pagina's

dinsdag 25 juni 2013

Draagvlak sociale zekerheid

‘Dit plan werkt alleen maar armoede en schulden in de hand’ Mensen komen in de ellende. Schulden lopen op, huisuitzettingen zijn niet te vermijden en ouders kunnen hun kinderen niet meer te eten geven. Dat scenario ligt volgens een meerderheid van de deelnemers aan de Stelling van de Dag op de loer als mensen niet direct recht hebben op een bijstandsuitkering op het moment dat ze hun inkomen of WW-uitkering verliezen. Staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken) wil dat mensen pas recht hebben op een bijstandsuitkering als ze eerst vier weken naar werk hebben gezocht. U noemt het ‘schandalig’ dat het kabinet zo te werk gaat. Mensen die al voor een laag loon hebben gewerkt, kunnen echt geen vier weken wachten. Het heet toch niet voor niets bijstand. Het is schaamteloos om de eigen bevolking zo uit te kleden. Het is een ordinaire aanslag op een recht van mensen die vaak tientallen jaren hebben gewerkt en buiten hun schuld in de WW en bijstand zijn beland. Het voorstel van Jetta Klijnsma is gebaseerd op een experiment in verschillende gemeentes. Daaruit is gebleken dat 30 tot 48 procent van de mensen zich na die wachttijd niet meer aan het bijstandsloket meldde. Bijna de helft van de stemmers verbaast zich daarover. Vooral omdat aangenomen mag worden dat de meeste van deze mensen vanuit een situatie komen dat ze WW kregen en in die periode toch vermoedelijk al druk hebben gezocht naar een nieuwe baan. Als je WW krijgt, heb je immers een sollicitatieplicht. We hebben het over een periode waarin 640.000 mensen werkloos zijn. Denkt deze staatssecretaris nu echt dat de banen voor het oprapen liggen? Ze leeft buiten de werkelijkheid. Langer wachten op je AOW, langer wachten op bijstand. Waar stopt het? zo vraagt u zich af. Bezuiniging Driekwart van de respondenten denkt dat het simpelweg om een bezuinigingsmaatregel van het kabinet gaat. Mocht het plan doorgang vinden, is 68 procent van de respondenten van mening dat een uitzondering gemaakt moet worden voor mensen boven de 50 jaar. Bijna een derde van u juicht het plan overigens toe. Het krijgen van een uitkering is in Nederland veel te vanzelfsprekend geworden. Het is goed dat de overheid niet meteen klaarstaat met geld. Het is toch gebleken dat het werkt? Doorvoeren dus. Het stimuleert de mensen om de handen uit de mouwen te steken in plaats van de hand op te houden. Een enkeling pleit zelfs voor een wachttijd van drie tot zes maanden. Je eigen broek ophouden is het beste. Pas in uiterste nood moet om een uitkering worden gevraagd. We zijn veel te verwend in Nederland. Op de vraag of u zelf een periode van vier weken zou kunnen overbruggen antwoordt de helft van niet. Zij zeggen nooit iets te hebben kunnen sparen. Vierenveertig procent zegt er altijd voor te zorgen dat ze een appeltje voor de dorst hebben. U heeft daar bovendien een advies bij: Zorg altijd dat je wat geld achter de hand hebt en leer het ook je kinderen. Dit hoort gewoon bij de opvoeding.
]]>

dinsdag 18 juni 2013

Verslag van een gesprek met drie ambtenaren van het project ‘Kansen’ van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) d.d. 19-06-2013

Piet vertelt waarom we dit gesprek belangrijk vinden. Er melden zich steeds meer mensen op het spreekuur die een oproep krijgen voor een nieuw gesprek om over ‘mogelijkheden en kansen’ te praten, terwijl die mensen vaak medisch gezien niet hoeven te solliciteren en vrijgesteld zijn van het verrichten van betaalde arbeid. De oproepen leiden tot vragen als: waarom krijg ik nu ineens toch weer een oproep? Ik ben toch afgekeurd? Wat kan ik van het gesprek verwachten? Wat zijn ze nu weer van plan? Ik ben weliswaar niet afgekeurd, maar mijn kansen om aan betaald werk te komen zijn gering, ik heb toch belemmeringen en ik heb al diverse trajecten zonder resultaat doorlopen. Wat willen ze nog met mij?  Etc.Ook worden klachten over het zogenaamde kansencafe  in de loop van het gesprek over het voetlicht gebracht. En dat er bij de Bijstandsbond in eerste instantie grote onduidelijkheid bestond over de oproepen. Wij wisten eerst ook niet waarom nu ineens weer oproepen op grote schaal. Het bleek ons na enige tijd dat de DWI vorig jaar geld heeft overgehouden. Daarom werd besloten tot een beleidsintensivering, die in de Participatienota is opgenomen. Alle klanten op trede 2 van de participatieladder worden opgeroepen voor een diagnosegesprek.Het project is opgezet en wordt gemanaged door het gemeentelijk project management bureau, dus door mensen die ook projecten bij andere diensten doen, men beschouwd het project ‘Kansen’ als een  tijdelijke  ínterventie’ in de dagelijkse doorlopende werkprocessen bij de DWI. De projectleider van het project ‘kansen’ geeft een nadere uitleg. Men constateerde, dat in 2011 meer dan 700 klanten op trede 2 toch waren uitgestroomd naar betaald werk. Dus los van de beeindigingen van uitkeringen om andere redenen. Terwijl de DWI niets heeft gedaan om de uitstroom van die groep te bevorderen. Maar men heeft verder geen enkel idee waarom die mensen zijn uitgestroomd naar betaald werk. Dat is gissen. Een van de veronderstellingen is, dat bijvoorbeeld in migrantenfamilies iemand een restaurant heeft of een ander bedrijf, en dat die dan zegt ik heb iemand nodig daar en daar voor, dat kan mijn broer mooi doen.  Het is niet helemaal duidelijk of die uitstroom van meer dan 700 er ieder jaar is.  Men vraagt zich af of middels een ‘beleidsintensivering’ dit aantal van 700 niet kan worden opgevoerd. Daarom is men alle klanten op trede 2 gaan oproepen.  Men is nu een week of 7 bezig en men hoopt voor kerstmis alle klanten op trede 2 te hebben opgeroepen. Dat zijn er 15.000. Ongeveer een kwart van die 15.000 betreft alleenstaande ouders. Er zal dan wat betreft het ‘Kansencafe’ nog een uitloop zijn naar februari.Men heeft veel gediscussieerd over de vraag, of wel iedereen zou moeten worden opgeroepen, bijvoorbeeld ook mensen boven de 60 of 62. Maar men vond het met het creeren van allerlei uitzonderingen een beetje te gecompliceerd worden, dus men heeft gezegd: we roepen iedereen op, ook mensen van 64.
De schatting is dat een kwart tot een derde van de mensen die worden opgeroepen zullen worden doorverwezen naar het Kansencafe. Bij deze mensen moet nog worden gewerkt aan de motivatie om aan de slag te gaan, gericht op participatie of betaald werk. Het Kanscafe bestaat uit een training van 8 dagdelen, verspreid over een maand, waar mensen in de gelegenheid worden gesteld om na te denken over hun mogelijkheden, want het gaat uitdrukkelijk om de mogelijkheden en kansen en niet om de belemmeringen.Als uitkomst van het kansencafe wordt dan een ontwikkelingsplan gemaakt. Daarbij zijn er verschillende mogelijkheden:
De klant kan snel aan het betaalde werk en gaat naar het  ‘uitstroomteam’.De klant kan nog niet onmiddellijk aan het werk maar op termijn misschien wel, er moeten nog werknemersvaardigheden aangeleerd worden. Deze klanten worden doorverwezen naar het Reintegratie Bedrijf Amsterdam. (RBA). Met dit RBA heeft het projectmanagement afspraken gemaakt over hoe de trajecten van deze mensen er uit moeten zien. Men stelt bijvoorbeeld dat bij moeders met kinderen soepel overleg mogelijk moet zijn om eerder met werken op te houden, in verband met het ophalen van de kinderen. Ook kan het zijn dat iemand zegt: ik ben niet meer zo gewend zo vroeg mijn bed uit te komen, kan ik niet iets later komen. En men begint in eerste instantie bijvoorbeeld 2 dagdelen in de week. Er wordt echt rekening mee gehouden dat men een grote afstand heeft tot de arbeidsmarkt en als trede 2 klant kwetsbaar is. De meeste mensen worden wel verwezen naar het RBA, maar slechts een klein gedeelte komt terecht bij de Laarderhoogteweg-Praktijkcentrum. Anderen gaan naar bijvoorbeeld de tuinderij. Ook is men bezig met de opzet van een gereedschapsherstel project.Een derde conclusie van het Kanscafe kan zijn, dat betaald werk er niet in zit. De klant is wel in staat te participeren, maar kan niet betaald werk verrichten. Deze mensen worden verwezen naar de stadsdelen. Zij komen in een traject zorg, waarover nog niet veel afspraken zijn gemaakt, een traject schuldhulpverlening of een taaltraject of ander vrijwilligerswerk.Bij de selectie van mensen voor het Kanscafe is dus niet het criterium wel of geen betaald werk op termijn kunnen verrichten. Ook mensen waar er wat dat betreft twijfels bestaan, en waarvan achteraf gezegd moet worden: het zat er niet in, betaald werk, een participatietraject is het hoogst haalbare, kunnen worden uitgeselecteerd. Deelname aan het Kanscafe is verplicht. Wie niet komt opdagen, of zich eraan onttrekt, kan te maken krijgen eerst met een schriftelijke waarschuwing en daarna een korting van 30%. Deelname aan het participatietraject, dat wordt uitgezet voor de mensen uit de derde van bovenstaande groepen, dus mensen die niet kunnen worden verwezen naar het uitstroomteam of het RBA maar in een participatietraject komen  dat kan volgen op het Kanscafe is echter vrijblijvender: men wordt er niet toe verplicht.Tot nu toe hebben wij het gehad over de klanten die verwezen worden naar het kanscafe. Dat is ongeveer een derde tot een vierde van het totale aantal. Van de anderen kan worden gezegd, dat ze al voldoende participeren en dat kan worden gezegd: meer zit er eigenlijk ook niet in, het is mooi zo.We praten door over de medische ontheffingen. Is het zo, dat mensen ook kan worden verplicht deel te nemen aan het Kanscafe, of aan andere trajecten, terwijl er naar het oordeel van een keuringsarts een medische ontheffing van trajecten richting betaalde arbeid ligt, moet er dan niet eerst weer een medische beoordeling plaatsvinden over de actuele situatie? Geantwoord wordt dat bij het wel of niet opleggen van reintegratieinspanningen richting betaald werk of participatie eerst wordt gekeken of ene arts een uitspraak heeft gedaan. Daar wordt terdege rekening mee gehouden. Men is zich ervan bewust dat er veel medische problemen zijn. Daarom zal eventueel altijd worden gekeken of er geen aangepast werk mogelijk is. Of dat bestaand werk kan worden aangepast. Er zijn wat betreft medische ontheffingen in trede 2 veel gradaties.
Er is wel een urenbeperking, bijvoorbeeld kan maximaal 20 uren in de week werken.
Betaald werk is niet mogelijk, en een volledige urenbeperking, dus ook geen 20 uur werken, maar participeren op andere wijze is wel mogelijk
Men krijgt ontheffing op basis van artikel 9a WWB men heeft een kind onder de 5 jaar.
Trede 1 zijn dan de mensen die voor alles afgekeurd zijn, ook voor participatie. Zij hebben een dubbele ontheffing.Daarnaast kunnen in trede 2 mensen zitten, die geen medische ontheffing hebben, maar die wel een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben en met allerlei belemmeringen te maken hebben.
Men voert dit project ook uit, om de trede 2 groep scherper in beeld te krijgen: sommige mensen bijvoorbeeld gaan naar trede 1. Aan de andere kant van het spectrum gaan mensen naar het uitstroomteam.
Degene die bij de oproep het diagnosegesprek voert is niet de klantmanager maar een reintegratiemanager. Het is een interventie in de reguliere werkprocessen van de DWI. Bij de gesprekken wordt een speciale gespreksmethode toegepast, ieder reintegratiemanager heeft een opleiding gehad voor die gesprekstechniek. De bedoeling is om een correcte bejegening van de klant vorm te geven, op een waarderende manier gesprekken voeren. Het is een feedback methode om goeie gesprekken te krijgen. Het gaat daarbij om de zogenaamde ‘appreciative inquiry’:  de waarderende gespreksmethode. Meer over deze methode is te vinden op http://www.appreciative-inquiry.nl/ en op http://www.lerendoorwaarderen.nl/?page_id=4 . Het is de bedoeling, deze gesprekstechniek DWI breed uit te rollen. Dus dat alle klantmanagers ermee gaan werken. We moeten de oproepen voor het project dus onderscheiden van de reguliere werkprocessen, waarin ook oproepen kunnen zitten. Wij lezen de tekst voor van een brief met een oproep, die een bezoeker van het spreekuur heeft gekregen. Dit is niet de brief die in het kader van het project wordt toegestuurd. Dat is een standaardbrief, die zich onderscheidt van andere brieven uit het reguliere werkproces. Wij krijgen zo’n standaardbrief, waaraan overigens nog geschaafd wordt, toegestuurd. De reintegratiemanager heeft een uur voor het gesprek, een half uur voorbereiding inzage van het dossier en een half uur administratieve afhandelingen. Over het algemeen heeft de klantmanager een tamelijk grote beslissingsvrijheid over wat er met de klant moet gebeuren. Hij of zij kan de afstand tot de arbeidsmarkt, de problematiek die er speelt, de leeftijd,  afwegen en een beslissing nemen.Aan het eind van het gesprek wordt gememoreerd, dat er vanwege de bezuinigingen ‘meer doen met minder’ wordt nagedacht over meer groepsgewijs werken. Zoals het Kanscafe. Dus dat klanten geen individuele oproep meer krijgen, maar groepsgewijs worden opgeroepen. Dit sluit ook aan op het participatiebeleid in de stadsdelen, waar toch de kennis over de participatieplaatsen ligt. Overigens registreren sommige stadsdelen wel, wie er waar participeert, maar sommige stadsdelen weigeren die registratie.PvdL

]]>

donderdag 30 mei 2013

FNV vraagt verbetering Wet Werk en Bijstand

De Vaste Commissie voor Sociale Zaken van de Tweede Kamer spreekt op 5 juni over de Wet werk en bijstand. Het gaat ook over de reactie van staatssecretaris Klijnsma op het zwartboek van de FNV “Werken in de bijstand”. De FNV is blij dat de WWB op de agenda staat, maar betreurt het dat Klijnsma klachten over slechte bejegening door gemeenten afdoet als de problemen van een enkeling.
De FNV is blij dat werken in de bijstand op de agenda staat. Er gaat veel mis bij de uitvoering en de commissie is nu in de gelegenheid dit te veranderen.

ENQUÊTE NA ZWARTBOEK


In vervolg op het FNV Zwartboek over werken in de bijstand hebben meerdere FNV Lokaalgroepen via een enquête geïnventariseerd hoe het in hun gemeenten gesteld is. De uitkomsten van de 230 ingevulde enquêtes komen overeen met de resultaten van het zwartboek:
  • er wordt geen maatwerk geboden;
  • de trajecten zijn niet op uitstroom gericht;
  • de begeleiding is onder de maat;
  • er is sprake van verdringing.

MAATREGELEN

In haar brief van 27 mei vraagt de FNV de Kamer de volgende maatregelen te nemen:
  • Een breed onderzoek door de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar hoe gemeenten invulling geven aan werken met behoud van uitkering en de tegenprestatie en of dit in overeenstemming is met de wettelijke kaders.
    Voor gemeenteraden zou het erg behulpzaam zijn als in de publicatie van een dergelijk onderzoek gemeenten bij naam genoemd worden. Gemeenten kunnen zich anders gemakkelijk hullen in anonimiteit.
  • Heldere kaders in de WWB. Bijvoorbeeld hoe lang werken met behoud van uitkering toelaatbaar is. De FNV stelt dat 3 maanden voldoende is, indien er daadwerkelijk een afstand tot de arbeidsmarkt is. Voor bijstandsgerechtigden die jarenlang gewerkt hebben, is werken met behoud van uitkering volstrekt overbodig. Zij dienen een gewoon cao-loon te krijgen wanneer ze werken. Uit de enquêtes blijkt dat de meesten jarenlang gewerkt hebben.
  • Een toets op ‘additionaliteit’ (dus in hoeverre het om ’toegevoegd’ werk gaat), ter voorkoming van verdringing van regulier werk, uitgevoerd door de sociale partners in de sociale werkbedrijven. Werkgevers zien zich geconfronteerd met oneerlijke concurrentie, wanneer commerciële bedrijven gaan werken met bijstandsgerechtigden zonder loon. Werknemers ervaren dat de lonen onder druk komen te staan. Voor werkzoekenden wordt de werkgelegenheid nog krapper, wanneer betaalde banen verdwijnen naar onbetaalde banen.
Lees de volledige brief van de FNV aan de Kamer-commissie (pdf)]]>

vrijdag 26 april 2013

De eerste geluiden van een lobby om het sociaal akkoord in het belang van gemeenten terug te draaien

Vrijdag 26 april schrijven Marcel Canoy, hoofdeconoom Ecorys en hoogleraar economie in Tilburg en
Robert Capel, organisatieadviseur sociale zekerheid een opiniestuk in de Volkskrant waarin duidelijk wordt waar in het nieuwe sociaal akkoord van vakbonden, werkgevers en Rijksoverheid voor de gemeenten de pijn zit. Zij geven aan, dat gemeenten door het sociaal akkoord in grote problemen zullen komen en dat arbeidsgehandicapten er niets aan hebben. Zij vinden het jammer, dat het sociaal akkoord een einde maakt aan de Participatiewet. Ze gaan eerst in op de geschiedenis van de participatiewet en constateren, zoals op deze blog ook is aangegeven, dat het allemaal begonnen is met het rapport van de commissie De Vries in 2008 die arbeidsgehandicapten in het bedrijfsleven aan het werk wilde zetten en het beroep op Wajong en WSW verminderen.

Ze constateren, dat de Participatiewet een van de drie voorgenomen grote decentralisaties was, naast de AWBZ en de jeugdzorg. Ze herhalen de officiele argumenten voor die decentralisaties: dichter bij de mensen kunnen die regelingen beter worden uitgevoerd, en de gemeenten zijn daarvoor geschikt en bouw financiele prikkels in om de gemeenten te stimuleren het goed te doen. De schrijvers van het opiniestuk beweren: ‘De decentralisaties leiden tot een groter beroep op zelfredzaamheid en sociale cohesie en laten zien dat sociaal beleid in samenhang bezien moet worden. Zo doen mensen in de bijstand nu met behoud van uitkering werkervaring op in sociale werkplaatsen’. Ze pleiten dus in mijn ogen voor voortzetting van het beleid, waarbij op gemeentelijk niveau zonder dat er controle op is werkzoekenden naar believen in dwangarbeidsprojecten tewerk kunnen worden gesteld. De ongecontroleerde misstanden die zich daarbij voordoen omdat de gemeenten aan niemand verantwoording verschuldigd zijn en de gemeenteraden hun controlefunctie verwaarlozen worden steeds meer duidelijk. Ook maken de misstanden duidelijk, dat de veel aangehaalde voordelen van decentralisatie naar gemeenten in de praktijk niet bestaan.De schrijvers van het opinieartikel zijn erop tegen dat door het sociaal akkoord deze decentralisatie wordt teruggedraaid. Ze vinden de door hun centrale organisatie gedane belofte van de werkgevers arbeidsgehandicapten in dienst te nemen een loze belofte en zeggen dat de werkgevers niets gaan betalen. Het lijkt mij dat als ze vinden dat de werkgevers dit niet gaan betalen ze dat op lokaal niveau bij invoering van de Participatiewet ook niet gaan doen, de schrijvers pleiten dan ook voor het handhaven van de WSW in een bepaalde vorm van detacheringsmogelijkheden. Uit het artikel wordt mij niet duidelijk waarom de regionale Werkbedrijven, die op regionaal niveau gaan opereren, niet dezelfde functie zouden kunnen hebben als de sociale werkplaatsen nu. De schrijvers van het artikel zetten verschillende redeneringen op die me niet overtuigen.Bovendien gaan ze eraan voorbij dat het idee van 35 arbeidsmarktregio’s door de VNG, DIVOSA zelf gelanceerd is en dat het sociaal akkoord in dat opzicht weinig nieuws bevat, hooguit wat meer inspraak van werkgevers en vakbonden. (Zie artikel de 35 arbeidsmarktregio’s op dit blog)
Daarna noemen de schrijvers het grootste pijnpunt voor de gemeenten dat ik ook al noemde in het commentaar op het sociaal akkoord. De gemeenten moeten de opzet van de regionale Werkbedrijven uit het sociaal akkoord bekostigen, terwijl ze maar beperkte invloed hebben op de besluitvorming aldaar en er niet op budget kan worden gestuurd. Ook zullen ze de subsidies moeten gaan betalen van de arbeidskrachten die niet volledig productief zijn en wellicht voor mensen die met behoud van uitkering werken de uitkering betalen. (Nieuwe vormen van dwangarbeid) De schrijvers constateren: ‘Het sociaal akkoord is een democratisch curiosum en ook een inhoudelijke blamage’. Ze willen er zo snel mogelijk vanaf en blijkbaar terugkeren naar de uitgangspunten van de decentrale participatiewet.
Ook uit dit stuk blijkt weer, dat financiering van en beslissingsbevoegdheid over de regionale werkbedrijven het knelpunt zullen zijn in de onderhandelingen met de gemeenten. En in het verlengde daarvan de voorwaarden waaronder de arbeidskrachten via de Werkbedrijven tewerk worden gesteld en wie dat gaat betalen. Het Rijk wil zijn bezuinigingen binnenhalen, de gemeenten willen een voldoende groot budget en daarover zelf beslissen en ze willen het beleid voortzetten dat kaalslag in de publieke sector kan worden opgevangen met gratis arbeidskrachten en de werkgevers willen zo goedkoop mogelijk uit zijn. (En misschien ook wel gratis arbeidskrachten?). En de vakbonden?

Het is nog onduidelijk in hoeverre vanuit de gemeenten en lobbygroepen van deskundigen een beweging op gang zal komen tegen de fundamenten van het sociaal akkoord op het gebied van de tewerkstelling van arbeidsgehandicapten, hoe vaag het sociaal akkoord daarover ook is. De schrijvers van het artikel in de Volkskrant doen in ieder geval een beroep op de Tweede Kamer het poldermodelgedrocht van het sociaal akkoord af te wijzen.Gezien het bovenstaande is de strijd tegen dwangarbeid, die in verschillende plaatsen in opkomst is, van groter strategisch belang dan het bestrijden van misstanden bij het werken met behoud van uitkering alleen. Het zal van invoed zijn op hoe in de komende onderhandelingen naar aanleiding van het soms vage sociaal akkoord een nieuwe bijstandsachtige, participatiewetachtige regeling tot stand zal komen, wat de uitkeringsvoorwaarden zullen zijn, wat de organisatorische structuur van de arbeidsbemiddeling zal zijn (wie oefent invloed uit op, controleert wat) en wat de rechten van de arbeidsgehandcapten zullen zijn die tewerk worden gesteld.
]]>

donderdag 18 april 2013

35 arbeidsmarktregio's waarin verschillende partijen samenwerken als antwoord op een falend beleid van gemeenten

Op 18 april 2013 verschijnt het rapport ‘Rapportage Werken met beperkingen’ van de Inspectie van het Ministerie SZW. [i]
Uit het rapport: ‘De Inspectie heeft onderzoek verricht naar de vraag in hoeverre UWV en gemeenten er in slagen de vraag naar en het aanbod van uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking bij elkaar te brengen. In deze rapportage staan de mensen met een arbeidsbeperking (maar met arbeidsmogelijkheden) uit de WIA, de ZW en de WWB centraal.
Daarbij heeft de inspectie met name onderzoek gedaan naar de begeleiding van deze groepen en de werkgeversbenadering en matching van vraag en aanbod. Het onderzoek vond plaats bij professionals van het UWV en van gemeenten.
De inspectie is van oordeel dat de onderzochte groepen onvoldoende de begeleiding krijgen die zij nodig hebben om aan het werk te komen. De inspectie benoemt de volgende knelpunten: De kenmerken en arbeidsmogelijkheden van een deel van de WIA- en de WWB-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking zijn onvoldoende in beeld. Een actieve werkgeversbenadering voor hen ontbreekt of is nog in ontwikkeling. De aansturing van de WIA en WWB professionals bevat onvoldoende stimulans om mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt naar werk te begeleiden’.Een van de oorzaken van het falend beleid van de gemeenten zou zijn, dat gemeenten geen onderscheid maken tussen mensen met en zonder arbeidshandicap. Vaak wordt ervoor gekozen om mensen zonder een handicap, die goedkoper en gemakkelijker te begeleiden zijn, aan een baan te helpen of althans pogingen daartoe te ondernemen.
De reactie van de staatssecretaris op deze kritiek is vrij nietszeggend en bevat een saillant detail. Zij verwijst naar de nieuwe Participatiewet, waarvan verschillende comentatoren veronderstellen dat die bij het sociaal akkoord van 12 april, dus 6 dagen eerder, van tafel zou zijn, en de quotumregeling, die bij het sociaal akkoord eveneens van de baan was, wordt door de staatssecretaris 6 dagen later als een van de te nemen positieve maatregelen genoemd. Een niet aan de actualiteit aangepaste versie van een beleidsreactie? Of vasthouden an standpunten buiten het sociaal akkoord? Feit is, dat het sociaal akkoord over de Participatiewet vaag is. Het woord wordt niet genoemd en een standpunt over het samenvoegen van Wajong, WWB en WSW wordt niet ingenomen.Blijkens een bericht in Binnenlands Bestuur reageren DIVOSA en VNG geprikkeld. Blijkens hun reactie, die als bijlage bij het rapport is gevoegd, vinden zij een  goede werkgeversdienstverlening van groot belang. Gemeenten en UWV spelen hierbij een sleutelrol. Halverwege 2012 zijn UWV en VNG overeengekomen dat ze de dienstverlening aan werkgevers gaan organiseren vanuit 35 arbeidsmarktregio’s. Deze krijgen één aanspreekpunt waar werkgevers terecht kunnen voor informatie, advies en expertise. In iedere arbeidsmarktregio dienen UWV en gemeenten dit aanspreekpunt gezamenlijk vorm te geven, zo is wettelijk vastgelegd in de Wet SUWI, die per 1 juli 2012 gewijzigd is. Aan de Programmaraad (het samenwerkingsverband van UWV, VNG en Divosa) is voor de jaren 2012 en 2013 een bijdrage beschikbaar gesteld om de samenwerking in de regio’s te stimuleren.
Hieruit blijkt, dat ook het idee van 35 arbeidsmarktregio’s in het sociaal akkoord, die daar als nieuwe afspraken worden gepresenteerd, in feite al oud is en allang in voorbereiding vanuit de VNG en de Rijksoverheid en UWV. Het enige is, dat vakbonden en werkgevers inspraak eisen. Of is er in feite niets nieuws onder de zon?

]]>

maandag 15 april 2013

De forse bezuinigingen bij het UWV, die al in 2011 werden aangekondigd worden gerealiseerd

Hoewel het UWV door de crisis fors meer werk heeft, worden door bezuinigingen toch duizenden banen bij de uitkeringsorganisatie geschrapt. Tot 2018 moet circa 489 miljoen euro worden bespaard. Dit maakte het UWV maandag 15 april bekend. Het aantal arbeidsplaatsen zal worden teruggebracht van 16.600 naar 14.500 in 2018. De dienstverlening aan werkzoekenden moet worden geautomatiseerd en het aantal vestigingen teruggebracht.‘Net als bij veel andere bedrijven wordt bij ons de digitalisering in hoog tempo doorgezet’, stelt bestuursvoorzitter Bruno Bruins. Hierdoor verliezen vooral werknemers in de arbeidsbemiddeling hun baan. Het UWV heeft al 30 van de 68 Werkbedrijfvestigingen gesloten, waardoor reeds zo’n 2000 arbeidsplaatsen zijn verdwenen.Al in 2011 was aangekondigd dat er veel banen geschrapt moesten gaan worden bij de uitkeringsinstantie. Vorig jaar werd echter bekend dat een deel van het overtollig personeel toch weer langer mocht blijven om het groeiende aantal werklozen op te vangen.De effecten van het regeerakkoord van 2012 en het sociaal akkoord van vorige week zijn nog niet in de begroting opgenomen. Deze moeten nog worden uitgewerkt. ‘Het UWV is een politiek gestuurde organisatie. De situatie kan er volgend jaar zo weer anders uitzien’, aldus het UWV.De vakbonden zijn kritisch. Ze weten nog niet waar de klappen gaan vallen, maar ze vrezen een onwerkbare situatie. De werkdruk is nu al enorm hoog; op sommige plekken bij het UWV zie je al dat het ziekteverzuim is opgelopen tot boven de 10 procent’, zegt CNV-bestuurder Debbie Ritsma. De vakbond roept de overheid op om te stoppen met bezuinigen op de uitkeringsinstantie.]]>

zaterdag 13 april 2013

Er is nog lang geen akkoord met het sociaal akkoord.

Het ledenparlement van de FNV stemde twee dagen na sluiting van het sociaal akkoord positief over dit akkoord. Onderstaande tekst is de volgende dag geschreven.Het ledenparlement van de FNV heeft gisteren ingestemd met het sociaal akkoord. In een eerder artikel heb ik geschreven, dat dit akkoord bijzonder vaag is over wat er moet gebeuren met de Participatiewet. Het ziet ernaar uit, dat na het sociaal akkoord deze wet die al in kannen en kruiken was, toch weer in de ijskast wordt gezet, waarbij men met frisse moed alle onderhandelingen opnieuw begint. In de Participatiewet werden bijstand, Wajong en WSW samengevoegd. Dit betekende, dat voor iedereen die als werkzoekende of arbeidsongeschikte een beroep moest doen op deze wet een middelentoets werd ingevoerd. Er zijn nu nog 350.000 mensen in de bijstand, maar met de nieuwe Participatiewet zouden op den duur nog vele honderdduizenden meer onder dezelfde voorwaarden moeten leven. Vermogenstoets, partnertoets, toets op extra inkomen en dus strenge mensonterende controles middels huisbezoeken en maatregelen als het leveren van een tegenprestatie voor je uitkering (dwangarbeid). WSW-ers hebben nu nog een cao loon, en Wajongers hebben een geïndividualiseerde uitkering zonder partner en vermogenstoets. Bij invoering van de nieuwe Participatiewet zoals die er nu ligt zou voor nieuwe groepen van vele honderdduizenden dus een middelentoets wordt ingevoerd, en de nieuwe Participatiewet wilde mensen aan het werk zetten ook in het reguliere bedrijfsleven, onder het minimumloon of zelfs geheel gratis (werken met behoud bam uitkering). Het betekende dat op den duur vele honderdduizenden meer zouden moeten leven onder een onleefbaar bijstandsachtig regime, ook al hebben ze geen kansen op de arbeidsmarkt, waarbij de invoering van de Participatiewet in feite een creatie en legalisering was van een tamelijk rechteloze onderklasse zonder perspectieven. De vraag doet zich voor, of de vakbonden bij de onderhandelingen die nu weer opnieuw beginnen medeverantwoordelijk worden hiervoor en meer nog – of ze medeverantwoordelijk worden voor het nu al bestaande repressieve systeem van de uitvoeringsorganisaties om die onderklasse er ook inderdaad onder te houden.
Plan van het sociaal akkoord
Het sociaal akkoord is bijzonder vaag over wat er moet gebeuren, en je moet echt tussen de regels doorlezen om uit te vinden wat ze nu eigenlijk willen in dit compromis, maar volgens mij staat de sociale partners het volgende plan voor ogen. De bijstand, de WSW en de Wajong blijven naast elkaar bestaan. Maar daar zijn ze vaag over. Nu nog is het UWV verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wajong. Dit moet veranderen. De gemeenten moeten ook verantwoordelijk worden voor de uitvoering van de Wajong, zoals ze nu al verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de WSW en de bijstand. De gemeenten krijgen dan 1 ongedeeld budget voor de uitvoering van die 3 regelingen. Daarmee wordt bijvoorbeeld voorkomen, dat verschillende instanties met verschillende financieringsstromen de verantwoordelijkheden afschuiven naar een ander. (Van de Wajong bij het UWV naar de bijstand bij de gemeenten en omgekeerd). Op verschillende plaatsen wordt in het sociaal akkoord genoemd dat dit een groot nadeel is van de huidige situatie. En-belangrijk voor de vakbonden- de mogelijkheid blijft bestaan, dat een deel van de arbeidsongeschikten die niet verzekerd waren voor de werknemersverzekeringen toch in een regeling terecht kunnen komen die geïndividualiseerd is en waar geen middelentoets bestaat. Maar zo duidelijk staat het niet in het sociaal akkoord. Laten we er dus maar eens de kabinetsbrief bijhalen, die de regering naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Daarin wordt in ieder geval duidelijk, dat de Participatiewet in zijn huidige vorm er niet komt en dat de invoering inderdaad opschuift naar 2015 en niet op 1 januari 2014 wordt ingevoerd. Hierover had ik nog twijfels bij alleen lezing van het sociaal akkoord. De regering gebruikt hetzelfde argument als de sociale partners dat er wat moet veranderen: nu schuiven teveel instanties die over verschillende financieringsstromen gaan verantwoordelijkheden op elkaar af. Maar het kabinet geeft daarbij uitdrukkelijk aan, dat de huidige regelingen vergaand zullen moeten worden ‘gestroomlijnd”. Dus dat de huidige regelingen WSW, Wajong en bijstand moeten worden gewijzigd. Hoe of wat wordt weer niets over gezegd. Het is duidelijk dat tussen de sociale partners onderling en met de regering hierover nog lang geen overeenstemming bestaat. Ook over andere belangrijke punten bestaat geen overeenstemming.
Het voorstel van de sociale partners is, dat het UWV in zijn huidige vorm wordt opgeheven en opgaat in een Rijksinstituut, waarin ook het CIZ opgaat, dat alle keuringen van mensen organiseert en uitvoert voor een veelheid van wetten en regelingen. (bijstand, Wajong, AWBZ, WMO, etc.) Daardoor hebben de mensen nog maar met 1 keuringsinstantie en 1 eenduidige keuring te maken. Daarmee wordt voorkomen dat er een wildgroei op lokaal niveau ontstaat van een veelheid van strenge en minder strenge keuringscriteria en bijvoorbeeld de belachelijke situatie waarin iemand zich kan bevinden die bij de ene instantie arbeidsongeschikt wordt verklaar den bij de andere niet. Hierover bestaat ook geen akkoord. Het kabinet zegt zuinigjes dit voorstel te zullen ‘onderzoeken’.
Maar nu komt het. In het plan van de sociale partners dat ik hierboven heb beschreven maar dat dus niet zo duidelijk in het sociaal akkoord staat, worden de gemeenten wel volledig financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van die 3 regelingen maar ze verliezen een deel van de zeggenschap over de centen. Sociale partners willen, dat zij bij de besteding ervan ook een flinke vinger in de pap krijgen, vooral over de besteding van de reintegratie gelden, die nu nog aan ieder van de 3 regelingen verbonden zijn. Deze reintegratiegelden moeten worden ingebracht in op te richten 35 regionale Werkpleinen en 35 op te richten Werkbedrijven, waar- daarover is het sociaal akkoord tegenstrijdig- in ieder geval de werkgevers en de wethouders uit de regio samenwerken en overleggen over de doelstellingen van het re-integratiebeleid, de voorwaarden waaronder mensen in trajecten worden geplaatst en de controle daarop. En wellicht worden ook de vakbonden hierbij betrokken. De invloed van de sociale partners zal in deze structuur niet gering zijn. Zij gaan op sectoraal niveau afspraken maken over re-integratie en arbeidsmarktbeleid en het begeleiden van mensen van werk naar werk. Het regionaal beleid- uitgevoerd in de 35 regionale Werkpleinen waar ook de gezamenlijke regionale gemeenten iets te zeggen hebben) moet afgestemd worden op dit sectorale beleid.
Gaat dit gebeuren?
Als inzet hebben de werkgevers, dat ook zij bereid zullen moeten zijn afspraken te maken met gemeenten over de inzet van financiële middelen voor de Werkpleinen. Maar zeker de grote gemeenten, die nu nog alleen de zeggenschap hebben over de WSW en de bijstand, zowel het inkomensdeel als het werkdeel, en die bij een effectief uitstroombeleid de revenuen in eigen zak steken zullen niet gauw bereid zijn hun positie op te geven. In de Stichting van de Arbeid is de ‘Werkkamer’ opgericht, waarin werkgevers en werknemers met de VNG tot een akkoord hopen te komen. Op korte termijn wil men dat zelfs al, binnen een paar maanden. Als inzet hebben de sociale partners ook, dat ze hebben afgesproken met het kabinet dat er strengere keuringen komen voor Wajongers, waarbij ook het zittende bestand zal worden herkeurd, terwijl nota bene op basis van de Participatiewet door de regering was besloten, dat het zittende bestand nu volledig arbeidsongeschikt verklaarde Wajongers niet zou worden herkeurd en dat zij hun Wajong zouden behouden. Op deze wijze hopen de sociale partners wellicht tegemoet te komen aan de eis van de regering, dat bij de reorganisatie van de regelingen een fors bedrag aan bezuinigingen wordt gerealiseerd.
De soap wordt voortgezet
Vooruitlopend of eigenlijk in plaats van een fundamentele reorganisatie van een regeling voor mensen met een minimuminkomen is vanaf 2008 in de bestaande wetgeving een reeks van wijzigingen en bezuinigingen doorgevoerd. Het is al begonnen in 2008 met de voorstellen van de zogenaamde commissie De Vries over de WSW. Daarna kwamen de voorstellen van de VVD over wat zij ook de Participatiewet noemden en in het najaar van 2010 werd een ‘programmateam’ geïnstalleerd bij het ministerie van Sociale Zaken die wat toen de Wet Werken naar Vermogen heette moest voorbereiden. Moeizame onderhandelingen met de gemeenten hebben toen in feite niet geleid tot een akkoord. Het nieuwe kabinet heeft de contouren van de WWNV overgenomen en daar een quoteringsregeling voor werkgevers aan toegevoegd, die hen zou verplichten een bepaald percentage arbeidsgehandicapten in dienst te nemen. Dat en in feite de gehele Participatiewet is inmiddels weer van tafel. Nieuwe wetgeving komt er in ieder geval niet voor 1 januari 2015. En dan is het weer tijd voor nieuwe verkiezingen zullen we maar zeggen.]]>

donderdag 11 april 2013

Wat zegt het sociaal akkoord over de nieuwe Participatiewet? Komt die er nu wel of niet?

11 april 2013 bereikten de sociale partners en het kabinet een sociaal akkoord. De tekst werd direct daarna gepubliceerd op internet. Onderstaande tekst is vlak daarna geschreven.

In het sociaal akkoord trekken de samenstellers een grote broek aan. Ze vinden het een historisch akkoord, al wordt dat niet zo gezegd. Impliciet verwijst men in de inleiding naar het historische akkoord van Wassenaar uit 1982. ‘’We kunnen ons in termen van welvaart, inkomen en productiviteit meten met de best presterende landen ter wereld. Dit is mede te danken aan structurele hervormingen in de afgelopen decennia op de markten van goederen, diensten en arbeid. Hervormingen waarvoor de basis is gelegd in de overlegeconomie”.

Lezing van het sociaal akkoord levert op, dat de lezer met veel nieuwe maar soms vage plannen wordt geconfronteerd, met name op het gebied van het arbeidsmarktbeleid en de opzet van instituties die het arbeidsmarktgebeuren moeten structureren, op het gebied van de flexibilisering van de arbeidsrelaties en de ontslagbescherming en de opzet van de Wet Werkloosheid (WW). Ondanks de uitgebreide behandeling van deze onderwerpen blijft het vaag wat de gevolgen van het sociaal akkoord zullen zijn voor mensen in de Wajong, de WSW en de bijstand. De regering heeft de nieuwe Participatiewet in voorbereiding, maar dit woord komt in de tekst van het sociaal akkoord niet voor. Tussen de regels door kun je het een en ander opmaken over hoe de sociale partners daarover denken. De participatiewet heeft de bedoeling, bijstand, Wajong en WSW samen te voegen in een wet en door middel van werken met behoud van uitkering (dwangarbeid) , loondispensatie, subsidiering van werkgevers en andere arbeidsmarktinstrumenten te pogen werkzoekenden met of zonder handicap aan het werk te krijgen. Daarbij worden de gemeenten verantwoordelijk voor uitvoering van de wet. Van dit laatste neemt het sociaal akkoord duidelijk afstand. Wat betreft het arbeidsmarktinstrumentarium (nu het werkdeel van de WWB dat door gemeenten wordt uitgevoerd) moeten er op regionaal niveau publiek-private samenwerkingsvormen komen en wel landelijk gezien 35 Werkpleinen en 35 Werkbedrijven. Op de Werkpleinen moeten de werkzoekenden worden begeleid die geen handicap hebben en een WWB of WW uitkering hebben. In de werkbedrijven worden Wajongers en WSW-ers tewerk gesteld. Op de Werkpleinen werken regionale werkgevers, vakbondsbestuurders en wethouders van gemeenten in de regio samen om een regionaal arbeidsmarktbeleid tot stand te brengen en een verknoping te bewerkstelligen tussen sectorafspraken van werkgevers en werknemers (in de bouw, de metaal, de schoonmaak, etc., vroeger bedrijfstakken genoemd) en het regionaal arbeidsmarktbeleid van de Werkpleinen. Dit laatste is een antwoord op de veelgehoorde klacht, dat sectorale afspraken op dit moment totaal niet aansluiten op een arbeidsmarktbeleid of arbeidsbemiddelingsbeleid dat door de gemeenten wordt ontwikkeld. De gelden die nu het werkdeel van de WWB zijn zullen voor de Werkpleinen moeten worden ingezet. De gemeenten blijven dus niet meer alleen verantwoordelijk voor de inzet van die gelden. De werkgevers en de vakbonden krijgen een flinke vinger in de pap. Dat is ook het geval bij de Werkbedrijven, die dezelfde samenwerkingsstructuur krijgen als de Werkpleinen, terwijl nu de gemeenten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de WSW.

Tussen de regels

Uit het bovenstaande blijkt al, dat de samenstellers van de tekst van het sociaal akkoord er tussen de regels door van uitgaan, dat WSW, Wajong en WWB naast elkaar blijven bestaan. In de inleiding wordt er nadrukkelijk op gewezen, dat wij in Nederland oorspronkelijk een onderscheid kenden tussen volksverzekeringen, werknemersverzekeringen (waarvoor vakbonden en werkgevers qua uitvoering verantwoordelijk waren) en sociale voorzieningen. De werknemersverzekeringen werden gefinancierd door premies van werkenden, de sociale voorzieningen uit de belastingen. In de loop van de tijd zijn deze onderscheidingen vager geworden, oa door fiscalisering van de WW en veranderingen in de ziektewet. Het sociaal akkoord wil terug naar bovengenoemd helder onderscheid. “ Nodig is een consistente ordening van de verantwoordelijkheden voor de sociale zekerheid, met een helder afgebakend onderscheid tussen volksverzekeringen, werknemersverzekeringen en sociale voorzieningen (met middelengetoetste uitkeringen). Daarbij fungeren werknemersverzekeringen als risicoverzekeringen. Zij zijn in eerste instantie gericht op de compensatie van schade als gevolg van het intreden en voortbestaan van sociale risico’s zoals werkloosheid en arbeidsongeschiktheid”. In het sociaal akkoord heeft dat meteen al gevolgen voor de financiering van de WW: dat moet weer meer een risicoverzekering worden gefinancierd uit oa premies van de werknemers. Maar ik lees er ook in- ik kan me vergissen- dat daarom samenvoeging van Wajong, WSW en bijstand niet wordt goedgekeurd. De Wajong is een volskverzekeringsachtige regeling, zonder middelentoets, de bijstand is een sociale voorziening met middelentoets. In het sociaal akkoord staat: “In de praktijk stellen sociale partners, vast dat er steeds meer sprake is van vervaging tussen werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en voorzieningen. Daardoor is sprake van een diffuse verdeling van verantwoordelijkheden en worden verantwoordelijkheden niet (volledig) gedragen of mogelijk afgewenteld. Het blijkt echter ook, dat men er wat de participatiewet nog niet uit is, al wordt dat niet expliciet zo gezegd. “gelet op de complexiteit van dit vraagstuk en de nauwe samenhang met de overheidsfinancien zullen sociale partners naar aanleiding van een gerichte adviesaanvraag van het kabinet meewerken aan een voor 1 mei 2014 uit te brengen advies over een consistente ordening van de verantwoordelijkheden van de sociale zekerheid”.

Wordt de Wajong nu wel of niet afgeschaft?

Maar dan stuiten we op bladzijde 13. En dan weet ik het niet meer. Ik heb de bladzijde vier keer gelezen en ik kan niet concluderen of de Wajong nu wel of niet moet worden afgeschaft en of de WSW, de Wajong en de Bijstand nu wel of niet moeten worden samengevoegd. Het staat er niet in. Eerst wordt geconstateerd dat bij “ongewijzigd beleid” het aantal Wajongers zal toenemen van ruim 200.000 in 2013 tot ruim 400.000 in 2040. Men zegt dat deze groei moet worden omgebogen. Hoe? “er kan niet meer worden volstaan met het verstrekken van een vaak levenslange minimumuitkering (welke?) aan werknemers met een beperking. Men wil de mensen met een functiebeperking aan het werk hebben en zo de groei van het aantal Wajongers tegengaan. In de tweede alinea wordt het helemaal vaag. “per 1 januari 2015 komt er nieuwe wetgeving gericht op werken met een functiebeperking”. Ik snap het niet. De nieuwe participatiewet zou toch 1 januari 2014 ingaan, waarin dit geregeld is?. Of wordt gedoeld op andere wetgeving? Of vindt men dat de nieuwe regelingen een jaar moeten worden uitgesteld? Dan: “De verantwoordelijkheid voor het aan het werk helpen en houden van Wajongers en SW-ers is voortaan voor rekening van 35 regionale Werkbedrijven. Wethouders en regionale werkgevers worden hiervoor bestuurlijk verantwoordelijk.”. De vakbonden zijn hier plotseling wat dit betreft uit beeld verdwenen. En dan: “Gemeenten ontvangen van de rijksoverheid een totaalbudget voor de uitvoering van de WWB, SW en Wajong. Daaruit bekostigen zij hun aandeel van de activiteiten van het regionale Werkbedrijf”. Zorgvuldig wordt de term “participatiewet” vermeden en gesproken over drie afzonderlijke regelingen. Conclusie: ik kan er wat betreft bijstandsgerechtigden, Wajongers en WSW-ers geen spek van brouwen. Ook over de loondispensatie en het werken met behoud van uitkering wordt helemaal niets gezegd. Wel komen op bladzijde 36 projecten aan de orde waar gewerkt gaat worden met “mentorbanen, stage banen, snuffelbanen in een andere sector en dergelijke”.

Het schijnt dat de stichting van de Arbeid mbt dit soort banen een uitwerking heeft opgesteld. Het sociaal akkoord is in veel opzichten een vagetekst, waar je alle kanten mee uit kunt. Een historisch akkoord op basis van een springlevend poldermodel, waarin de sociale vrede hoog in het vaandel staat?. Slechts een tussenfase in een zich chronisch voortslepende en verlammende machtsstrijd aan de onderhandelingstafel en in wandelgangen, van een reeks belangenorganisaties, instituties, werkgevers en verschillende bestuurslagen bij de overheid over hoe verarming moet worden bestreden en de maatregelen die mbt de mensen op een minimaal inkomen (werkenden en uitkeringsgerechtigden) moeten worden genomen en wie daarbij de macht krijgt over de uitvoering en vooral: het geld. Deze machtsstrijd- waar bestuurders van verschillende politieke kleur in verschillende functies jarenlang een rol spelen, zoals Marco Florijn, eerst onderhandelaar namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten VNG en nu wethouder in Rotterdam, duurt nu al minstens twee jaar. Het is begonnen toen voor het eerst de reorganisatie van regelingen voor de minima onder het vorige kabinet op de politieke agenda kwam. Daarbij hebben de rechtse krachten door het in de publiciteit brengen van schandalige aantijgingen in de richting van de verarmden en een voortdurende stroom van incidentele maatregelen in het verengde daarvan zoals de invoering van de huisbezoeken en de invoering van een generieke tegenprestatie voor je bijstandsuitkering, politiek de overhand. Deze situatie kan zonder protest van de mensen die getroffen worden nog jaren voortduren. Werkgevers en werknemers denken zoals we zagen in de zomer van 2014 een advies uit te brengen over verdeling van verantwoordelijkheden……… De instituties en verschillend lagen bij de overheid strijden om de macht en het geld ter wille van hun eigen voortbestaan, de mensen die in armoede leven hebben het nakijken. Piet van der Lende]]>

donderdag 4 april 2013

Vraag om onafhankelijk onderzoek naar decentralisaties. Een tijdbommetje onder de voornemens?

Op 26 maart jl. heeft de Tweede Kamer de motie Schouw aangenomen.  [i]Daarmee wordt de regering verzocht onderzoek te laten doen door een onafhankelijke partij, bijvoorbeeld het CPB en/of het SCP, naar de financiële risico’s en uitvoeringsrisico’s van de decentralisaties, en in dit onderzoek aandacht te besteden aan de mogelijkheden deze risico’s te ondervangen en bij de uitvoering aan te pakken. Wel is de voorwaarde daarbij dat dit onderzoek niet tot vertraging van het decentralisatieproces mag leiden.
Tweede Kamerlid Gerard Schouw van D’66 meldde na stemming dat hij binnen twee weken van het kabinet een brief wil ontvangen over de vraag hoe het de motie zal uitvoeren, of de VNG daarbij betrokken is en hoeveel tijd het kabinet daarvoor denkt te nemen.
Daarop reageerde minister Plasterk met een brief, waarin hij aangeeft dat hij voor de uitwerking van de beantwoording van de motie enige tijd langer nodig denk te hebben dan de twee weken die Gerard Schouw het kabinet gegeven heeft. De minister stelt, dat hij verwacht voor eind april het antwoord op de motie te kunnen toesturen. [ii]De brief is voor kennisgeving aangenomen in de procedurevergadering van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van 18 april.
Gerard Schouw heeft mondeling ook gezegd, dat hij verwacht dat het onderzoek voor de zomer gereed is. Gemeenten willen de taken werk, zorg en jeugd overnemen, zoals voorzien zijn dit de 3 grote decentralisaties, maar de gemeenten maken zich bij de onderhandelingen grote zorgen over de financiele en organisatorische gevolgen. In Binnenlands Bestuur staat het bericht, dat de taken straks met fikse kortingen bij de gemeenten worden gelegd.  Kamerlid Schouw wil weten wat de uitvoeringsrisico’s en financiele risico’s zijn van decentraliseren op deze manier.
Wellicht dat de politiek hiermee werkt aan een tijdbom onder de voorgenomen decentralisaties. Het is van te voren uiteraard onduidelijk wat de conclusies zullen zijn van dit onderzoek en vooral wat de conclusies zullen zijn over de voorgenomen bezuinigingen in combinatie met decentralisaties. Bovendien moeten blijkens de opdracht aan het onderzoeksbureau die de Tweede Kamer heeft geformuleerd ook de organisatorische gevolgen worden geanalyseerd.  En hiermee komen de gevolgen van de afspraken in het sociaal akkoord met werkgevers en vakbonden  weer om de hoek kijken. Het onderzoek zal een rol gaan spelen in de onderhandelingen tussen de verschillende partijen en er wordt op deze manier een onzekerheidsfactor ingebouwd gezien vanuit de regering.  Ik ben benieuwd of minister Plasterk eind april inderdaad met een reactie komt en wat die zal zijn. In een kamerdebat had hij toegezegd dat het onderzoek er zou komen. Maar toen was er nog geen sociaal akkoord.


[i] Kamerstuk 33 400 B/33 400 C, nr. 13
[ii] Brief minister Plasterk 33400-B-14

]]>

zondag 27 januari 2013

De stad is van ons

Ook verschenen in: Webzine Solidariteit – commentaar 216 – 27 januari 2013

Op allerlei beleidsterreinen komt de crisispolitiek op ons af, ook lokaal en verschillend voor verschillende groepen. De neoliberale politiek betreft niet alleen bezuinigingen, maar een algehele reorganisatie van de maatschappij, waaronder uitbreiding van controle en repressie die de burger in het gareel moeten houden. Deelbelangen dreigen en lijken een gezamenlijke strijd te belemmeren. De vraag is hoe de verdeeldheid te doorbreken.
Lokale maatregelen van gemeenten en regering lopen door elkaar. Gemeenten zitten beslist niet alleen krap vanwege de Haagse bezuinigingen. Toen de economische crisis naar een nieuw hoogtepunt ging, verloren ze veel op grote bouwprojecten. Daarnaast namen ze deel aan speculatie op bouwgrond die inmiddels braak ligt en waardeloos wordt.
Op dit moment zien we voorzichtige initiatieven om acties tegen deze malaise te organiseren. Ze krijgen echter nauwelijks vat op het verband tussen het straffe beleid van de gemeenten en het Rijk en onderschatten de samenhang tussen de bezuinigingen en reorganisaties. Ieder werkt vanuit het eigen winkeltje aan een deelonderwerp. Dit komt de effectiviteit niet ten goede. Overigens spreekt bijna iedereen van bezuinigingen, meestal met het argument dat de kosten voor de gezondheidszorg en sociale zekerheid uit de hand lopen, maar het gaat in wezen om doorsluizen van geld naar de rijken.
Scheidslijnen
Kenmerk voor de neoliberale politiek is dat de reeks bezuinigingsmaatregelen uitmondt in een verdeling langs verschillende scheidslijnen, zoals sociale zekerheid, huurders en eigen huisbezitters. Maar ook tussen mensen met een flexibel en een vast contract, verschillende leeftijden en in verloederde en gegoede buurten. Voor al die groepen worden specifieke maatregelen getroffen. Ze reageren met de oprichting van categorale organisaties die een deelaspect van de neoliberale politiek bestrijden, met het risico dat ze hun deelbelangen ten koste van andere doorzetten.
Deze ontwikkeling is al sinds de jaren zeventig aan de gang. Zo zijn er tientallen patiëntenverenigingen die zich richten op uitwisseling van ervaringen over een bepaalde ziekte, maar ook op specifieke belangenbehartiging. Ze treden in overleg met de subsidiërende overheid en geven in cliëntenraden en adviesorganen commentaar op de gestage stroom beleidsnota’s die de politieke bureaucratie produceert. Waarna de aangekondigde maatregelen, specifiek voor een bepaalde groep, worden bijgeschaafd.
Van onderen
In het verleden hebben meerdere groepen geprobeerd die verdeeldheid te doorbreken. Maar gezien de effectiviteit van de acties, vraag ik me af of we iets dergelijks opnieuw moeten nastreven. Deze kwestie heb ik onder meer voorgelegd aan het Steunkomitee sociale strijd in Amsterdam. Mijn twijfels werden door sommigen gedeeld met als kanttekening dat eerdere pogingen tot samenwerking waren mislukt. Op een eerste vergadering bleken zo’n vijftig mensen van verschillende organisaties te komen, planden een actie, maar bij het vervolg nam de deelname af en zakte het initiatief in. Voorbeelden: Keer het Tij, Rekening Retour en het comité Hete Herfst.
Als verklaring gold dat het uitgangspunt verkeerd was. Vertegenwoordigers van organisaties samenbrengen, als het ware van bovenaf, werkt niet. Nodig is ‘van onderop’ beginnen, de dagelijkse strijd van mensen in hun werk of elders ondersteunen, waarna zich duurzame relaties vormen en een volgend stapje mogelijk is. Het is bijvoorbeeld al heel wat om acties van thuiszorgmedewerkers tegen de ontslagen en bezuinigingen en voor betere arbeidsomstandigheden te koppelen aan de strijd van zorgconsumenten voor goede verzekeringen en toegang tot zorg en tegen afbraak van de zorgtoeslag.
Aan deze verklaring werd toegevoegd dat het vandaag mensen aan een perspectief ontbreekt, zoals vroeger het socialistisch ideaal. Het ontbreekt aan een analyse van de maatschappij die het streven naar een betere samenleving als een soort overkoepelende ideologie verbindt. Verbanden tussen deelterreinen blijven uit, geloof in succesvolle acties lijkt verdwenen. Abstracties mobiliseren echter niet, wel voortborduren op deelsuccessen en van daaruit proberen tot een verbreding te komen. Dit zijn overigens losse opmerkingen tijdens een discussie en geen ‘officieel’ standpunt van het Steunkomitee.
Doorbraak
Hoewel ook ik de zwakten van samenwerking heb ondervonden, onderschrijf ik de genoemde verklaring slechts gedeeltelijk. Deelstrijd als uitgangspunt nemen, wel of niet van onderop, en van daaruit naar samenwerkingsverbanden streven, biedt ook geen perspectief. In de discussie met het Steunkomitee sociale strijd kwam de opmerking dat de concrete acties van verschillende groepen (gemeentelijk vervoer, schoonmaak, enzovoort) steun kregen, maar dat de onderlinge verbinding en de continuïteit moeilijk vast te houden bleken. Volgens mij is de eindeloze opsplitsing van de bevolking in deelbelangen en van daaruit de strijd voeren, een aspect van de neoliberale verdeel- en heerspolitiek. En niet wat veel mensen willen. Want al die deelbelangen en verdelende maatregelen komen in het individu samen: je wordt niet alleen op je werk geconfronteerd met verslechteringen, nee, de huur gaat omhoog, het recht op thuiszorg bij ziekte wordt afgeschaft, het buurthuis verdwijnt, de eigen bijdrage voor medicijnen gaat omhoog, enzovoort.
In Duitsland wordt al enige jaren geprobeerd de verdeeldheid te doorbreken door uit te gaan van de dagelijkse leefwereld van mensen. Een verband leggen tussen de verschillende beleidsaspecten en tegelijkertijd de suggesties van lokale bestuurders ontmaskeren dat het allemaal door ‘Berlijn’ of ‘Europa’ komt. Dit wordt de beweging “Recht auf Stadt” genoemd die bijvoorbeeld in Hamburg krachtig is.
Deze initiatieven zijn een onderdeel van een al langer bestaand wereldwijd netwerk, waarbij stedelijke bewegingen vanuit het principe ‘de stad is van ons’ de bestaansvoorwaarden van de bewoners in brede zin aan de orde stellen. Daarbij gaat het om bouwprojecten, woningbouw, huren en planning van de openbare ruimte, maar ook om het recht op toegang tot sociale zekerheid, om burgerrechten, arbeidsomstandigheden in bedrijven, buurtvoorzieningen, enzovoort.
Suggesties
Belangrijk punt bij deze beweging, die overigens verschillende uitwerkingen kent, is dat ze een verband legt tussen wat mensen individueel in hun leven tegenkomen. Dus gericht op de samenhang tussen de vele verslechteringen op sociaal gebied en het belang van collectieve actie. Soms komt die samenhang enigszins ‘spontaan’ tot stand, bijvoorbeeld als de sluiting van een bedrijf grote (sociale) gevolgen heeft voor de lokale gemeenschap waardoor niet alleen de arbeiders van de fabriek maar de gehele bevolking geraakt wordt.
Die samenhang is ook explicieter en misschien duurzamer te organiseren door de opzet van laagdrempelige spreekuren. Op basis van de daar binnenkomende informatie kunnen groepen mensen bij elkaar komen om een probleem collectief aan de orde te stellen en het individuele te politiseren. Daarbij kunnen de oude SP-initiatieven van medische wijkcentra een voorbeeld zijn. Ik hoop dat de aandacht die de ‘nieuwe vakbeweging’ lijkt te hebben voor het niveau van wijk en stad ook kansen biedt. Want het is bij het ontstaan van stedelijke bewegingen, die zich als een olievlek kunnen uitbreiden, van belang dat grote organisaties met een duurzame structuur zich solidariseren met degenen die het moeilijkst zitten. Dan zal blijken dat ook deze laatste groep in actie kan komen en deel uitmaken van een grote sociale beweging.
Ik denk dat zo’n beweging zich kan versterken en als een overkoepelende identiteit verschillende groepen kan samenbrengen. De vraag is echter of dit op de korte termijn soelaas biedt, gezien de stedelijke wijken met rijken en armen en de uiteenlopende belangen in bijvoorbeeld het parkeerbeleid en de stadsplanning. In relatie met de neoliberale politiek hangt het er ook vanaf in welke mate de deelmaatregelen in een groeiende stapeling op individuen, arbeiders, gezinnen en buurtbewoners afkomen en de verdeel- en heerspolitiek zullen uitputten en er perspectieven ontstaan voor gebundeld en effectiever verzet.

]]>

maandag 31 december 2012

In de media in 2012

Interview met mensen in de bijstand op het spreekuur van de Bijstandsbond over de inkomensafhankelijke zorgpremie. – Radio 1 journaal NOS. 02-11-2012. Live.

Overheid mag binnenvallen – Leeuwarder Courant, 05-10-2012. Anoniem

koos werkloos?. De geweldige dag van Willem Holleeder, het RAAK-principe en – Volkskrant, 18-10-2012. Anoniem.

 Lokale lasten als inkomenspolitiek. – Binnenlands bestuur, 08-06-2012. Marieke Prins. 

Privacy? Die is toch allang geschonden – Trouw, 14-03-2012. Joris Belgers

Naar schatting 3000 Amsterdamse gezinnen dreigen op zeer korte termijn een aanzienlijk deel van hun uitkering kwijt te raken. AT5 TV, item in het nieuws. 26-02-2012Januari: run op uitkeringen – Metro, 23-01-2012. Ellen Waaijer ]]>

vrijdag 21 september 2012

Wat zullen de gevolgen zijn van de verkiezingen en een nieuwe regering van PvdA en VVD

De verkiezingen zijn achter de rug. Velen hebben wat ze noemen “strategisch” gestemd, op de PvdA of omgekeerd op de VVD, hoewel ze het eigenlijk eens zijn met bijvoorbeeld de SP of de PVV. Het gevolg kennen we. Twee hele grote partijen, een liberale en een sociaal-democratische, die op elkaar aangewezen zijn. Terwijl ik dit schrijf, is de neo-liberale VVD-havik Henk Kamp benoemd tot verkenner. Dat geeft al aan waar de kabinetsformatie toe zal leiden: het in misschien iets andere bewoordingen en accenten voortzetten van het neo-liberale beleid van het kabinet Rutte I.

In feite zijn de sociaal-democratische bestuurders van de PvdA al enige tijd bezig om het neo-liberale beleid met een nieuw ideologisch sausje te overgieten, op een manier die kan aansluiten bij het gehak van Kamp en de zijnen op de mensen die het het minst breed zitten, zoals bijstandsgerechtigden. Door het nieuwe kabinet zullen onder impuls van de sociaal-democraten wat fooien van enkele honderden miljoenen euro’s worden uitgedeeld voor de groepen aan de onderkant van de samenleving, bij alle bezuinigingen van vele miljarden. Die fooien zijn zogenaamd gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid van mensen, maar dienen vooral om hen weerbaarder te maken in de concurrentiestrijd met anderen. En er zal een hernieuwd beroep gedaan worden op “het maatschappelijk middenveld”, de buren en de familie om al dan niet verplicht de mantelzorg of de verdere verzorging van naasten via onbetaald werk op zich te nemen, onder het motto: eigen verantwoordelijkheid is belangrijk. Dat gaat gepaard met bezuinigingen op buurtvoorzieningen, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en de professionele hulpverlening. Lokale sociaal-democratische bestuurders brengen het nieuwe beleid al in praktijk en zullen beperkte bedragen uit Den Haag krijgen om hun beleid voort te zetten. Via het zogenaamde welzijnswerk nieuwe stijl, dat samengaat met forse bezuinigingen op allerlei voorzieningen en met het ontslag van veel buurthuis- en welzijnswerkers, wordt een beperkte hoeveelheid geld voor de arme buurten uitgetrokken, waarbij de bal bij de bewoners wordt gelegd. Zij moeten initiatieven nemen en geactiveerd worden om iets te organiseren en daar al hun vrije tijd in steken. Buurthuismedewerkers die voor het buurthuis een programma kunnen opzetten, zijn er steeds minder, sterker nog, als ze er nog wel zijn, mogen ze niets doen, behalve “procesbegeleiding”. De beperkte bedragen die zullen worden uitgetrokken voor “de begeleiding” van burgers en de bevordering van zelfredzaamheid en kansen, zullen vooral fungeren als disciplineringsinstrument om de mensen aan de onderkant van de samenleving, die geen perspectief hebben op een beter bestaan, in het gareel te houden, zoals tot nu toe is gebeurd onder lokaal bestuur van sociaal-democratische huize. Die mensen worden gedwongen om de onderbetaalde flexibele baantjes te nemen die de in concurrentiestrijd verwikkelde bazen hen toewerpen.

Deze kritiek is niet nieuw. Ik heb hem vele malen geventileerd en samen met mij gelukkig vele andere criticasters. Heeft dat eigenlijk wel echt effect gehad? Het blijkt ook dat velen vinden dat ik het te somber zie. Ze zeggen dat de PvdA in het nieuwe kabinet toch wel de bezuinigingen op de zorg zal verminderen, dat er geen hogere eigen bijdragen komen, dat de uitkeringen en het minimumloon niet omlaag zullen gaan, dat de sociaal-democraten versoepeling van het ontslagrecht zullen tegenhouden en nog meer mooie dingen. Ik ben wat dat betreft somberder, zeker als de crisis doorvreet. Waar het mij om gaat, is dat op sommige punten het beleid misschien wat minder rechts zal zijn, maar dat het uitgangspunt van Rutte I – het vooral treffen van mensen aan de onderkant van de samenleving, in de bijstand, de Wajong, de WSW en de WW – zal worden voortgezet. Misschien dat in de publieke opinie figuren als Kamp en andere VVD-ers hun toon in ideologische zin wat zullen matigen en dat het beleid zal worden overgoten met sociaal-democratische prietpraat over het stimuleren van zelfontplooiing, eigen verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en burgerschap. Maar ik vraag me nu voor mezelf af hoe ik hier op zal moeten reageren. Het bovenstaande negatieve verhaal zal niet erg aanslaan, denk ik, hoe waar het in mijn ogen ook is.

Reformisme

Laten we het verder eens hebben over hoe sommige pleitbezorgers van een linkse politiek, die teleurgesteld zijn in het beperkte verkiezingsresultaat van de SP, de zaak analyseren. Wat in die kritiek op de verkiezingscampagne van de SP naar voren wordt gebracht, is onder meer het argument dat de SP haar onversneden linkse standpunten beperkt heeft geventileerd, en dat Roemer zich richtte op de mogelijkheid van regeringsdeelname of zelfs leiding van de regering, een strategie op basis van de peilingen tot drie weken voor de verkiezingen, toen de SP boven de 30 zetels stond. Daarbij begon hij al bij voorbaat SP-standpunten in te leveren, zoals de leeftijd waarop je met pensioen gaat. Die strategie zou zijn mislukt, aldus de critici, die ervoor pleiten om terug te keren naar de vroeger gebruikelijke linkse politiek: samen met sociale bewegingen van onderop nieuwe organisatiestructuren en op termijn massale buitenparlementaire oppositie opbouwen. Daarin kan het parlementaire werk een rol spelen, maar de strijd op het Binnenhof is niet het enige of het belangrijkste. De SP zou haar aanhang hebben verloren omdat de partij de van oudsher gangbare weg (binnen- en buitenparlementaire strijd hand in hand) althans gedeeltelijk verlaten zou hebben. Ook deze kritiek is in mijn ogen een herhaling van zetten, net als mijn eigen visie. Dat soort verhalen heeft geen effect, althans te weinig. Hoe komt dat?

Mijns inziens omdat we er onvoldoende in slagen om een perspectief naar voren te brengen voor een andere politiek. Het gebrek aan succes van de SP komt volgens mij niet zozeer voort uit een tegenstelling tussen reformisme en meer radicaal-linkse politiek, want ook Samsom is een reformist en hij had juist heel veel succes. Ik denk dat de PvdA-voorman er in de media gewiekster dan Roemer in is geslaagd om althans de schijn van een – gematigd – links perspectief voor het voetlicht te brengen. Nederland sterker en socialer, en dat met de PvdA in de regering. Roemer is daar niet in geslaagd. Enerzijds bleef de SP vasthouden aan linkse standpunten en de verschillen benadrukken met rechtsere partijen, en zei de SP-voorman voorstander te zijn van een linkse regering, met een links blok, terwijl het zonneklaar was dat links samen nooit meer dan 60 zetels zou halen en gedwongen zou zijn om op zijn minst met het midden en zelfs met de VVD te regeren, die Roemer vrijwel uitsloot. Anderzijds schoof hij qua standpunten op naar het midden en durfde hij in de discussies een zeer kritische analyse van de banken- en economische crisis niet te maken, terwijl Samsom dat wel deed, om zo een regering van links-centrum dichterbij te brengen, waarop andere partijen reageerden met: we gaan nooit met de SP regeren. Zo opereerde Roemer tegenstrijdig en zonder perspectief, waar de andere partijen in het midden en op rechts graag gebruik van maakten om de SP buiten spel te zetten. Zowel het streven naar een meer radicale politiek als het reformisme falen wanneer er geen perspectief op realisering is. Dat hoeft geen perspectief op korte termijn te zijn, en je hoeft er ook niet de meerderheid voor te hebben. Maar het gaat om een perspectief op de langere termijn, op basis van een analyse van de maatschappelijke ontwikkelingen en krachtsverhoudingen. En ook radicaal-links biedt dat perspectief momenteel in mijn ogen niet, sterker nog, het versterkt in bepaalde opzichten haar eigen machteloosheid.

Intimidatie

De utopie die door radicaal-links voor het voetlicht wordt gebracht heeft twee kenmerken. Ten eerste worden de misstanden in de samenleving fel bekritiseerd. Ten tweede wordt een schets gegeven van een mooie samenleving, met de opbouw van een organisatie van onderop. Hoe juist dit allemaal ook is, daarmee heb je nog geen breder perspectief dat grotere groepen kan inspireren om in verzet te komen. Sterker nog, als dat perspectief ontbreekt, kunnen de twee punten tegen je werken. Mensen raken gefrustreerd als ze de beschrijvingen lezen van wat er allemaal slecht is. Ze gaan zich machteloos voelen, omdat ze het idee hebben dat ze er niets tegen kunnen doen. Dreigen met hel en verdoemenis, met de ecologische en klimaatcrisis, de energiecrisis, de armoede, dat werkt niet. En als ze alle mooie doelstellingen lezen, raken ze ook gefrustreerd, omdat ze het gevoel hebben dat het nooit bereikt zal worden. “Wees toch realistisch”, zeggen ze dan.

Om perspectief te ontwikkelen zullen we meer moeten uitgaan van een analyse van de maatschappij, waarbij we laten zien dat er grote kansen zijn op positieve verandering. Maar hoe doe je dat? Ik weet het ultieme antwoord ook niet. Laat ik om wat dichterbij het antwoord te komen, als voorbeeld nemen de perspectieven van bijstandsgerechtigden, die het met het nieuwe kabinet in mijn ogen zwaar zullen krijgen. Al jaren circuleren op internet verhalen over misstanden op dit terrein, onder meer op het gebied van de reïntegratie-industrie, waar bijvoorbeeld Jacqueline Grosman jaren geleden al aandacht aan heeft besteed. Maar dat veroorzaakt geen langer durende opschudding. Wel is het beleid wat veranderd, waardoor bijvoorbeeld minder particuliere reïntegratiebureaus worden ingeschakeld. Ook zijn er diverse pogingen geweest om werklozen in de reïntegratie-industrie te organiseren. Dat is niet gelukt. De verdeel- en heerspolitiek en de intimidatiestrategie die overal wordt toegepast, is erop gebaseerd dat de bijstand het laatste vangnet is. Daarna is er niets meer, dus het dreigen met en het opleggen van strafkortingen op de uitkering vormt een zeer effectief wapen. Vooral omdat veel uitkeringsgerechtigden in een dwangpositie verkeren, om het zo maar te zeggen. Ze zijn vader of moeder van een klein kind, ze zitten in de schuldsanering waar ze uitvliegen als ze een maand geen uitkering hebben, ze zijn verplicht om met behoud van uitkering te werken, op straffe van korting op de uitkering, enzovoorts.

Als die dreiging minder zou zijn, dan zou ook de effectiviteit van de intimidatie minder zijn, denk ik. In dit verband is het mijn ervaring als medewerker van de Bijstandsbond dat het bijstandsgerechtigden, wanneer ze het echt niet meer trekken en wel moeten gaan procederen tegen de gemeente, in zeer veel gevallen lukt om de kortingen en stopzettingen van tafel te krijgen. Wat daarbij in Amsterdam opvalt, is dat er bij de Dienst Werk en Inkomen een soort concurrentiestrijd gaande lijkt te zijn tussen de afdeling Juridische Zaken, die strikt volgens de wet wil werken, en de afdeling strategisch beleid, waar ze als het ware het onderdrukkingsregime in de vorm van projecten ontwerpen. Juridische Zaken wil soms bepaalde beleidsmaatregelen verwerpen omdat die voor de rechter geen stand zullen houden, terwijl Strategisch Beleid voorbij de bestaande regelgeving wil komen en daar gaten in wil schieten Er zijn echt fricties tussen die afdelingen. Het gaat dus niet om een eenduidige en feilloos verlopende onderdrukkingsmachinerie. Ook is het niet zo dat de klantmanager van een protesterende bijstandsgerechtigde altijd denkt: “Die lastpost ga ik eens flink pakken, want die zit me dwars”.

Panopticum

In dit verband moet ik denken aan het boek “Paria’s van de stad” van Loïc Wacquant, dat ik aan het lezen ben. Daarin staat dat het negativisme van de mensen in het getto en in de banlieus van bijvoorbeeld Frankrijk de relatie met de macht structureert. Ik moest daar lang over nadenken. Ik denk dat hij bedoelt dat de bewoners van het getto de mensen om hen heen buiten het getto en de maatschappij die daar bestaat, zeer negatief beoordelen, en steeds negatieve beschrijvingen erover ventileren. Daarmee benoemen ze de onderdrukking door de politie en alles dat daarmee samenhangt, onbewust als een perfect systeem waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Dit bevordert en bevestigt de machtigen en hun macht, die zo alleen bestreden kan worden met individuele amok of criminaliteit. Hetzelfde mechanisme komt bij bijstandsgerechtigden voor. Wanneer ze vertrouwelijk met elkaar praten, dan komen alle onderdrukkingsaspecten voorbij, de fouten, het schandelijke gedrag van klantmanagers, het falen van de politieke bestuurders, de bankdirecteuren en hun bonussen, die niet aan banden worden gelegd maar zij zelf wel, de racistische werkmeesters, enzovoorts. Aangewakkerd door de publiciteit die de VVD en de PVV altijd krijgen over het streng aan het werk zetten en criminaliseren van uitkeringsgerechtigden, waar veel mensen heel emotioneel op reageren. Daarmee wordt het bestaan van een onderdrukkingssysteem waaruit geen ontsnappen mogelijk is, bevestigd en daarmee ook de almacht van de machtigen. Je kunt in elk geval in het openbaar maar beter doen wat ze zeggen, al is het maar voor de schijn. Er is immers geen andere uitweg, zo lijkt het.

Eerder heb ik in navolging van Wacquant en anderen het regime in de bijstand beschreven als een sociaal panopticum, als het gevoel constant in de gaten te worden gehouden, het gevoel dat de Sociale Dienst alomtegenwoordig is, aangewakkerd door berichten over bewakingscamera’s, het bespieden van uitkeringsgerechtigden en het opsporen van frauderende werklozen. Er schiet me nu te binnen dat al die berichten over opgepakte fraudeurs bewust onderdeel uitmaken van wat men “preventief beleid” noemt om fraude te voorkomen. Het publiciteitsbeleid van gemeenten is erop gericht om werklozen die geld nodig hebben, ervan te doordringen dat ze maar beter geen zwart werk kunnen doen, omdat de pakkans groot zou zijn. Het zou een idee kunnen zijn om te onderzoeken hoe dat preventieve beleid in elkaar zit, ook ten aanzien van dwangarbeid en allerlei andere werkprojecten, en om na te gaan in hoeverre gemeenten dat beleid ook doelbewust uitstippelen. Dat beleid draagt ook bij aan het sociaal panopticum. Ook al hebben bijstandsgerechtigden weinig contact met de Sociale Dienst, bijvoorbeeld maar eens in het half jaar, toch is die dienst constant in hun gedachten. Misschien wel iedere dag, wanneer ze nadenken over strategieën voor het geval dat: “Wat moet ik doen als….?” In het verlengde daarvan staan ontwikkelingen als medicalisering en juridisering van pogingen van werklozen om ontsnappingsroutes te vinden uit het sociaal panopticum. Op elk spreekuur van de Bijstandsbond komen uitkeringsgerechtigden binnenlopen en beginnen ze te praten over het nieuws. Dat zit velen hoog. “Heb je gisteravond in Pauw en Witteman gezien dat…? Het is toch een schande dat er zo over ons wordt gepraat!” Veel werklozen die het spreekuur bezoeken, vragen zich af: “Ik heb een oproep voor een gesprek gekregen, wat kan ik verwachten, wat willen ze, wat houdt dat werkproject in, hoe moet ik mij opstellen?”

Actieperspectief

Ik ben mij er pas de laatste tijd van bewust dat ik ook veel artikelen heb geschreven waarin ik de maatschappelijke onderdrukking beschrijf als een systeem waaruit geen ontsnappen mogelijk is. En dat ik daarmee naar de mensen toe niet helemaal goed communiceer in de zin dat ik zelf een eventueel actieperspectief om zeep help. Omdat bij al die beschrijvingen van het sociale panopticum de mensen denken: “Ja, het is een vreselijke onderdrukkingsmachine, ontsnappen is niet mogelijk, we kunnen maar beter doen wat ze zeggen”. Ik denk nu dat je de mensen ook duidelijk moet maken dat het geen perfect systeem is, dat er breuklijnen, tegenstrijdigheden en disfunctioneren in zitten. Daarmee kun je voor jezelf en anderen een actieperspectief creëren. Je kunt op zoek gaan naar de achilleshielen van het staatsapparaat en de tegenstrijdigheden in het systeem tegen elkaar uitspelen. Het grote voordeel van lokale acties is dan dat je het heel gedetailleerd concreet kunt maken, gekoppeld aan concrete personen, afdelingen, enzovoorts. Dat doen ze bij het organizen ook, heb ik begrepen. Eerst uitzoeken hoe een bedrijf in elkaar zit, welke hiërarchie er is, wie de sleutelpersonen zijn, van wie bepaalde beslissingen het meeste afhangen, dus: op wie we ons op welke manier moeten richten. Dat is een van de succesfactoren van die formule, denk ik. Maar ze hebben er bij het organizen miljoenen euro’s tegenaan gegooid, waarbij professionele krachten in dienst worden genomen die een en ander uitzoeken. Ik zie dat vrijwilligersorganisaties zonder geld niet zo gauw doen. Veel van die vrijwilligers zien het belang er ook niet van in, denk ik. Het is vrij moeilijk om die informatie boven water te krijgen. Blijkbaar lopen er in het onderdrukkingssysteem mensen rond die het eigenlijk allemaal ook te ver vinden gaan, maar die kritiek intern houden en uiteindelijk toch meewerken. Als ik zie hoe de advocaat van de Bijstandsbond opereert, die zich gespecialiseerd heeft in de Bijstandswet en alles dat daarmee samenhangt, dan zijn er veel mogelijkheden en hebben werklozen wel degelijk in het huidige systeem “hogerop”, bij andere ambtenaren of bij de rechter rechten. Het valt me daarbij op dat hij aan zaken denkt en uitwegen ziet die ik als niet-academisch geschoolde medewerker op juridisch gebied niet zie. Dat levert een dilemma op. Aan de ene kant moet je bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden die op een dwangarbeidcentrum werken en die ziek zijn, erop wijzen dat ze wel degelijk rechten hebben en dat ze, als ze bezwaar maken, een grote kans hebben om gelijk te krijgen, met een goede advocaat. Als er dan mensen zijn bij wie dat is gelukt, dan vergroot dat het actieperspectief. Aan de andere kant moet je mensen ook geen zaken voorspiegelen die niet kloppen. Je moet hen geen hoop bieden, als achteraf blijkt dat ze toch de pineut zijn, ook voor de rechter.

Ik ben er niet uit wat dit nu betekent voor de manier waarop ik communiceer over het sociale panopticum en de dwangarbeid. Ik wil het kritisch veroordelen, die dwangarbeid, en beschrijvingen geven die laten zien hoe slecht het is. Aan de andere kant wil ik het ook weer niet beschrijven als een gesloten systeem waaruit geen ontsnappen mogelijk is, want dan bevestig je zonder het te willen de macht van de machthebbers en help je je eigen actieperspectief om zeep. Misschien moeten we meer de breuklijnen, tegenstrijdigheden en onvolmaaktheden van het panopticum benoemen en daarmee de perspectieven op verandering benadrukken. Weer meer naar de domme autoriteiten die zich belachelijk gedragen en hen ook belachelijk maken. Waarbij een breed scala aan middelen een rol kan spelen, van analyses tot politieke cartoons, en waarbij we kunnen broeden op strategieën om daar ook lokaal daadwerkelijk op in te spelen.

Piet van der Lende]]>