – onderzoek leert dat wie aangewezen is op flexibele onderbetaalde arbeid, daar dikwijls niet uitkomt.

Recht op werk

De monomane ambitie van ‘recht op werk’, volledige werkgelegenheid en werk voor iedereen klinkt op het eerste gezicht als een mooie slogan. Maar komen er maatregelen die niet voorbijgaan aan de onrechtvaardige verhoudingen tussen arm en rijk? Een tweedeling in de samenleving tussen bevoorrechten en mensen die met bestaansonzekerheid moeten leven die het kapitalisme produceert. De slogans gaan volledig voorbij aan het feit dat de bijstand het afvoerputje is geworden voor de gaten in de verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid, zodat in de bijstand duizenden zitten die geen betaald werk kunnen verrichten.
Politieke partijen houden hardnekkig de ogen gesloten. In plaats van aanvaarden dat nu eenmaal een bepaald percentage van de bevolking niet kan werken en daarvoor een goede sociale zekerheid ontwerpen, worden duizenden arbeidsongeschikten in de bijstand gezet. Telkens weer staan mensen onder druk door hen onnodig op te roepen voor gesprekken om aan het werk te gaan. Velen hebben daarvan de psychische gevolgen ondervonden. Slapeloze nachten, pillen slikken om overeind te blijven, angst het laatste vangnet te verliezen en zonder geld te komen zitten.
Deze uitzichtloosheid wordt versterkt door het feit dat in verschillende voorstellen de basisbanen tijdelijk zijn en gericht op uitstroom. Uitstroom onder de huidige arbeidsmarktverhoudingen en werkloosheid? De gecombineerde doelstelling van arbeidsbemiddeling en zinvolle arbeid in een tijdelijke baan zal bij velen de psychische problemen als gevolg van onzekerheid versterken. De twee wringen totaal. Dit staat in schril contrast met de mooie bestuurderswoorden over ‘mensen helpen zich te ontplooien en perspectief te bieden via een werkgarantie’.

Alles hangt af van de uitwerking van de basisbaan: welk beleid onder welke voorwaarden. Er is alleen wat voor te zeggen, als het gebeurt in het kader van een rechtvaardig arbeidsmarktbeleid dat de genoemde driedeling tegengaat, als de deelname aan de basisbaan vrijwillig is, als een redelijk salaris betaald wordt met een regulier arbeidscontract en als bestaand vrijwilligerswerk omgezet kan worden in een basisbaan. Verder moet worden erkend dat vele arbeidsongeschikten in de bijstand niet kunnen werken. Voor hen moet een rechtvaardige sociale zekerheid worden ontworpen.
Maar waarom dan een basisbaan genoemd en niet gewoon een baan?

Dit is nummer 430 van Solidariteitcommentaar. We brengen veertiendaags een e-mail uit met brandend commentaar op actuele ontwikkelingen. Het commentaar verschijnt eveneens op onze webstek www.solidariteit.nl. De versie op de webstek is opgemaakt en eenvoudig te printen.
Vrienden en bekenden zijn welkom en kunnen zich gratis abonneren op ons elektronisch commentaar: www.solidariteit.nl/webzine.html.
of mail ons via redactie@solidariteit.nl.

]]>

donderdag 18 maart 2021

De verkiezingsoverwinning van D’66 en de VVD. Naar een ‘linksige’ politiek in kapitalistische verhoudingen?

De Nederlandse kiezers stemmen steeds meer op rechtse partijen terwijl de verkiezingsprogramma’s de linksige kant op lijken te gaan. Althans wat betreft sociale zekerheid, hoogte van de lonen, uitgaven van de overheid voor o.a. gezondheidszorg en onderwijs, etc. Zeg maar het programma van D’66. Een belangrijk punt is hierbij de manier waarop de overheid haar burgers behandelt. De toeslagen affaire heeft op deze discussie een grote invloed. Het lijkt erop, dat veel kiezers o.a. zijn overgelopen van Groen Links naar D’66. Terwijl dit toch een heel andere partij is, die veel meer het marktdenken centraal stelt in haar beleid. Bovendien hebben de traditionele linkse partijen, SP, Groen Links en PvdA in totaal flink verloren. Kritiek op het marktdenken is ‘out’ terwijl dit in mijn ogen in veel gevallen toch de fundamentele oorzaak is van de problemen in de samenleving.

paradox

Hoe de paradox van linksig beleid door rechtse partijen te verklaren? Politieke partijen, zoeken altijd naar een standpunt wat hen de meeste kiezers oplevert. Daarom eerst maar eens mijn mening over de standpunten van de meerderheid van de bevolking. Het is bekend, dat de overgrote meerderheid van de bevolking voor een progressief sociaal zekerheidsstelsel is, en rechtvaardige lonen en arbeidsvoorwaarden. Men wil ook een goed gezondheidszorg, onderwijs en een streng milieubeleid. De linksige programma’s van de rechtse liberale politieke partijen lijken hierop aan te sluiten. In feite is het standpunt van de meerderheid, dat er hervormingen moeten plaatsvinden onder en binnen kapitalistische verhoudingen. De uitwassen van het kapitalisme moeten worden bestreden (Zie de voortdurende onthullingen in de pers ) en er moet een rechtvaardiger herverdeling van de rijkdom plaatsvinden. Dit wordt gecombineerd met het standpunt, dat de verbeteringen vooral ten goede moeten komen aan de ‘eigen’ bevolking, dus een streng tot zeer streng migratiebeleid, gepaard gaande met een tamelijk eenzijdige integratie van migranten in de Nederlandse samenleving, zodat het alleen aan de eigen bevolking ten goede komt. Politieke partijen sluiten op deze standpunten aan. De meeste mensen willen geen fundamentele hervormingen, en zien niet, dat bedrijven onder kapitalistische concurrentieverhoudingen streven naar grote winsten, die de goede doelstellingen belemmeren. Men focust op structureel overleg met de kapitalisten in het poldermodel, om via overleg en druk uitoefenen middels beperkte acties hen tot beleidswijzigingen te brengen. Daarom stemmen de mensen D’66, die de afgelopen periode deel uitmaakten van de regering en medeverantwoordelijk waren voor veel dingen die fout gingen. Daarbij wordt ook door de traditionele linkse politieke partijen breed de strategie gevolgd, evenals door sommige sociale bewegingen zoals de milieubeweging, dat eerst wel op zich radicale eisen worden gesteld, die in overleggen en onderhandelingen op tafel worden gelegd en waar dan compromissen uitrollen waar de kapitalisten mee kunnen leven. Voor een structurele hervorming van het kapitalisme is geen meerderheid te vinden. Je kunt ook stellen, dat dit discussiepunt in de verkiezingen nauwelijks een rol speelde.

Weinig invloed

De fundamentele kritiek op het kapitalisme van radicaal links heeft betrekkelijk weinig invloed. De kritiek is vaak op een hoog niveau, in wetenschappelijke of semi-wetenschappelijke moeilijk leesbare artikelen neergelegd, en er lijkt een kleine intellectuele elite te bestaan die de informatie in dit opzicht uitwisselt, moeilijk toegankelijk voor lager opgeleiden. Zij richten zich voor hun informatie op de oppervlakkiger massa-media, die zich richten op de bevolkingsgroepen die minder goed geletterd zijn en die geen belangstelling tonen voor de doorwrochte kritieken op het kapitalisme in het algemeen en het neoliberalisme in het bijzonder. Structurele kritiek op het neoliberalisme met zijn doorgeschoten marktdenken is er wel, maar de meeste mensen zien het marktdenken niet echt als een probleem, en aanvaarden de markteconomie als een noodzakelijke voorwaarde voor de productie van welvaart en welzijn. 30 jaar neoliberalisme met zijn voortdurende propaganda hebben een fundamentele marktkritiek er bij de bevolking uit geramd.

Piet van der Lende

]]>

woensdag 23 december 2020

Gaan we kapituleren voor de tweedeling op de arbeidsmarkt?

De gemeente Amsterdam neemt een reeks van maatregelen om de werkloosheid te bestrijden. De cohortaanpak, de werkbrigade, straks buurtbanen, een nieuwe bijverdienregeling met een premie van 200 euro per maand, creatie van werkgelegenheid op basis van het coalitieakkoord ‘samen sterker uit de crisis’ en nog meer maatregelen. Zoals op basis van subsidies van het Rijk in verband met de coronacrisis een Regionaal Werk Centrum (RWC) waar men tracht mensen van werk naar werk te begeleiden. Op het eerste gezicht lijken al deze maatregelen positief, en lijken ze werkzoekenden te helpen weer aan het werk te komen als ze werkloos worden of hun baan dreigen te verliezen. Maar wat zal ook de uitwerking zijn van de maatregelen?

gevolgen

Eerst iets over de gevolgen van de coronacrisis. Uit een nadere analyse van die gevolgen concludeerden wij, dat een grote verarming van de Amsterdamse bevolking is opgetreden maar dat er geen reguliere voorzieningen bestonden om dat op te vangen. Sociale zekerheid bestaat voor veel mensen met een flexibel baantje en ZZP-ers niet. De bijstand als laatste vangnet functioneert alleen in noodsituaties. De WW is een uitgeklede voorziening waarvoor je maar beperkt in aanmerking komt. Zie https://bijstandsbond.blogspot.com/2020/10/verarming-van-de-amsterdamse-bevolking.html

Amsterdam heeft een beroepsbevolking van 469.000 in 2019. Van die beroepsbevolking heeft minstens 60.000 en misschien wel veel meer met een inkomensachteruitgang te maken gehad als gevolg van verlies van werk tijdens de coronacrisis. In de regio Groot Amsterdam was het aantal toekenningen van de NOW subsidieregeling voor bedrijven iets minder dan 10.000. Gemiddeld hebben de bedrijven te maken met 46% omzet verlies en gemiddeld werken er in die bedrijven 24 werknemers. Dat betekent, dat in de regio Groot Amsterdam voor bedrijven met 240.000 werknemers de NOW 2.0 regeling is aangevraagd. 240.000 werknemers in Amsterdam werken dus in bedrijven, die door de coronacrisis in moeilijkheden zijn gekomen en die door de loonkostensubsidies overeind worden gehouden. Dat is meer dan de helft van de beroepsbevolking! Op wat langere termijn, als ook de NOW regelingen aflopen, zullen niet alleen de flexibele krachten maar ook de mensen met een vaste aanstelling ontslagen worden. We zien daar nu al een stijging in. De werkelijke ramp moet nog komen. Bij het uitbreken van de coronacrisis zaten er al 40.000 huishoudens in de bijstand en waren er 30.000 WW-ers.

Helpt arbeidsbemiddeling?

De regering en de gemeente Amsterdam nemen om werkloosheid te voorkomen of op te heffen een reeks van arbeidsbemiddelingsmaatregelen. Begeleiden van werk naar werk, jobcoaches, cohortaanpak, werkcentra, loopbaanadviseurs. Het is geen actieve creatie van werkgelegenheid, maar het zijn maatregelen om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen. Lees: werkzoekenden bij te schaven om te voldoen aan de eisen van de werkgevers. De creatie van banen door het coalitieakkoord van de gemeente is beperkt in het licht van de grote aantallen slachtoffers van de coronacrisis. In feite is er sprake van een individuele benadering van de werklozen en mensen die hun werk dreigen te verliezen. Deze methode om het aanbod van arbeidskrachten af te stemmen op het aanbod van banen is onvoldoende om recht te doen aan de grote aantallen mensen die in moeilijkheden dreigen te komen. De individuele benadering kost wel veel geld, maar is beperkt in reikwijdte en effectiviteit. Bovendien krijgen duizenden geen hulp omdat ze buiten beeld blijven bij de gemeente en bemiddelingsorganisaties. De 20.000 mensen die in aanmerking kwamen voor de TOZO 1 regeling, maar niet voor TOZO 2 omdat ze een werkende partner hebben, worden die ook geholpen? En de vele flexibele arbeidskrachten die niet in aanmerking komen voor WW of bijstand?

Tweedeling

Er is een tweedeling op de arbeidsmarkt die steeds sterker wordt. Aan de ene kant de toenemende markt voor flexibele baantjes en laagbetaald onzeker werk, waarop velen aangewezen zijn en blijven. Aan de andere kant de vaste banen van de meer bevoorrechte werknemers met een goed salaris. Het is steeds moeilijker vanuit het laagbetaalde segment in het betere te komen. De regering doet weinig tegen deze ontwikkeling. De inzet van de gemeente is begeleiden van werk naar werk en mensen stimuleren cq onder druk zetten middels o.a. de cohortaanpak.

Door het ontbreken van regeringsbeleid om flexibilisering en onderbetaling tegen te gaan versterken de maatregelen van de gemeente denken wij de tweedeling op de arbeidsmarkt en treedt er een verdere verslechtering op van arbeidsvoorwaarden. De aanpak van de gemeente vindt plaats terwijl het neoliberale regeringsbeleid voortwoekert. Door de toenemende concurrentie op de arbeidsmarkt gepaard gaande met een toenemende massawerkloosheid moeten de mensen concurreren om de schaarse banen en het contingent dat moet concurreren wordt door de gemeentelijke maatregelen alleen maar groter gemaakt.

Zoals gezegd, de werkgevers kunnen in deze omstandigheden de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden naar beneden bijstellen. Zo worden stewardessen begeleid tot call-center medewerker. Of grondpersoneel in de handhaving en andere functies tot de functie van pakketbezorger voor de pakketjes van de platformeconomie. Met andere woorden: van een redelijk vaste aanstelling met geschoold werk naar het andere segment van de arbeidsmarkt van de flexibele baantjes.

Wij hebben de indruk dat de met de sociale dienst samenwerkende bemiddelingsorganisaties alleen werk in de aanbieding hebben in het flexibele segment. Dit biedt voor velen die slachtoffer zijn geworden van de coronacrisis geen perspectief op de wat langere termijn. Veel mensen die werk hadden zijn allerlei verplichtingen aangegaan die geld kosten. Bijvoorbeeld een koophuis of een huis met een zeer hoge huur. De verarming zonder vangnet zal betekenen, dat velen in de schulden komen.

Velen worden onder druk gezet om op verschillende manieren in te stromen in het flexibele segment van de arbeidsmarkt. Niet alleen zullen mensen door financiele verplichtingen die ze in het verleden zijn aangegaan in moeilijkheden komen. Maar ook door bijvoorbeeld de cohortaanpak waarbij ook mensen die al jaren in de bijstand zitten en afgekeurd zijn opgeroepen worden en waarbij vaak zonder de dossiers te lezen getracht wordt hen te koppelen aan een jobcoach. Dit zal bij veel mensen extra psychische problemen veroorzaken en mensen krijgen slapeloze nachten en onnodige stress.

Wat moet er gebeuren

De basisuitgangspunten van de overheid zijn nu neoliberaal, dwz een vrije markt economie met concurrentie, waarbij specifieke efficiency modellen die alleen focussen op directe financiele voordelen op korte termijn bepalend zijn. Daarbij worden wat in feite publieke taken zijn geprivatiseerd en onderworpen aan de concurrentie-economie. Ook op de arbeidsmarkt wordt een ieder beschouwd als individuele ondernemer, die door voortdurende bijscholing en het op peil houden van de waarde van zijn arbeidskracht en concurrerend met alles en iedereen hopt van de ene flexibele baan naar de andere. Dit alles gaat gepaard met een chronische massa-werkloosheid.

Dit ondergraaft de solidariteit in een samenleving van allen tegen allen. Het is niet eenvoudig in enkele bewoordingen te schetsen wat er moet gebeuren. Solidariteit en samenwerken moeten weer de focus worden van de economie. Veel privatiseringen moeten worden teruggedraaid, en werkenden en uitkeringsgerechtigden hebben recht op een redelijk vast inkomen en een rechtvaardig vangnet van de sociale zekerheid zodat zij zich kunnen ontplooien en niet zoals nu vele duizenden op een houtje moeten bijten en niet weten hoe ze financieel het hoofd boven water moeten houden. Een hervorming van de arbeidsmarkt is noodzakelijk, met het doel flex-arbeid terug te dringen en meer mensen bestaanszekerheid te laten kunnen ontlenen aan het werk wat ze doen.

Daarnaast moet het vangnet tegen werkloosheid, arbeidsongeschiktheid worden hersteld, bijvoorbeeld door een volksverzekering tegen werkloosheid en arbeidsongeschiktheid in te voeren. De Participatiewet is nu het afvoerputje van mensen die door de gaten van de sociale zekerheid vallen. Er zitten veel mensen in die in feite (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn en die in die regeling niet thuishoren. Bovendien hebben onderzoekingen aangetoond, dat druk uitoefenen op werklozen om aan het werk te gaan hun kansen op betaald werk niet vergroot en ineffectief is door het wantrouwen dat tegen de instanties ontwikkeld wordt.

Zeker op korte termijn is de volledige werkgelegenheid die Asscher van de PvdA en anderen willen een illusie. De basisbanen die Asscher wil zijn een kapitulatie voor de onrechtvaardige verhoudingen van kansarmen en kansrijken in het kapitalisme, omdat de arbeidsmarkt slechts beperkt wordt hervormd. Waarom geen gewone banen met een redelijk salaris? Overigens is het onwaarschijnlijk, dat de roep om basisbanen uit het kamp van de linkse politieke partijen volledig wordt gerealiseerd. Die partijen zullen hooguit kunnen regeren met de VVD, die bij de verkiezingen in maart veruit de grootste wordt.

De beweging voor 14 euro

Voor een ander type samenleving waarin solidariteit, rechtvaardigheid en sociale zekerheid voorop staan is een brede sociale beweging nodig, die druk kan uitoefenen op de politiek in Den Haag om een ander beleid te gaan voeren. Alleen via het parlementaire spel van de (linkse) politieke partijen komen we er niet. De beweging voor een minimumloon van 14 euro is een brede beweging van onderop, die strijdt voor een concreet doel, maar daarbij de bredere emancipatie van verschillende achtergestelde groepen in de samenleving voor ogen heeft. De beweging voor 14 euro minimumloon kan een beginpunt zijn naar een ander type samenleving waarin niet toenemende rijkdom van weinigen (individuen en bedrijven) staat tegenover de verarming van grote delen van de bevolking.

Een brede beweging betekent ook, dat samengewerkt kan worden met lokale besturen in gemeenten, om veranderingen te bewerkstelligen. De lobby van de 14 euro beweging om gemeenten zich te laten uitspreken voor een minimumloon van 14 euro past in dat streven. Op termijn, als zo’n sociale beweging ontstaat, ontstaat ook ruimte voor een streven naar een rechtvaardig basisinkomen waarbij werk en arbeidsethos een andere inhoud krijgen. Nu is dat streven nog teveel afhankelijk van lobbywerk en risicovol omdat men de invoering te veel overlaat aan rechtse politieke partijen en neoliberalen die een gedeeltelijk basisinkomen willen koppelen aan een nog rigoureuzer markteconomie, bijvoorbeeld door afschaffing van het wettelijk minimumloon.

De strijd tegen de tweedeling op de arbeidsmarkt tussen kansrijken en kansarmen en voor redelijke arbeidsvoorwaarden in een sterke sociale beweging in coalitie met uitkeringsgerechtigden die een hoger inkomen eisen, moet in eerste instantie voorop staan anders dreigt het basisinkomen net als de basisbanen een kapitulatie te worden voor de onrechtvaardigheden die het kapitalisme produceert.

Piet van der Lende

]]>

zondag 6 december 2020

Recensie van het boek van Eric Hochstenbach 'Gelukkig leef ik nog'

Solidariteit – Commentaar 422 – 6 december 2020
”Gelukkig ik leef nog”
Piet van der Lende

Eric Hochstenbach is een 67 jarige man die zijn leven heeft beschreven in een biografie onder de titel Gelukkig ik leef nog. Hij heeft zijn bestaan als lichamelijk gehandicapte vastgelegd in een persoonlijke beschrijving die een goed beeld geeft van de problemen die je dan tegenkomt. Discriminatie, eenzaamheid, onbegrip en uitsluiting vanuit de maatschappij heeft hij heel zijn leven meegemaakt. Eric noemt dat het ijzeren gordijn waardoor hij constant het gevoel heeft in een gevangenis te leven.

Hij heeft onder andere spraakproblemen en evenwichtsstoornissen, en in de loop van zijn leven is hij daarom veel door andere mensen uitgelachen. Pas onlangs werd een adequate diagnose gesteld en vertelde een revalidatiearts hem dat zijn beperkingen bij de DCD ‘familie’ voor volwassenen behoorden (Development Coordination Disorder). Een zeldzame ziekte.

Tegenslagen
Eric vertelt in verschillende verhalen dat mensen al snel veronderstellen dat iemand die lichamelijke beperkingen kent, ook geestelijk wel niet helemaal volwaardig zal zijn; hij werd navenant behandeld. Een frappant voorbeeld zijn de pogingen een HAVO avondstudie te volgen. De directeur zei dat Eric zijn MAVO diploma om toegang te krijgen, had vervalst. Hij kon de opleiding niet volgen. De directeur veronderstelde dat hij vanwege zijn handicaps verminderd intellectuele vermogens had.

Eric beschrijft verder de problematische relatie met zijn autoritaire vader en hoe hij door andere kinderen werd uitgesloten van deelname aan het voetballen. Zijn vader accepteerde zijn beperkingen niet en werd steeds kwaad of kleineerde hem. Met zijn moeder had hij een goede relatie. Eric zat gedurende zijn eerste jeugd op speciale scholen, een Mytylschool in Hengelo en het Psychologisch Instituut in Amsterdam. Hij kwam daardoor min of meer los te staan van de kinderen die in de buurt van zijn ouders woonden, hij kende niemand van hen. Eric voelde zich daardoor soms eenzaam en trok zich terug, iets waar hij zijn hele leven mee geworsteld heeft, ook in de relaties met vriendinnen. Het boek laat een, ondanks alle dips tot aan zelfmoordneigingen toe, een positief ingestelde man zien die beschrijft hoe hij moeilijkheden overwon en bij tijd en wijle ook van het leven kon genieten. Regelmatig begon hij aan nieuwe opleidingen, cursussen en therapieën en aan nieuwe contacten. Maar sommige van die initiatieven mislukten en raakte hij teleurgesteld.

Gespecialiseerde instituten
Het Psychologisch Instituut adviseerde dat hij naar een school voor individueel technisch onderwijs moest (ITO), lager beroepsonderwijs dus. Een volkomen verkeerd advies. Eric is a technisch. Hij deed eindexamen in de vakken praktisch taalgebruik, sociaal rekenen en kennis van ons land.

Eric ging dan ook voor een vervolgopleiding naar een school voor Lager Economisch en Administratie Onderwijs (LEAO). De eerste keer zakte hij voor het eindexamen, maar in mei 1973 slaagde hij. Door de mislukte schoolkeuze ging veel tijd verloren en op de LEAO waren de kinderen een jaar of drie jonger dan Eric. Hij volgde in deze periode ook dansles, en sommige andere jongens dreven dan de spot met zijn manier van bewegen. En dat stak mij best wel.

Het eerste werk
Na de LEAO ging Eric naar de Economische en Administratieve Beroepscategorie (ECABO) met wekelijks twee dagen les en drie dagen stage. Na kort gewerkt te hebben op een sociale werkplaats en een stageplaats in een ander bedrijf, kwam Eric dankzij relaties van zijn moeder terecht bij PTT Telecommunicatie. Hier verrichtte hij administratief werk. Eric werd lid van de Abvakabo. Hij schreef brieven naar de vakbond over dat niemand naar hem luisterde en hij alleen maar dingen moest doen die anderen hem voorschreven – vaak eenvoudige werkzaamheden beneden zijn niveau. Maar steeds volgde een nietszeggend antwoord. Eric stelde dat ook aan de orde bij zijn chef die in het bestuur van de vakbond zat en lid was van de ondernemingsraad. Er kwam een nietszeggende reactie. Daarop stapte Eric naar iemand anders van de ondernemingsraad die beloofde het aan de orde te stellen. Maar na een paar weken zei hij: ik mag er niets over zeggen van de voorzitter. En die voorzitter was de chef van Eric. Dat waren zijn ervaringen met de vakbond.

Eric heeft verschillende auto’s gehad en daarmee is hij naar vele landen op vakantie gegaan. Later, toen hij geen auto meer had, ging hij onder andere naar Nicaragua met een vriendin en naar Amerika. Hij vertelt op een eerlijke manier van zijn worsteling met de handicaps en de reacties daarop, zonder zich voor te doen als een heilig boontje. Hij volgt de avond MAVO en schrijft over zijn gokverslaving om de problemen die tot een grote schuldenproblematiek leidde te vergeten. Maar ook hoe hij er met hulp van onder meer de Kredietbank, die hem gedurende drie jaar op vijftig euro in de week zet, erin slaagt daar weer uit te komen. Hij vertelt over zijn relaties met vriendinnen en zijn zoektocht daar een weg in te vinden en over de huizen en buurten waar hij heeft gewoond.

Discriminatie
Hij noemt verschillende voorvallen waaruit blijkt dat hij werd gediscrimineerd. Bij een politiecontrole van automobilisten op het gebruik van alcohol moest hij een blaastest afleggen en daaruit bleek dat hij niet gedronken had. Maar de agenten geloofden het niet vanwege zijn spraakproblemen en hij moest mee naar het bureau. Daar wilden ze hem in de cel gooien, tenzij hij een hoge boete betaalde. Dat deed hij, maar toch moest hij naar het ziekenhuis een bloedtest laten afnemen. Na verloop van tijd kwam het hoofd van de politie met een bos bloemen zijn verontschuldigingen aanbieden.

Later kwam Eric tot de ontdekking dat er nog een rechtszaak over was geweest, maar de correspondentie daarover verliep via zijn ouders die hem niet ingelicht hadden. Steeds werd hij door zijn vader die zijn post openmaakte toen hij nog thuis woonde, en door de rest van zijn familie, zoals zijn broer, behalve zijn moeder, buitengesloten. Samenvattend komt het erop neer dat de mensen zeiden: Je begrijpt er toch niks van. Je maakt maar brokken met je onhandige gedoe, het is niet goed dat jij wordt ingelicht, want dat is niet goed voor je geestesgesteldheid. Dat gebeurde ook bij de ziekte en het overlijden van zijn moeder en de regeling van de erfenis.

Ontslag
Eind november 1988 moest iedere werknemer van de PTT een nieuwe arbeidsovereenkomst afsluiten. De PTT werd opgesplitst in een post- en een telecomgedeelte, de KPN. Eric hoorde in de wandelgangen dat personeel met een aangeboren afwijking en een aangepaste functieomschrijving moest vertrekken. Goed- of kwaadschiks. En inderdaad, hij kreeg geen nieuw contract en vocht dat aan met hulp van een advocaat. Maar verloor. Eric had, betoogde uiteindelijk de advocaat van de tegenpartij, een aangepaste functieomschrijving. En mensen met zo’n omschrijving vielen niet onder de collectieve afspraken. Zijn lidmaatschap van de Abvakabo had hij inmiddels opgezegd.
Eric kreeg een uitkering en daarmee begon zijn gang in de re-integratie industrie. Hij beschrijft de schandelijke behandeling op het arbeidsbureau, over de diverse gesubsidieerde banen en hoe hij daar niet serieus genomen werd. Steeds moest hij eenvoudige schoonmaak- of archiefwerkzaamheden doen en als hij om verbetering vroeg, werd dit afgewezen. Hij diende klachten in bij diverse instanties, maar dat leverde niets op. Hij hoorde vaak niets meer na zijn verhaal dat hij onder andere deed bij de toenmalige FNV-voorzitter De Waal die niet reageerde en zoals later bleek hem vergeten was.

Telkens werd over Eric een negatief oordeel geveld, terwijl hij niets verkeerds had gedaan. Zo begon de directeur van een welzijnsstichting, waar hij een gesubsidieerde baan had, over zijn slordigheden. Eric was verbaasd, omdat de directe chef vol lof was over zijn accurate werkwijze. Maar Eric werd daar ontslagen en kwam in de bijstand terecht.

Eenmansacties
In een interview zegt Eric: Mijn boek gaat over, zoals ik het omschrijf, ‘een leven vol hindernissen en nog meer discriminatie’. Pas op mijn 45ste begon ik hiertegen te ageren, daarvoor vond ik het normaal, ik kende niets anders. In mijn boek noem ik dat telkens een eenmansactie door het hele land. Wat ik ermee wil bereiken? Aandacht en vooral meer waardering: begrip en respect voor mij en mijn lotgenoten. Niet alleen theoretisch maar ook praktisch.
Eric beschrijft hoe hij vanaf 2014 een soort eenmansguerrilla in de publiciteit en bij acties begon. Hij schreef brieven en e-mails naar de media om aandacht te vragen voor de positie van gehandicapten, waarop hij meestal geen antwoord kreeg. Maar toch waren er later enkele televisieoptredens en volgde interviews voor verschillende kranten. Hij greep bepaalde themadagen aan om in straten en op pleinen waar veel mensen waren door het hele land toespraken te houden, waarin hij de positie van gehandicapten in de samenleving op basis van eigen ervaringen aan de orde stelde. Zo sprak hij verschillende malen op de Internationale dag van de Gehandicapten op 3 december en bij 1 mei bijeenkomsten zoals in 2017 op het Museumplein, waar podia voor sprekers door de FNV waren ingericht. Hij trok naar Leeuwarden, Hengelo, Deventer en met de verkiezingen in 2017 naar Den Haag.
Aan het eind van zijn boek vertelt Eric dat de vele problemen leidden tot schuldgevoelens en zelfverwijten dat hij in relaties en bij bepaalde gebeurtenissen niet adequaat gereageerd zou hebben. Wat heb ik geleerd in al die jaren dat ik leef? Nou, dat is niet altijd hoopvol. Als ik iets wil of iets wil bereiken, dan moet ik dat oneindig vaak bewijzen net zo lang tot ik een fout maak. En dat is dan voor andere mensen het bewijs dat ik ongeschikt was.

Het boek van Eric is een lange aanklacht tegen functionarissen in hogere functies van bedrijven, vakbonden, overheidsinstellingen, politieke partijen en media die blijk geven van hun onmacht om te gaan met de problemen van mensen in het algemeen en arbeidsongeschikten in het bijzonder. Al snel veronderstellen die functionarissen dat het wel aan jezelf zal liggen, dat degene die iets aan de orde stelt fouten gemaakt heeft en lastig is. Dan maar doodzwijgen of nietszeggende antwoorden geven, is een veel voorkomend fenomeen.

Het boek is in eigen beheer uitgegeven. Te bestellen via: hochstenbach_eric@hotmail.com, exclusief portokosten: 17,50 euro.

]]>

dinsdag 6 oktober 2020

Verarming van de Amsterdamse bevolking door de coronacrisis

Veel flexwerkers die in Amsterdam hun werk verloren tijdens de coronacrisis komen niet in aanmerking voor bijstand omdat ze vaak niet voldoen aan de toetredingsvoorwaarden. Voorspelling: de toename van het aantal bijstandsgerechtigden in Amsterdam zal voorlopig beperkt blijven. Er treedt door de coronacrisis wel een aanzienlijke verarming van de Amsterdamse bevolking op zonder dat daar reguliere sociale voorzieningen tegenover staan om de klap enigszins op te vangen. Dit zal leiden tot een schuldenexplosie. En de werkelijke ramp van de werkloosheid moet nog komen. 

Onlangs publiceerde MUG Magazine opvallend nieuws op hun website. Het aantal bijstandsgerechtigden is de laatste weken in Amsterdam aan het dalen! In de periode maart tot en met mei was er een stijging van het aantal aanvragen, daarna trad er een stabilisatie op en nu dus een daling. De toename van het aantal bijstandsgerechtigden over het hele jaar gemeten blijft tot nu toe beperkt: Nu zijn er 40.000 op 1 januari waren dat er bijna 39.000. 

Hoeveel mensen verloren hun werk tijdens de coronacrisis?

Eerst iets over de aantallen mensen die hun werk in Amsterdam verloren tijdens de coronacrisis. Het kabinet riep de zogenaamde TOZO regeling in het leven, als overbrugging voor ZZP-ers die hun werk geheel of gedeeltelijk verloren. Deze regeling kende geen partnertoets en geen vermogenstoets. 40.000 mensen hebben in Amsterdam een beroep gedaan op die regeling. Zij zijn hun werk dus geheel of gedeeltelijk kwijtgeraakt. 10% van de  aanvragen werd afgewezen vanwege een te hoog inkomen. Met andere woorden: er is naast die 40.000 nog een categorie, die zijn inkomen wel aanzienlijk zag dalen door minder werk maar toch nog boven de bijstandsnorm is gebleven. Hoeveel dat er zijn is onbekend. Maar 10% afwijzingen betekent toch 4000. Daarnaast zijn er natuurlijk mensen, die geen aanvraag hebben gedaan omdat ze wel weten toch niet aan de inkomensnorm te voldoen. Verder zijn er nog de mensen, die in Amsterdam werkten en dat werk zijn kwijtgeraakt maar die in een andere gemeente wonen en daar de TOZO hebben aangevraagd. (Je moet de TOZO aanvragen in de gemeente waar je woont). Hoeveel dat er zijn is ook onbekend. 

Dan het aantal WW-uitkeringen. In juli 2020 zaten bijna 30.000 inwoners van groot Amsterdam in de WW. Dat is een toename van 10.000 ten opzichte van een jaar eerder. Het aantal mensen dat in die periode WW heeft gehad is echter groter, want er is instroom en uitstroom. Veel WW-ers die bij begin van de coronacrisis zijn ingestroomd zijn na drie maanden alweer uitgestroomd. Daar zijn veel studenten bij. Dan hebben we nog de Tofa regeling. Flexwerkers, oproep- en uitzendkrachten met inkomstenverlies door corona konden gedurende een beperkte periode een beroep doen op de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA). Ruim zeventig procent van de goedgekeurde aanvragen gaat naar werknemers tussen de 18 en 27 jaar. Met andere woorden: veel studenten. Ze mochten geen beroep op een andere regeling kunnen doen. Veel van hen werken via uitzendbedrijven of in de horeca. In totaal heeft UWV ruim 23.000 aanvragen voor de TOFA-regeling ontvangen. Hoeveel dat er zijn in de regio Amsterdam is onbekend, maar Amsterdam is een echte studentenstad met twee universiteiten en Hogescholen, en aangezien vooral in de regio Amsterdam landelijk gezien flexibele krachten hun werk verloren, zal een aanzienlijk deel van die 22.000 uit Amsterdam komen. Overigens kreeg maar de helft van die 23.000 daadwerkelijk een uitkering in het kader van de Tofa regeling. De andere helft voldeed niet aan de strenge voorwaarden. Dan is er nog een aanzienlijke groep studenten en flexwerkers, die niet voor enige regeling in aanmerking komt. 

Amsterdam heeft een beroepsbevolking van 469.000 in 2019. Van die beroepsbevolking heeft minstens 60.000 en misschien wel veel meer met een inkomensachteruitgang te maken gehad als gevolg van verlies van werk. Wat zal de toekomst brengen? Hiervoor kunnen we te rade gaan bij de NOW regeling. De NOW-regeling is bedoeld voor werkgevers die als gevolg van het coronavirus kampen met een substantieel omzetverlies (ten minste 20%). Zij kunnen bij het UWV een aanvraag indienen voor een tegemoetkoming in de loonkosten, en hiervoor een voorschot ontvangen. In totaal is landelijk gezien de NOW 2.0 regeling ruim 63.000 keer toegekend. De cijfers zijn gebaseerd op de stand van 4 september 2020 en hebben betrekking op de toegekende aanvragen sinds de start van de regeling op 6 juli 2020. In de regio groot Amsterdam was het aantal toekenningen iets minder dan 10.000. Gemiddeld hebben de bedrijven te maken met 46% omzet verlies en gemiddeld werken er in die bedrijven 24 werknemers. Dat betekent, dat in de regio groot Amsterdam voor bedrijven met 240.000 werknemers de NOW 2.0 regeling is aangevraagd. 240.000 werknemers in Amsterdam werken dus in bedrijven, die door de coronacrisis in moeilijkheden zijn gekomen en die door de loonkostensubsidies overeind worden gehouden. Dat is meer dan de helft van de beroepsbevolking! Op wat langere termijn, als ook de NOW regelingen aflopen, zullen niet alleen de flexibele krachten maar ook de mensen met een vaste aanstelling ontslagen worden. We zien daar nu al een stijging in. De werkelijke ramp moet nog komen. 

 Beroep op bijstand zal voorlopig beperkt zijn

Toch zal het toenemende beroep op bijstand voorlopig beperkt zijn. Studenten waarvan de WW afloopt of die in aanmerking kwamen voor de Tofa regeling komen sowieso niet in aanmerking voor bijstand omdat ze een studiebeurs hebben. (Voorliggende voorziening) Van de 40.000 die gebruik maakte van de TOZO 1 regeling zonder partnertoets en vermogenstoets bleek slechts 20.000 in aanmerking te komen voor de TOZO 2 regeling met partnertoets. Met andere woorden: die andere 20.000 hebben een verdienende partner of in ieder geval een partner met inkomen en komen ook niet in aanmerking voor bijstand. Ook de mensen met een terugloop van inkomen tot even boven de bijstandsnorm komen niet in aanmerking voor bijstand. De grens is voor een alleenstaande 70% van het minimumloon. Hoewel in de WW veel mensen zijn ingestroomd is er ook alweer een categorie uitgestroomd. Dit heeft nauwelijks geleid tot een grotere instroom in de bijstand. Ik vermoed dat veel WW-ers ook niet voldoen aan de toetredingsvoorwaarden van de bijstand, bijvoorbeeld omdat ze student zijn, een verdienende partner hebben of slechts gedeeltelijk werkloos zijn geworden. Ook onder de gebruikers van de Tofaregeling zijn veel mensen, die niet voldoen aan de toetredingsvoorwaarden tot de bijstand. De grote categorie die in aanmerking komt voor bijstand zit onder de TOZO 2 regeling. Een deel van deze 20.000 mensen zal een vermogen (spaargeld) boven de bijstandsnorm hebben. De gemeente schat hun aantal op 5000. Dit betekent, dat 15.000 in principe voldoen aan de toetredingsvoorwaarden tot de bijstand. Maar voor hen heeft de regering de TOZO regeling verlengd tot 1 april volgend jaar, de TOZO 3 regeling. Er zal ook in de TOZO 3 regeling geen vermogenstoets geleden. Dus die mensen stromen voorlopig ook niet in in de bijstand. 

In bovenstaand staatje kun je zien hoe de instroom naar de bijstand tot nu toe is verlopen. Er is een merkwaardige piek in het aantal aanvragen in week 13 tot en met 16. Ik heb daar geen verklaring voor. De daadwerkelijke instroom in de bijstand stijgt echter ook in die periode nauwelijks. Dit zou erop kunnen wijzen, dat veel mensen aan het begin van de coronacrisis dachten voor bijstand in aanmerking te komen terwijl dit niet zo was. Ook na week 16 is de kloof tussen het aantal aanvragers van bijstand en het aantal toekenningen groter dan in de periode voor week 13. Het aantal aanvragers waarvan de bijstand wordt afgewezen is dus aanzienlijk toegenomen.

Gevolgen

Uit het bovenstaande kun je concluderen, dat een grote verarming van de Amsterdamse bevolking is opgetreden maar dat er geen reguliere voorzieningen bestonden om dat op te vangen. Sociale zekerheid bestaat voor die mensen niet. De bijstand als laatste vangnet functioneert alleen in noodsituaties. De WW is een uitgeklede voorziening waarvoor je maar beperkt in aanmerking komt. Maar veel mensen die werk hadden zijn allerlei verplichtingen aangegaan die geld kosten. Bijvoorbeeld een koophuis of een huis met een zeer hoge huur. De TOZO 1 regeling zonder partnertoets en vermogenstoets is afgebouwd. De verarming zonder vangnet zal betekenen, dat velen in de schulden komen. De alarmerende cijfers over de NOW 2.0 regeling laten echter zien dat de grote ramp pas echt komt als de loonkostensubsidies worden afgebouwd. Hoe het dan met de instroom in de bijstand zal gaan valt niet te voorspellen. 

Piet van der Lende 

]]>

dinsdag 1 september 2020

Fantoomgroei

Onlangs verscheen het boek ‘Fantoomgroei’ met als ondertitel ‘waarom we steeds harder werken voor steeds minder’. Het boek is geschreven door Sander Heijne en Hendrik Noten. Er is een begeleidende discussiesite. Het boek kreeg de nodige publiciteit, hoewel er naar mijn mening niet echt iets nieuws in staat en het boek is dan ook vooral een samenvatting van de kritiek op ons huidige doorgeschoten economisch systeem die al door andere historici en economen geformuleerd is. En het biedt een oplossingsrichting in de vorm van oprichting van coöperaties om de economie te veranderen met concrete initiatieven die ook al door anderen naar voren zijn gebracht. Maar als samenvatting biedt het een mooi overzicht.

De ondertitel geeft al aan met welke onderzoeksvraag Heijne en Noten begonnen. Want waarom maken bedrijven mega-winsten, maar zien we dat niet terug in onze portemonnee? De Nederlandse economie is de afgelopen 40 jaar met tientallen procenten gegroeid terwijl de gezinsinkomens in dezelfde periode vrijwel niet zijn gestegen. De schrijvers gaan op zoek naar het verhaal hoe dit heeft kunnen gebeuren. Eerst analyseren zij de opkomst van populistisch extreem rechts. Daarna gaan zij in op de armoede in Nederland, dat niet het egalitaire, sociaal rechtvaardige land blijkt te zijn waarop vele politici zich laten voorstaan. De schrijvers constateren, dat de economie wel sterk is gegroeid, maar dat daarmee de armoede niet als vanzelf is opgelost en zij analyseren de schuldenberg die Nederlanders op zich genomen hebben, de flexibilisering van de arbeid en contrasteren dat met de excessieve stijging van bedrijfswinsten in de hele westerse wereld. Waarbij de belastingafdrachten daalden en er bezuinigingen op de collectieve voorzieningen waren.

Dit is allemaal wel bekend, maar dan vertellen de schrijvers een idyllisch verhaal over Philips om aan te tonen dat er ook goede kapitalistische bedrijven zijn, met aandacht voor sociale aspecten, het milieu en de gemeenschap van mensen. In de tachtiger jaren telde Philips 400.000 werknemers. Philips wierf personeel in heel Nederland en ontwikkelde een conglomoraat van fabrieken waarbij alles in eigen huis werd geproduceerd. Philips investeerde een vermogen in goede maatschappelijke voorzieningen voor het personeel. Eigen woningbouwverenigingen, speciale Philips winkels waar het personeel zijn boodschappen kan doen, speelplaatsen, een bibliotheek en scholen. En dan zijn er de verschillende vrije tijdsverenigingen, waaronder PSV.

Economische crisis

Eind jaren zeventig komt de Nederlandse maak-industrie, zoals Fokker, scheepswerven, DAF in moeilijkheden. Ook Philips ontkomt niet aan de crisis. Operatie Centurion wordt afgekondigd. Het grote conglomeraat wordt opgeknipt in een waaier van zelfstandige bedrijfsonderdelen. De productie van apparatuur wordt uitbesteed aan onderaannemers. Het aantal werknemers is nu geslonken naar 37.000.

Daarna analyseren de schrijvers de nieuwe ondernemingen zoals Bol.com en hoe die werken. Het heeft flexibilisering van de arbeid tot gevolg. Wat er bij Philips gebeurde, het opknippen van grote industriële conglomeraten in ketens van onderaannemers is wat de Amerikaanse professor David Weil de creatie van een afhankelijk sterrenstelsel noemt. Die duizenden kleine onderaannemers cirkelen rond een ster, bijvoorbeeld Philips, die het product uiteindelijk aan de klant verkoopt. Zij bepalen dus hoe het geld over de leveranciers wordt verdeeld. De onderaannemers, de planeten rond de ster zijn in een hevige concurrentiestrijd verwikkeld om de gunsten van de ster en nemen zo goedkoop mogelijke flexkrachten en zzp-ers in dienst, die je in deze analogie de satellieten zou kunnen noemen.

Die verdienen nog amper geld. Uit cijfers van het CBS blijkt dat 40% van de zzp-ers in 2016 minder dan 16.000 euro per jaar verdiende. Door deze ontwikkeling is het niet (meer) zo, dat als we in een opgaande economie zitten, de hele maatschappij daarvan profiteert. Steeds meer gegenereerde waarde wordt weggezogen naar de sterren, en die hebben geen oog voor mooie sociale doelen zoals eertijds Philips. Dankzij internet ontstaan platformen van diensten leveranciers, die een monopoliepositie gaan innemen.

Daarna besteden de schrijvers aandacht aan het zogenaamde aandeelhouderskapitalisme (waarin alleen de maximale korte termijn winsten tellen) en succesvolle acties van de FNV bij de schoonmakers en Post.nl tegen de slechte arbeidsvoorwaarden. In volgende hoofdstukken wordt het Keynesianisme, de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en de opbouw van de welvaartsstaat behandeld en de reactie daarop, de opkomst van het neoliberalisme. Deze ontwikkeling is al door verschillende wetenschappers bestudeerd en beschreven.

Kansen

In het boek wordt geconstateerd dat we met de huidige economische groei en organisatie van de productie afstevenen op een ecologische en economische ramp als we niet snel een vuist maken tegen klimaatverandering. Naar analogie van het succes van de neoliberalen, die zeiden dat hun ideeën kans maakten in crisistijd, vragen de schrijvers zich af of de komende crisis kansen biedt voor een omwenteling ten goede.

Eerst wordt geanalyseerd wat economie eigenlijk is. Daarbij wordt kritiek geleverd op de theorie van de ‘onzichtbare hand’, het spel van vraag en aanbod op de markt die tot de meest efficiënte prijsvorming leidt. Daarbij is er een poging tot rehabilitatie van de beroemde Adam Smith, die de bedenker zou zijn van de onzichtbare hand, maar die in werkelijkheid tekeer ging tegen de commerciële, met de staat verbonden monopolies van zijn tijd.

Door het hele boek, in verschillende beschouwingen, loopt dat de geschiedenis een geschiedenis van ideeënstrijd is. Wij worden geconditioneerd om in bepaalde dingen te geloven en een creatieve radicale verandering is dan ver weg, ook al zien we de catastrofe op ons afkomen, maar we blijven op platgetreden paden achter elkaar aanlopen. Dit zou de reden zijn dat veranderingen zo moeilijk realiseerbaar zijn.

Het goede kapitalisme

Verwerpen de schrijvers nu het kapitalisme? Geenszins. Het huidige kapitalisme heeft geen oplossingen voor de crisis die op ons afkomt. Over hoe we de welvaart eerlijker verdelen onder de mensen die haar creëren, over hoe we de planeet leefbaar houden. Maar de schrijvers geloven niet dat het kapitalisme kapot is. Het is het kompas van het kapitalisme dat ernstig is ontregeld. Het huidige kapitalisme is gericht op ongebreidelde economische groei, de optimalisatie van private winsten en het bevorderen van ene marktsysteem dat de economische vrijheid van bedrijven voorop stelt. Het Bruto Binnenlands Product (BBP) dat de economische groei meet, is ontwikkeld tijdens de Tweede Wereldoorlog om in korte tijd zoveel mogelijk goederen (wapens) te produceren. We moeten toe naar een maatstaf voor vooruitgang in plaats van voor groei. Vervolgens wordt uitgelegd, waarom het BBP een belachelijke maatstaf is. Milieurampen kunnen in principe zorgen voor groei van het BBP. Dit is de fantoomgroei, de titel van het boek. We stapelen materiële groei op groei en dat kan zo niet doorgaan. We zullen een breder debat over welvaart en welzijn moeten eisen. Een ‘brede welvaartsmonitor’.

‘Een nieuw verhaal’

In dit laatste deel van het boek wordt aangegeven dat jonge mensen de straten van de hoofdsteden op gaan ‘in een verbeten strijd voor hun toekomst’. Chili, Hong Kong, de vele demonstraties voor een beter klimaat met als inspiratie een zestienjarige Zweedse scholiere. De gele hesjes worden genoemd, die strijden tegen de hoge brandstofprijzen.

Maar hé, die verhoging van de brandstofprijzen was door Macron toch bedoeld om klimaatverbetering te bereiken? En dan wordt de vraag gesteld: zijn die klimaatdemonstranten enerzijds en de gele hesjes anderzijds (en bij ons de boeren, voeg ik daaraan toe), niet elkaars ideologische tegenstrevers? Gaan verschillende bevolkingsgroepen de straat op TEGEN een klimaatbeleid omdat ze hun broodwinning in gevaar zien komen? Of tegen inperking van hun bewegingsvrijheid, zoals de gele hesjes? De schrijvers concluderen, dat een beleid voor een rechtvaardig klimaat alleen een kans maakt wanneer de transitie naar een duurzame samenleving gepaard gaat met de strijd voor een eerlijker verdeling van de welvaart. Dat zijn twee zijdes van dezelfde medaille. Als voorbeeld van het streven daarnaar wordt de Amerikaanse vakbondsman Mazzocchi naar voren gehaald.

Een nieuwe Green Deal

Dan zeggen de schrijvers dat er voor die sociaal rechtvaardige transitie een nieuwe Green Deal nodig is. Wat nodig is, zijn werkende gemeenschappen zoals coöperaties die een leidende rol kunnen spelen in de groene transities. Door concrete projecten en inzet op lokale acties buiten het systeem om, kunnen veranderingen worden afgedwongen.

Daarna worden ‘pioniers van het nieuwe verhaal’ naar voren gebracht. De Deense eilandbewoners van Samsö bijvoorbeeld. Daar werden agrarische en investeerders-coöperaties opgericht die in feite een collectief eigenaarschap betekenden van o.a. windturbines, die op het eiland werden geplaatst. In 1997 draaide de economie van Samsö nog volledig op fossiele brandstoffen, maar in 2000 dekte lokale windenergie al de gehele elektriciteitsconsumptie van de inwoners.

In Jackson, Mississippi, verwezenlijkt een werknemerscoöperatie een radicale visie op een rechtvaardige transitie. Maar, zeggen de schrijvers, het was geen socialistisch initiatief. Het was ondernemen pur sang maar met andere waarden dan in de gangbare economie. De coöperatie is begonnen met de opzet van collectief beheerde stadsboerderijen om eigen voedsel te produceren, men heeft een café geopend en er is een cateringsbedrijf gestart,en ook is men begonnen met het opkopen van stukken land om een eco village van duurzame huizen te bouwen voor inwoners met een laag inkomen. Men streeft naar een parallelle economie naast de ‘grote’ economie: het doel is om deze huizen weg te houden van de markt. Men werkt binnen het parallelle systeem ook aan een eigen bank- en kredietsysteem zodat men niet langer afhankelijk is van de grote financiële instituties. Door economische zelfstandigheid voor de gemeenschap te creëren in een parallel systeem vergroten de leden van die gemeenschap hun politieke macht om ook in het grote systeem in de samenleving als geheel hervormingen af te dwingen. Wie niet langer bang is om zijn of haar inkomen te verliezen en honger te moeten leiden, durft eerder de straat op te gaan om zijn of haar rechten op te eisen.

Coöperaties

Coöperaties hebben de toekomst. Die zouden ook commercieel een succes zijn, omdat over het algemeen de arbeidsproductiviteit er hoger ligt dan in traditionele kapitalistische ondernemingen. Het is wanneer de overheid een beetje meewerkt aan een gunstig ondernemersklimaat voor coöperaties, een potentieel instrument om de economie van binnen uit te veranderen. Daarna worden de vele coöperaties in Italië behandeld. Alternatief voor de platform monopolies zoals taxibedrijf Über zijn de platformco-ops. Zo is Green Taxi een coöperatie bestaande uit een groep taxichauffeurs in Denver, Colorado. Het platform dat eigenlijk net zo werkt als Über, is in handen van de chauffeurs zelf. Zij hebben zich ingekocht en zijn werknemer en mede-eigenaar tegelijkertijd. De chauffeurs krijgen een normaal salaris betaald. Er zijn in de wereld vele van dergelijke taxi coöperaties.

De schrijvers noemen de analyses van de Moor niet.

Tine de Moor is van huis uit een historica die de opkomst en ondergang van initiatieven voor zelfbeheer en zelfregulering door burgers heeft bestudeerd. Ze noemt dat “instituties voor collectieve actie”. Daarbij blijken er drie grote golven geweest te zijn in de West-Europese geschiedenis waarin mensen zelf het heft in handen namen, los van de staat en gedeeltelijk tegen het marktdenken in, waarbij ze groepsgewijs de productie van goederen en diensten en de regulering van de lokale samenleving vorm gaven. Die golfbewegingen waren in de middeleeuwen de gilden, en met de opkomst van het kapitalisme in Nederland in de tweede helft van de 19e eeuw de opkomst van de coöperatieve gedachte. We zien nu een nieuwe golf van burgerinitiatieven, zoals energie coöperaties, en de Transition Towns.

Arbeiderskapitalisme

De schrijvers pleiten in het laatste deel van het boek voor een soort arbeiderskapitalisme. Werknemers zouden naast de aandeelhouders een plaats moeten krijgen in de bedrijfsstructuren, en aandelen zouden ook moeten worden uitgegeven aan medewerkers, zodat zij als collectief mede-eigenaar worden van het bedrijf. Op deze wijze moet vorm gegeven worden aan het zogenaamde ‘stakeholder value’, waarbij bedrijven waarde creëren voor de gehele gemeenschap waarin ze actief zijn, zoals eertijds Philips, in plaats van alleen financiële waarde voor de aandeelhouders. De schrijvers zeggen: ‘Een pleidooi voor meer gemeenschapszin en solidariteit is allerminst een pleidooi tegen ondernemerschap. Integendeel. Juist nu hebben we behoefte aan visionaire ondernemers, die samen met het personeel bouwen aan een betere samenleving’. Het is geen exclusief links verhaal, alle politieke stromingen zouden zich hierin moeten kunnen vinden. In de beste traditie van de Nederlandse polder.

De studie is tot stand gekomen met een ‘ruimhartige’ subsidie van vakbond FNV. De subsidie werd verstrekt nog voor de schrijvers een letter op papier hadden gezet en er kleefden aan die subsidieverstrekking geen voorwaarden voor de inhoud van het werk.

Kritiek

In mijn ogen kleven aan het kapitalisme als zodanig systeemfouten, waar de schrijvers aan voorbij gaan, die een oplossing op langere termijn door middel van de ontwikkeling van een parallelle economie met coöperaties onmogelijk maken.

Wat betekent de ondergang van Philips als sociale onderneming eigenlijk? Ze moest mee in de ratrace om te overleven. In wezen is het kapitalisme een chaotisch tegenstrijdig systeem. Individuele ondernemers beslissen op basis van concurrentie over de aanwending van de productiemiddelen en ze hoeven daarvoor in principe aan niemand verantwoording af te leggen behalve aan de aandeelhouders, die hoge rendementen eisen. Het is de vraag of dit verandert als werknemers ook aandelen krijgen, kleine kapitalistjes worden en medezeggenschap krijgen in op de kapitalistische markt opererende ondernemingen.

De concurrentieverhoudingen in een kapitalistisch systeem dwingen hen tot aanpassing aan de markt. Die markt kent ups en downs. De golfbewegingen in de economie komen voort uit het feit, dat de beslissingen over de productie in afzonderlijke bedrijven worden genomen. In een periode van opgang wil iedere ondernemer zoveel mogelijk van de opgang profiteren en een zo groot mogelijk marktaandeel veroveren. Dat leidt tot overproductie. Daardoor blijft een deel van de bedrijven met onverkochte voorraden zitten. Saneringen, faillissementen en massaontslag zijn het gevolg, die vervolgens de economische crisis -als de overheid niet ingrijpt- versterken. In het dal van de economische crisis blijven alleen sterke bedrijven met veel kapitaal over, en een nieuwe periode van opgang begint. Bedrijven gaan over de kop of moeten gedwongen goedkoper produceren, of het nu coöperaties zijn of niet. Er zijn korte en lange golven, maar het zou te ver voeren daarop in te gaan.

Monopolievorming

Bovendien vindt in het kapitalisme altijd monopolievorming plaats, concentratie van de productie in steeds kapitaal-intensievere grote bedrijven. Kleinere bedrijven leggen het in de concurrentie af tegen grotere, waardoor het kapitaal zich in handen van steeds minder kapitalisten concentreert. Bovenop de economie waar goederen en diensten worden geproduceerd in bedrijven, ontwikkelen zich de structuren van het financierskapitaal die via hun eigendomsrechten van de ondernemingen en door het verlenen van kredieten een groot deel van wat in de reële economie verdiend wordt in hun zak steken. Zij zijn verzekerd van hoge rendementen terwijl de producerende bedrijven in het sterrenstelsel moeten werken met smalle winstmarges of zelfs verlies, onder de felle concurrentieverhoudingen. Door speculatie en het grote geld dat belegd wordt in onroerend goed, stijgen de prijzen daarvan enorm. Winkeliers moeten in wat drukkere winkelstraten extreem hoge huren ophoesten. Die omstandigheid maakt het bedrijven onmogelijk in de productie rekening te houden met de mooie doelstellingen die Sander Heijne en Hendrik Noten formuleren. Zij moeten streven naar een extreme kostenbeheersing met voorbijzien aan mooie doelstellingen, om de huren te kunnen opbrengen. En bedrijven zoals Philips redden het alleen als ze meegaan in de ratrace.

Hoe in te grijpen?

De schrijvers van het boek ontwijken de vraag, in welke mate rechtstreeks in die financierings systemen kan worden ingegrepen en vooral: wie dat dan gaat doen. Maar Sander en Hendrik willen als alternatief in dit systeem een brede welvaartsmonitor introduceren.

Ik zie het niet voor me. De doelstellingen van de brede welvaartsmonitor kunnen alleen worden bereikt, als we ons met ons allen afvragen of grote delen van de productie -met de vele mislukkingen in het achterhoofd- niet in gemeenschapshanden moet worden gebracht en hoe dat er dan organisatorisch uitziet. De schrijvers ontwijken die vraag.

Inzetten op de oprichting van coöperaties en ‘sociale’ ondernemingen met mooie doelstellingen is daarvoor niet voldoende. Zij zullen om te overleven in de ratrace hun mooie doelstellingen vaak moeten bijstellen in negatieve zin. De protesterende boeren met hun coöperaties zijn daarvan een voorbeeld.

Hoewel er ook de nodige boeren-miljonairs zijn, hebben de meesten enorme schulden op lange termijn op zich genomen, die alleen kunnen worden afbetaald bij nog grootschaliger, efficiëntere productie, met voorbijzien aan het milieu. De boeren zitten klem tussen de doelstellingen van wat de schrijvers de brede welvaartsmonitor noemen en de wetmatigheden van het kapitalisme als systeem. Grote multinationals zetten in op deze ontwikkeling, om de rendementen van het financierkapitaal op peil te houden en de winsten van de banken en de grote monopolies veilig te stellen. Grote coöperaties in de landbouw zoals de RABO bank hebben zich ontwikkeld tot puur kapitalistische ondernemingen, die het rendement voorop stellen. De multinational Friesland Campina – een coöperatieve onderneming – is daarvan ook een voorbeeld.

FrieslandCampina is het op vier na grootste zuivelbedrijf ter wereld, de grootste coöperatie van Europa en het grootste landbouwbedrijf van Nederland. In het Financieel Dagblad van donderdag 23 juli 2020 zetten woordvoerders van het concern hun plannen voor de komende tien jaar uiteen. En wat er volgens hen de komende tien jaar gaat gebeuren.

FrieslandCampina voorspelt dat het aantal melkveebedrijven de komende tien jaar fors zal dalen, van 15.000 tot 10.000 bedrijven. Tevens zal het aantal melkkoeien met 10% dalen. Maar… het concern verwacht dat de melkproductie op peil blijft! Het kleinere aantal nog grootschaliger werkende boeren zal nog veel intensiever gaan werken dan nu het geval is. Er komt dus een nog intensiever grondgebruik, terwijl de melkproductie van de koe, die in Nederland nu al het hoogste van Europa is, nog zal toenemen. De koeien die nu al kort leven en nauwelijks nog op hun poten kunnen staan door de uiers die extreem grote proporties hebben aangenomen, en die in leven moeten worden gehouden met extra krachtvoer dat eiwitrijk is, gras is niet voldoende.

Wordt die uitbuiting nog erger? Nee, zegt FrieslandCampina. Die intensievere landbouw en hogere melkproductie is wel te combineren met een lagere milieudruk. Dit wil men bereiken door de inzet van technologische innovatie en duurzame energiebronnen.

Het tienjarenplan van FrieslandCampina gaat lijnrecht in tegen het streven van de Europese Green Deal van Timmermans, en het beleid van landbouwminister Schouten. De Nederlandse landbouw moet op een andere manier compleet op de schop. Het systeem van steeds grotere bedrijven die steeds meer produceren voor steeds minder geld, werkt niet meer. Er moet juist minder geproduceerd worden voor meer geld. Nederland is de tweede exporteur van landbouwproducten ter wereld. Op zo’n kleine oppervlakte. Wij importeren op grote schaal veevoer en kunstmest, en mergelen de grond in feite uit om die hoge productie te halen. Ons stikstofprobleem komt voornamelijk door de gigantische veestapel. Maar FrieslandCampina streeft er met haar tienjarenplan naar om extreem goedkope melk op de markt te brengen om te concurreren op de wereldmarkt en zo de grootste zuivelproducent ter wereld te worden. ‘Een liter melk produceren kost in Nederland 35 cent, in China 50 cent’ zegt een woordvoerder van FrieslandCampina trots.

Weinig invloed

Naast deze kapitalistische ontwikkeling concrete initiatieven nemen om anders te produceren zoals de schrijvers van Ffantoomgroei willen, zal op de totale maatschappij van weinig invloed zijn. Bijvoorbeeld de omslag naar een duurzame landbouw is zo onmogelijk. Er staan velen klaar om die duurzame landbouw vorm te geven. Met aandacht voor het milieu, kleinschalige productie, etc. Maar het komt niet van de grond door gebrek aan land en kapitaal. De grondprijzen in Nederland zijn tot exorbitante hoogten gestegen en onbetaalbaar voor die initiatieven. En de producten van de grootschalige boeren die werken met voorbijgaan aan het milieu zijn altijd goedkoper.

In het model dat Friesland Campina voor ogen staat leggen biologische bedrijven in de concurrentiestrijd uiteindelijk het loodje of moeten zich beperken tot een niche in de markt. Onlangs werd bekend, dat er teleurstellende cijfers zijn over de omzet van biologische producten het afgelopen jaar. In de supermarkten werd afgelopen jaar voor iets meer dan 40 miljard euro verkocht, maar biologische producten als melk, kaas, vlees en groenten hadden daarin maar een aandeel van 3,21 procent. Nauwelijks hoger dan de 3,19 procent in 2018. De biologische sector wil de btw van 9 procent op biologische producten afschaffen om de vraag bij consumenten te stimuleren, en een grote reclamecampagne lanceren over de betekenis en waarden van biologische landbouw. Maar zal door biologische producten iets goedkoper te maken voor de markt en in te zetten op de ideeënstrijd die de schrijvers van Fantoomgroei ook voor ogen staat, de productie zich aanzienlijk uitbreiden? Ik denk van niet. Uiteindelijk leg je het op de markt af tegen de modellen van FrieslandCampina.

Conclusie

Zoals al eerder opgemerkt: de schrijvers concluderen dat een beleid voor een rechtvaardig klimaat en een beter milieu alleen kans maakt wanneer de transitie naar een duurzame samenleving gepaard gaat met de strijd voor een eerlijker verdeling van de welvaart. Dat zijn twee zijdes van dezelfde medaille.

We moeten erop focussen dat het grootste deel van de bevolking er niet qua inkomen op achteruit gaat of zelfs een inkomensverbetering krijgt. En we moeten alternatieve werkgelegenheid creëren voor arbeiders die werkzaam zijn in milieuvervuilende sectoren. Anders zullen delen van de bevolking zich hevig gaan verzetten tegen een duurzame transitie. De boeren zijn daarvan een voorbode. Maar is dat voldoende?

Waar de schrijvers aan voorbijgaan is een analyse van de fundamentele wetmatigheden van het kapitalisme. Een discussie daarover en een analyse daarvan is eveneens noodzakelijk, verbonden met een discussie over het antwoord op de vraag, in hoeverre we goederen en diensten in gemeenschapshanden brengen en hoe dat er organisatorisch uitziet. In hoeverre moeten we de kapitalistische markt inperken? Dus een discussie over een hernieuwd socialisme. Anders heb je geen criteria in handen in eventuele onderhandelingen met andere partijen.

Nog eens: de abstracte, mooie doelstellingen zoals milieuvriendelijk produceren, gemeenschapszin, sociale rechtvaardigheid en solidariteit die de schrijvers formuleren, die doelstellingen onderschrijven ook de liberalen en alle grote bedrijven. Maar in relatie tot de concrete maatregelen die moeten worden genomen, moet je vanuit een analyse van het kapitalisme criteria ontwikkelen ten aanzien van wat wel en niet werkt.

Ook zal op basis van die criteria een sociale strijd-perspectief ontwikkeld moeten worden om concrete maatregelen die werken erdoor te krijgen. Ik denk in tegenstelling tot de schrijvers van Ffantoomgroei dat polderen en proberen de christendemocraten en liberalen aan je kant te krijgen of zelfs grote ondernemers, middels een ideeënstrijd hier niet helpt. Zij zijn mordicus tegen inperking van de marktwerking met alle nadelen van dien die hiervoor werden geschetst.

Piet van der Lende

]]>

zaterdag 16 mei 2020

Koppeling tussen minimumloon en uitkeringen essentieel voor campagne #samenvoor14

Enige tijd geleden is de campagne #samenvoor14 begonnen, waarbij het doel is dat het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen worden verhoogd naar 14 euro per uur. Nu zijn er nog veel minimumloners die 10 euro per uur of minder verdienen. De campagne kreeg veel steun en was in ontwikkeling, waarbij in diverse steden initiatieven werden genomen voor allerlei acties. Maar door de coronacrisis is veel stil komen te liggen. Toch zijn er ook wel acties doorgegaan, zoals stoepkrijtacties met leuzen voor verhoging van het minimumloon tot 14 euro. Een ander initiatief is de publicatie van een boek, getiteld “Denkend aan 14 euro”, over het minimumloon en de lagelonen-industrie.
In het boek onder redactie van Saskia Boumans, die werkt bij de FNV, leggen verschillende wetenschappers en belangenbehartigers uit waarom verhoging van het wettelijk minimumloon noodzakelijk is. Ervaringsdeskundigen die moeten rondkomen van een (flexibel) minimum leggen in soms schrijnende verhalen uit waarom ze niet of bijna niet kunnen rondkomen. Daar zijn overigens geen uitkeringsgerechtigden bij die moeten leven van de bijstand of AOW. Uit het boek wordt duidelijk dat qua koopkracht het minimumloon in Nederland laag is in vergelijking met andere Europese landen, te laag om fatsoenlijk van te kunnen leven. Datzelfde geldt voor de aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen. Het minimumloon is qua koopkracht de laatste decennia achteruit gehold door bevriezen, alleen meestijgen met CAO-lonen die werden gematigd, ontkoppelen van uitkeringen, enzovoorts. Dat heeft desastreuze gevolgen gehad voor de bestaanszekerheid aan de onderkant van het loongebouw. Of je nu een relatieve armoede-definitie neemt (het aandeel in de welvaart van de minimuminkomens in verhouding tot hogere inkomens) of een absolute armoede-definitie hanteert (het inkomen dat gezien de kosten van levensonderhoud minimaal noodzakelijk is), in beide gevallen leven met name eenverdieners in meerpersoonshuishoudens vaak in extreme armoede. Daar komt de doorgeschoten flexibilisering bij waartegen de regering nauwelijks maatregelen neemt, zo wordt uit het boek duidelijk.

Geen reserves

Door de flexibilisering is het wettelijk minimumloon poreus: velen werken beneden dat niveau, zoals ZZP-ers die geen beroep kunnen doen op de rechten van werkenden in loondienst. Tijdens de lockdown in de coronacrisis bleek de rechteloosheid van velen. Ze kwamen zonder werk te zitten, hebben geen recht op sociale zekerheid en geen spaargeld, en moeten een beroep doen op bijstand. Veel ZZP-ers hebben door hun lage inkomen onvoldoende reserves kunnen opbouwen om de crisis te overleven. Hier wreekt zich ook dat het minimumloon simpelweg te laag is om dergelijke reserves te kunnen opbouwen. In Amsterdam schat men dat het aantal bijstandsgerechtigden dit jaar zal verdrievoudigen. De flexibilisering van de arbeidsmarkt eist haar tol. ZZP-ers hebben geen recht op WW, evenals mensen met nuluren-contracten. Het uitkleden van de WW betekent verder dat velen slechts drie maanden recht hebben op een WW-uitkering en daarna zijn aangewezen op een bijstandsuitkering. De regering heeft inmiddels een soort alternatieve bijstand voor ZZP-ers ingevoerd en een aparte regeling voor zelfstandigen. Nuna Zekic, universitair hoofddocent arbeidsrecht bij de Tilburg University, legt in het boek uit dat die flexibilisering van de arbeidsmarkt bewust regeringsbeleid is geweest, waar men niet echt iets tegen wil doen.
De inkomensongelijkheid is de laatste decennia zeer groot geworden, als je kijkt naar de brutolonen. Hierover wordt Monique Kremer geïnterviewd, zij is bijzonder hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam. Op zich geeft zij wel een goede analyse van de ongelijkheid in Nederland, al gaat zij even de mist in als het over werkloosheid gaat. Zij is medeschrijfster van allerlei WRR rapporten en roept vrolijk ‘De werkloosheid in Nederland is erg laag. We hebben nog nooit zoveel gewerkt’. Wel zegt ze erbij dat de werkloosheid onder mensen met een lagere opleiding vele malen hoger is dan onder de mensen met een hogere opleiding. In werkelijkheid lopen in Nederland meer dan 2 miljoen mensen tussen de 28 en 65 rond die geen betaald werk hebben. Het is al vele malen gezegd: de werkloosheidscijfers van het CBS en het CPB kloppen in die zin niet dat ze uitgaan van een veel te beperkte definitie van werkloosheid en de gevolgen van de massawerkloosheid veel te beperkte invloed geven. Toch nemen de wetenschappers als Kremer ook die cijfers als uitgangspunt.
Om de gevolgen van de toenemende ongelijkheid enigszins op te vangen is in de belastingen een heel ingewikkeld toeslagencircus ontwikkeld dat de grote inkomensverschillen enigszins compenseert, maar dat ook diverse nadelen heeft.
Robin Fransman, politicoloog die werkt bij de Argumentenfabriek legt in het boek uit wat de nadelen van al die toeslagen zijn. Meer gaan werken loont nauwelijks door de hoge marginale lastendruk, waardoor burgers voor elke verdiende euro tot 95% belasting moeten betalen. Er ontstaan problematische schulden, omdat mensen voorschotten soms weer terug moeten betalen. Uitvoering van het toeslagensysteem leidt tot hoge uitvoeringskosten en controles op burgers.
Het wettelijk minimumloon en de overigens subjectieve en willekeurige hoogte ervan op basis van de krachtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid in de zestiger jaren is tot stand gekomen in de periode van de eenverdieners: de man werkte en verdiende het huishoudinkomen, de vrouw deed de huishouding en de opvoeding van de kinderen. Maar die situatie bestaat in veel gevallen allang niet meer. We zijn toegegroeid naar de tweeverdienersmaatschappij, waarbij in een huishouden minstens één redelijk hoog inkomen binnenkomt en één aanvullend inkomen, vaak verkregen door het verrichten van laagbetaalde ongeschoolde arbeid door MBO-ers en andere middelbaar of hoger opgeleiden. Als gevolg van de massawerkloosheid concurreren de “overige verdieners” vanuit huishoudens die al van een redelijk inkomen zijn voorzien om de beschikbare banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De laaggeschoolde eenverdieners, zoals alleenstaanden of eenoudergezinnen (vooral vrouwen), hebben het nakijken. Deze situatie is begonnen in de tachtiger jaren van de vorige eeuw en uitgegroeid bij de herstructurering van de economie en het akkoord van Wassenaar in 1983. Daarbij werden oude industrietakken afgebouwd en werden industriearbeiders, die goede arbeidsvoorwaarden hadden met vaste banen, vervangen door herintredende huisvrouwen en scholieren in de nieuwe diensteneconomie.

Lekker sleutelen

Hoe op deze situatie te reageren? Er staat in het boek een eenduidig verhaal met sterke argumenten voor verhoging van het minimumloon. Maar als het gaat om de koopkracht van uitkeringsgerechtigden en de sociale zekerheid gaan de analyses alle kanten uit. De diverse wetenschappers die een bijdrage voor het boek schrijven, gaan enthousiast sleutelen aan allerlei regelingen die nu bestaan en die vaak erg ingewikkeld zijn. Moet het minimumloon wel over de hele linie omhoog? Die tweeverdieners profiteren er dan van, en die hebben het niet arm. Dus zou je een systeem moeten bedenken waarbij het minimumloon alleen voor sommigen omhoog gaat. Hoe kunnen we sleutelen aan het ingewikkelde toeslagensysteem, als het minimumloon omhoog gaat. Daarbij wordt in diverse bijdragen de koppeling tussen wettelijk minimumloon en uitkeringen ter discussie gesteld.
Zo stelt Paul de Beer, bijzonder hoogleraar Arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam: “Het is niet meer van deze tijd het minimumloon te koppelen aan het loon van een vaste voltijdbaan. Ook de koppeling van uitkeringen aan het minimumloon is achterhaald.” Wat wil De Beer dan? In de eerste plaats zouden we volgens hem moeten uitgaan, gezien de vele deeltijdbanen, van een minimumuurloon en niet van een minimumloon per week of per maand. Dit minimumloon moeten we dan koppelen aan het gemiddelde of mediane uurloon, niet aan de CAO-lonen, want door toeslagen en bonussen stijgen de uurlonen meer dan in de CAO’s is vastgelegd. En hoe moet het dan met de uitkeringen, als de koppeling wordt afgeschaft? Het niveau van het sociale minimum moet gelijk worden gesteld aan de armoedegrens. De Europese armoedegrens van zestig procent van het mediane huishoudinkomen zou een anker kunnen zijn. Dat komt neer op een netto inkomen van een alleenstaande van 1.325 euro per maand. Dat is een derde hoger dan de bijstandsuitkering van een alleenstaande nu.
Ook Robin Fransman pleit voor een ontkoppeling van minimumloon en uitkeringen. Volgens hem betekent een (forse) verhoging van het minimumloon dat de koppeling van de uitkeringen aan de lonen tijdelijk moet worden losgelaten. AOW en bijstand moeten ontkoppeld worden, totdat het minimumloon haar nieuwe hoogte heeft bereikt. Erg royaal jegens uitkeringsgerechtigden is hij bepaald niet. Hij wil de uitkeringen met een bedrag van ongeveer honderd euro per maand verhogen om zo de zorgtoeslag integraal af te schaffen.

Gevaarlijk

Dat ter discussie stellen van de koppeling bergt een groot gevaar in zich, namelijk dat in de krachtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid in de polder zowel een hoger minimumuurloon als hogere uitkeringen in een nieuw systeem sneuvelen en er slechts van een geringe inkomensverbetering sprake is. De beweging #samenvoor14 wil mensen weer perspectief bieden, waarbij de verdeeldheden en de scheidslijnen worden doorbroken en een nieuwe beweging wordt opgebouwd voor een rechtvaardige en inclusieve samenleving. In deze beweging is altijd als vanzelfsprekend aangenomen dat bij verhoging van het minimumloon de koppeling tussen uitkeringen en minimumloon gehandhaafd moet blijven. Zo konden minimumloners, werkenden, werklozen en andere uitkeringsgerechtigden, mensen uit arme buurten samen de straat op gaan voor een gemeenschappelijk doel: het uitbannen van de armoede in Nederland. Maar het ontkoppelen van minimumloon en uitkeringen en het pleiten voor andere regelingen zet de deur wijd open voor interventies in ingewikkelde discussies van rechtse wetenschappers, politici en werkgevers om via de aloude polderformule in overleg de tamelijk slechte situatie van nu te vervangen door wel een ander systeem, maar nog steeds even slecht. Wanneer bij de acties van de beweging #samenvoor14 in de polder wordt overlegd over dergelijke compromissen, dan is dat een slag voor de beweging die wantrouwen schept bij de achterban.

Tegenvoorstellen

Dat er tegenkrachten zijn die slechte voorstellen doen, blijkt ook uit het volgende. Onlangs verschenen de heroverwegingen van de ambtelijke werkgroep “Naar een inclusieve samenleving”. Deze werkgroep adviseert onder meer om fors te bezuinigen op de bijstand, tot wel 20 of 25 procent, om zodoende 2,5 miljard euro te besparen. https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2020Z07213&did=2020D15415
De tweede ontwikkeling is dat het Centraal Plan Bureau (CPB) heeft uitgerekend dat een verhoging van het wettelijk minimumloon met 10 procent best kan. Maar dan zouden de uitkeringen volgens het CPB niet aan het minimumloon gekoppeld moeten worden. Zie https://www.cpb.nl/kansrijk-arbeidsmarktbeleid-update-minimumloonbeleid
Beide standpunten, van de ambtenaren en het CPB, zijn bedoeld om een rol te spelen tijdens de verkiezingsstrijd van 2021 en tijdens de daarop volgende kabinetsformatie. In dit kader moet ook worden bedacht dat de tekorten op de staatsbegroting door de coronacrisis tot grote hoogten stijgen. Dan weet je wel wat er dreigt: verlaging van de bijstandsuitkeringen en het sociale minimum, in plaats van verhoging, zoals broodnodig is.

Sociaal-democratie

Dat we van de sociaal-democratie in dit opzicht weinig hoeven te verwachten, blijkt uit het volgende. Naast de bovenstaande interventies is het polderen al begonnen. De PvdA wil dat er één minimumuurloon wordt ingevoerd. De partij heeft daartoe op de Dag van de Arbeid een initiatiefwetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Het CPB stelde in een doorrekening van het plan dat werknemers met het laagste loon er 3 tot 11 procent op vooruit zouden kunnen gaan. Die doorrekening heb ik hierboven genoemd.
Nederland heeft als een van de weinige landen geen wettelijk minimum uurloon. Daarmee wordt dus voldaan aan een gedeelte van de voorstellen van De Beer. De PvdA wil dat het minimum uurloon wordt vastgezet op het hoogste uurtarief van de 36-urige werkweek. Als het hogere uurloon wordt ingevoerd voor alle medewerkers, dan zou iemand die 40 uur per week werkt, er 1 euro per uur op vooruit gaan. Dat is dus 40 euro per week en 160 euro per maand. Voor iemand met het laagste salaris is dat een flink bedrag, rekent de PvdA voor …
Vervolgens wijdt PvdA-Kamerlid Gijs van Dijk mooie woorden van solidariteit aan de harde werkers in de cruciale beroepen, zoals vakkenvullers, schoonmakers en magazijnmedewerkers die juist in deze tijd zo nodig zijn. Naast waardering zouden zij een hoger minimumloon moeten krijgen. Als het minimumloon omhoog gaat, stijgen ook de uitkeringen. Dat gebeurt met dit PvdA-plan van de PvdA niet. Maar dat maakt de sociaal-democraten niets uit, want daardoor is het plan acceptabel voor zowel links als rechts.
Volgens het CPB zal de invoering van het hogere uurtarief samen met een gemiddelde loonsverhoging van 3,6 procent dit jaar leiden tot een stijging van de totale loonkosten met naar schatting 140 miljoen euro. Er is geen effect op de overheidsuitgaven en het heeft nauwelijks invloed op de werkgelegenheid, aldus het CPB.
Maar het polderen gaat verder. Ook binnen de FNV gaan geluiden op voor ontkoppeling en beperkte verhoging van het minimumuurloon. Dat geluid horen we steeds vaker. Door de druk van de nieuwe FNV- campagnes zien we vanuit de bazen ook dat ze steeds meer open staan voor een verhoging van het minimumloon. Maar dan niet naar 14 euro. Ze willen het minimumloon iets verhogen, en tegelijk willen ze ook dat arbeiders minder inkomstenbelasting gaan betalen. Zo gaan werkenden er flink op vooruit, maar uitkeringsgerechtigden slechts een beetje. Het FNV-bestuur dat volop aan het polderen is, gaat erg deze kant op uit.

Inzet

De inzet vanuit de campagne #samenvoor14 is dat de koppeling moet blijven. De FNV-sector Uitkeringsgerechtigden staat hier volledig achter. De FNV in algemene zin ook, hoewel daar dus soms wel discussie over ontstaat. We hebben één kans, namelijk de beweging versterken en tegenmacht opbouwen, zodat ze maar moeilijk om ons heen kunnen.

Piet van der Lende

]]>