pagina's

vrijdag 24 maart 2017

Petitie voor het Domela Nieuwenhuis Museum

 hspace=Petitie voor het Domela Nieuwenhuis MuseumDeze petitie willen we aanbieden aan het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Heerenveen om aan te tonen dat ons bezwaar tegen de bezuiniging een breed maatschappelijk draagvlak heeft.Hou Domela in Heerenveen!De petitie is succesvol verlopen. Door deze en andere acties in Heerenveen heeft het gemeentebestuur besloten, de bezuinigingen terug te draaien. Domela blijft in Heerenveen en het museum blijft open!Begeleidende tekst van de petitie: Het gemeentebestuur van Heerenveen is van plan om de subsidie voor het Museum Heerenveen, waar het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum deel van uitmaakt, voor een tweede maal fors te verkleinen. Werd deze een paar jaar geleden al met 92000 euro verlaagd, nu moet daar nog eens 65000 euro van af. Daarmee houdt het museum een budget van 100.000 euro over. Het bestuur van het Museum heeft duidelijk gemaakt voor dat bedrag geen erkend museum in stand te kunnen houden. Het Museum Heerenveen zal dus gaan sluiten en dat betekent dan ook sluiting van het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum in Heerenveen. Het gevolg hiervan zal zijn dat de collectie van het Domela Nieuwenhuis Museum uit Friesland gaat verdwijnen.Het Domela Nieuwenhuis Museum is een van de weinige persoonsmusea en zeker ook een van de oudste in de wereld gewijd aan iemand uit de arbeidersbeweging. Het bestaat sinds 1925 en richt zich niet alleen op het leven van Domela Nieuwenhuis, maar ook op diens ideeën. Het wil uitdrukkelijk het politieke en sociale bewustzijn van de bezoeker aanspreken.Het museum is in Heerenveen bij uitstek op zijn plaats. Heerenveen was immers de hoofdplaats van het district Schoterland, dat in 1888 met Domela Nieuwenhuis de eerste socialist naar de Tweede Kamer stuurde. Zijn eerste daad daar was aandacht vragen voor de slechte levens- en werkomstandigheden van de veenarbeiders. Het museum kan zo op een heel concrete manier bijdragen aan het verhaal van Heerenveen, dat het gemeentebestuur zo graag wil vertellen, en dat niet alleen beperkt kan blijven tot de rijke heren van Oranjewoud of de aanwezigheid van de Oranjes aldaar. Daarnaast completeert het museum prachtig het aanbod van de musea in Gorredijk en Nij Beets, die zich richten op de geschiedenis van Opsterlân (inclusief de vroege socialistische beweging aldaar) en op de geschiedenis van de vervening.Sluiting van het Domela Nieuwenhuis Museum zou voor de gemeente Heerenveen betekenen dat het niet alleen een boeiend museum gewijd aan een van de belangrijkste Nederlandse socialisten en anarchisten kwijtraakt, maar ook een mooie kans om het verhaal van Heerenveen compleet te maken. Daarnaast biedt Domela Nieuwenhuis een mooie gelegenheid de geschiedenis van Heerenveen te verbinden met de landelijke en internationale geschiedenisTeken de petitie nu!http://ferdinanddomelanieuwenhuis.nl/petitie/]]>

dinsdag 7 maart 2017

Politiek

Accelerationisten voor robotisering en tegen het arbeidethos

Accelerationisme, wat is dat nu weer? De accelerationisten of “versnellingsaanhangers” worden zo genoemd, omdat ze vinden dat detechnologische ontwikkelingen best sneller zouden kunnen verlopen. Datkan volgens hen veel sneller en vooral: heel anders. Er zijnconservatieve en progressieve accelerationisten. Het boek “Inventing the future”, geschreven door Nick Srnicek en Alex Williams, behoort tot deprogressieve stroming. Uit het boek blijkt dat automatisering enrobotisering helemaal niet zo snel gaan als wel zou kunnen. Zo is in deindustrie in de VS nog maar in tien procent van de bedrijven een robotingevoerd, terwijl dat in andere fabrieken ook wel zou kunnen.

Vooralsnog is het voor de kapitalisten echter goedkoper om mensen het werk te laten doen, vanwege de lage lonen en de flexibilisering van dearbeid. De accelerationisten eisen dat zoveel mogelijkproductieprocessen zoveel mogelijk worden gerobotiseerd. Maar hetkapitalisme en de wetmatigheden die daarbij gelden, zit dat strevenflink in de weg.

Utopie

In het boek wordt gesteld dat een links programma met perspectief er als volgt uit moet zien:
1. volledige werkloosheid en volledige robotisering van alle productieprocessen eisen;
2. felle kritiek leveren op het westerse arbeidsethos, waarbij betaaldwerk wordt beschouwd als zaligmakend en de enig mogelijke bron vanontplooiing en inkomensvoorziening;
3. de invoering van een universeel leefbaar basisinkomen;
4. drastische arbeidstijdverkorting met behoud van loon, waarbij devoorkeur van de auteurs uitgaat naar verlenging van het weekend,bijvoorbeeld met een vrije vrijdag als begin.
Een onhaalbare utopie, niet te betalen, droom maar lekker verder en ditwordt niks? De auteurs betogen dat links zijn utopisch perspectief iskwijtgeraakt, en dat dit een van de oorzaken voor haar teloorgang is.Zij leggen dat uit aan de hand van een analyse van de opkomst en detriomf van het neo-liberalisme. Aanvankelijk was dat een obscurestroming in de economie en vormde het keynesianisme de dominantehoofdmoot. Maar vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw bouwden deneo-liberalen vanuit de Mont Pellerin Society geduldig aan eeninfrastructuur die hun ideeën over de hele wereld moest verspreiden endie het neo-liberalisme hegemoniaal moest maken. Daarbij speeldendenktanks een belangrijke rol.

De neo-liberalen hebben zich in eerste instantie niet gericht op degrote groep, maar op de elites die de landen besturen. Diemaatschappelijke bovenlaag moest worden overgehaald. Er werdenonderzoeksinstituten opgericht of geïnfiltreerd, waarbij de aanhangersvan de neo-liberale theorieën hun gedachtegoed als de enige oplossingnaar voren schoven, op basis van ‘wetenschappelijk’ onderzoek. Toenbegin jaren tachtig van Thatcher en Reagan aan de macht kwamen, haddende neo-liberalen aan de zijlijn al meer dan vijftien jaar geduldiggewerkt aan de opbouw van hun infrastructuur. De argumentatie en deframing van belangrijke koppelingen, zoals neo-liberalisme + vrijheid =dynamische vooruitgang, lagen klaar voor de wereldleiders, die datvervolgens hegemoniaal hebben gemaakt.

De neo-liberale denktanks bekommerden zich aanvankelijk niet om dehaalbaarheid van hun plannen. Nadat ze een deel van de elite haddenovergehaald met gemakkelijk te lezen neo-liberale utopieën in kortegeschriften, richtten ze zich op de rest van de bevolking, waarbijsteeds meer mensen overtuigd raakten van de juistheid van de theorieënen waarbij het onderwijs een belangrijke rol speelde. De denktanksorganiseerden uitgebreide opleidingen voor studenten aan deuniversiteiten, de toekomstige managers. Overtuigd van de neo-liberaleopvattingen gingen die verder met het verspreiden ervan. Ze zagen deutopieën als een soort stip aan de horizon waar naartoe gewerkt moestworden en waarbij alle tussenstappen aan de hand van die stip aan dehorizon beoordeeld moesten worden. De neo-liberalen waren aanvankelijkzeer verdeeld over diverse al dan niet te nemen maatregelen. Ze bouwdenaan een flexibele theorie waarin voor verschillende stromingen van hetneo-liberalisme plaats was, vanuit de utopieën die ze ontwikkelden.

Surplus aan ‘overbodigen’

Wat betekent de inzet van nieuwe utopieën op basis van de genoemdeeisen voor de actualiteit? De neo-liberalen analyseerden de economischeen sociale ontwikkelingen in de jaren zestig en zeventig, toen weinigennog van het neo-liberalisme hadden gehoord. Ze constateerden dat hetkeynesianisme geen antwoorden had op ontwikkelingen in het kapitalismedie toen aan de gang waren. Er was stagflatie, inflatie met een groeivan de massawerkloosheid. De neo-liberalen dachten erover na hoe ditprobleem via hun theorieën kon worden gemanaged. Dat versterkte desuggestie dat hun opvattingen moesten worden doorgevoerd.

Naar analogie van de neo-liberalen analyseren de auteurs van“Inventing the future” de huidige problematiek. Wereldwijd is er sprakevan de groei van een surplus aan potentiële arbeidskrachten, die omdiverse redenen niet meer door de kapitalistische productie kunnenworden opgenomen. Er is een groeiende groep ‘overbodigen’, die niet meer via de koninklijke weg van de betaalde arbeid in hun onderhoud kunnenvoorzien. De politiek van de staat bestaat eruit om deze steedsgroeiende groep economisch ‘overbodigen’ te managen, eronder te houden,te reguleren vanuit een oogpunt van openbare orde, zonder het probleemop te lossen. Dat geldt voor wat “economische vluchtelingen” wordengenoemd en de grenscontroles voor de een en toegang vanuit Oost-Europaop de westerse arbeidsmarkt voor de ander. Maar ook voor bijvoorbeeld de bijstandsgerechtigden die onder de Participatiewet vallen. Het managenvan het surplus aan ‘overbodige’ arbeidskrachten heeft deels eenloondrukkende functie en deels een functie voor het bijdragen aan deafbraak van andere arbeidsvoorwaarden en sociale voorzieningen.

Dat surplus kan worden ingedeeld in verschillende groepen. Er zijnmensen die helemaal niets hebben en die zijn aangewezen op de informeleeconomie om te overleven. En er zijn groepen die nog werk hebben of dietoegang hebben tot wat er over is van de sociale zekerheid. De discussie daarover, ook binnen links, blijft hangen in de dagelijkse actualiteitvan relatieve belangentegenstellingen tussen verschillende groepen,waarbij een bijdrage wordt geleverd aan het sleutelen aan hun onderlinge verhoudingen en rechten en plichten, zonder dat te overstijgen om zoeen daadwerkelijke oplossing voor iedereen te vinden. Via een utopischperspectief, zoals de neo-liberalen dat hebben ontwikkeld, weliswaar ineen heel andere richting, moeten we bouwen aan een alternatief dat eenmenswaardig bestaan voor allen opeist. Dan kunnen – net als bij desocialisten voor de Tweede Wereldoorlog – onze tussenstappen wordenbeoordeeld aan de hand van het uiteindelijke doel en de weg ernaar toe.

Horizontalisme

De auteurs van het boek suggereren dat links veel van deneo-liberalen kan leren. Ook wij moeten ons in eerste instantie nietbekommeren om de haalbaarheid van onze oplossingen, maar voorbij dedictatuur van de actualiteit bouwen aan een kennis-infrastructuur,waarbij via platforms van denkgroepen met gebruikmaking van internet enandere moderne communicatietechnologieën de opvattingen en oplossingendie wij voorstaan, langzaam worden verspreid. Daarbij formuleren deauteurs naast de mogelijke eisen die hierboven werden genoemd nog eenpaar uitgangspunten.

De auteurs analyseren niet alleen de klassieke socialistischestromingen, zoals die van invloed waren voor de Tweede Wereldoorlog, ende sociaal-democratie met haar omarming van het keynesianisme, maar ookde nieuwe sociale bewegingen sinds 1968, en de nieuwe bewegingen in meer recente tijd, zoals de mondialiseringsbeweging en de Occupy-beweging.Ze constateren dat die nieuwe sociale bewegingen niet een duurzaamantwoord hebben kunnen formuleren op de teloorgang van de socialistische bewegingen en de sociaal-democratie, en het verval van het communismein Oost-Europa. Ze vragen zich af hoe dat komt.

Daarbij leveren ze kritiek op wat ze noemen “folkpolitics”, volgenshen het uitgangspunt van de nieuwe sociale bewegingen tot nu toe. Watzijn daar de kenmerken van? In de eerste plaats de verheerlijking vanhet horizontalisme. Dat betekent dat verticale organisatiestructuren met een hiërarchische representatie van een achterban door gekozenvertegenwoordigers in een soms bureaucratische organisatie of viaverkozen organen van parlementaire snit werden verworpen. Beslissingenmoeten worden genomen in algemene vergaderingen mer face toface-relaties, waar iedereen een gelijke stem heeft en net zolanggediscussieerd wordt tot er een consensus ontstaat. Er wordt naargestreefd dat niemand in die algemene vergaderingen meer macht heeft dan de ander, en iedere beslissing moet in die algemene vergadering wordengenomen. In de tweede plaats is er volgens de auteurs de verheerlijkingvan het kleinschalige en het lokale. Klein en lokaal is mooi enmilieuvriendelijk, grootschalig en mondiaal is verwerpelijk, leidt tothet slepen met goederen over de wereld, wat zeer milieuvervuilend is.Grootschalige productiestructuren op basis van mondiale productie vanonderdelen van het product worden verworpen.

Organisatiestructuren

De auteurs van het boek zien deze uitgangspunten als deorganisatorische blokkades voor het verder verspreiden van de socialebewegingen tot een machtige stroming, die de ontwikkelingen in de wereld zou kunnen beïnvloeden. Het horizontalisme betekent in veel gevallen in de eerste plaats vaak een impliciete uitsluiting van sommige groepen.Om deel te nemen aan de vaak lang durende algemene vergaderingen bij een actie, zoals een bezetting of een staking, wordt van de deelnemers veel energie en tijd gevraagd. En kennis en vaardigheden om het geheel tekunnen overzien. Veel mensen hebben die tijd, energie, kennis envaardigheden niet, en worden zo uitgesloten.

In de tweede plaats leidt het ver doorgevoerde horizontalisme ertoedat de discussie beperkt blijft tot de situatie van de bezetting zelf en de voortzetting ervan. Dergelijke organisatiestructuren zijn ongeschikt om een antwoord te formuleren op de abstracte en complexe mondialestructuren van nu in het neo-liberalisme en in de kapitalistischeproductie, die alleen begrepen en bestreden kunnen worden door meergeavanceerde organisatiestructuren op te zetten.

De verheerlijking van het lokale en kleinschalige leidt ertoe datgeen samenwerkingsverbanden op grotere schaal ontstaan die gemanagedworden. De Occupy-beweging slaagde er niet in om coalities met anderegroepen aan te gaan en een duurzame coördinatie te bewerkstelligentussen de diverse Occupy-groepen. De auteurs plaatsen verder vraagtekens bij de veronderstelde milieuvriendelijkheid van lokale productie, dievaak als een soort dogma in de milieubeweging wordt gehanteerd. Ze geven voorbeelden van productie die beter mondiaal georganiseerd kan worden.Dit zijn onder meer de redenen waarom de nieuwe sociale bewegingen welsuccessen hebben geboekt bij het doorvoeren van verbeteringen opbescheiden schaal, bijvoorbeeld het openhouden van een bibliotheek, hetaangaan van convenanten met grote bedrijven over de uitgangspunten vande productie of het invoeren van sociale milieuvriendelijkedoelstellingen in een klein deel van de kapitalistische productie doormiddel van kleinschalige milieuvriendelijke productie. Maar diebewegingen zijn er niet in geslaagd om het neo-liberalisme werkelijkfundamenteel uit te dagen en te beïnvloeden. Ondanks de socialebewegingen gingen de neo-liberale ontwikkelingen gewoon door. Datvereist een utopisch perspectief op basis van organisatiestructurenwaarin bureaucratie als neutraal middel, representatie en hiërarchischestructuren ook aanwezig zijn om een effectieve macht voor een beterewereld op te bouwen.

Cyborgs

Na lezing van het boek heb ik wel wat bedenkingen. De verheerlijkingvan de technologische vooruitgang bijvoorbeeld loopt in het boek uit opde veronderstelling dat we open zouden moeten staan voor de ontwikkeling van cyborgs, half mens, half machine. Nou, ik weet het niet, hoor. Datlijkt me toch een idee waar haken en ogen aan zitten. In de tweedeplaats is het maar de vraag of de voorgestelde aanpak van de auteurswerkt. Hun analyse van de opkomst van het neo-liberalisme is een beetjeeen samenzweringsachtige theorie, waarbij een klein obscuur groepjegelijkgezinden door slim manoeuvreren erin zou zijn geslaagd om huntheorie hegemoniaal te maken. De auteurs zeggen in dit verband zelfs dat de kapitalisten eerst helemaal niet waren ingenomen met de oplossingendie de neo-liberalen voorstelden. In hoeverre sloot de theorie dan tochnaadloos aan op de problemen die de kapitalisten ondervonden bij deaccumulatie van hun kapitaal en in hoeverre zal een andere alternatievetheorie, die frontaal tegen die belangen ingaat, dezelfde successenboeken?

“Inventing the future: postcapitalism and a world without work”,Nick Srnicek en Alex Williams. Uitgeverij: Verso Books, € 11,49. ISBN:9781784786229.

Piet van der Lende

]]>

vrijdag 13 januari 2017

Duitse presidentskandidaat van die Linke gaat tekeer tegen het basisinkomen

Hier kun je het artikel lezen.]]>

Nieuwe database over armoede en rijkdom in de wereld met nieuwe cijfers

vvEr is door Thomas Piketty een nieuwe website gelanceerd met grafieken, tabellen en cijfers over de inkomensongelijkheid en de tegenstellingen tussen arm en rijk door de eeuwen heen, de World Wealth and Income Database. Je kunt zoeken op verschillende landen en meer dan 110 onderzoekersvan over de hele wereld onderzoeken 70 landen, ook Nederland. Ik moet zeggen dat de database nog niet goed werkt, hij geeft hier en daar als je zoekt een error. Tegelijkertijd werden de resultaten bekend van een nieuw onderzoek naar de tegenstellingen tussen arm en rijk in de Verenigde Staten. Met een opvallend resultaat: het aandeel van de onderste 50% inkomens is gedaald van 20% tot 12% van het totale nationale inkomen tussen 1980 en 2014, terwijl het aandeel dat naar de de top 1% gaat is gestegen van 11% tot 20% ten opzichte van dezelfde periode. Het gemiddelde jaarinkomen van de onderste is 50% blijven steken op ongeveer 16.000 dollar per volwassene (uitgedrukt in constante dollars 2015), terwijl het gemiddelde inkomen van de top 1% is gestegen van 27 maal tot 81 maal dit bedrag, dat wil zeggen van iets meer dan 400 000 dollar in 1980 tot meer dan 1,3 miljoen dollar in 2014.Je kunt hier het nieuwe onderzoek naar de Verenigde staten vinden.

Dit is de nieuwe database]]>

zondag 8 januari 2017

Verslechterende arbeidsvoorwaarden

Piet van der Lende 1Ook al ligt de invoering van een wettelijk minimum uurloon voorlopig in de ijskast, de recente “Wet tegemoetkoming loondomein” biedt de werkgevers alle ruimte voor een loonkostensubsidie. Dat is een compensatie uit de belastinggelden voor extra loonkosten die het gevolg zouden zijn van sociale maatregelen van minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma, beiden PvdA. Enkele nieuwe cao’s laten zien dat de werkgevers druk op de vakbonden uitoefenen om verslechteringen in de arbeidsvoorwaarden door te voeren.

Afschaffen

In december 2015 volgde na jaren onderhandelen een akkoord over een cao voor de supermarkten dat het CNV wel, maar de FNV niet tekende. Volgens Peter van der Put van FNV Handel pleegden de werkgevers symboolpolitiek met de afschaffing van het jeugdloon voor 22-jarigen. Hun aantal, zo bleek uit een enquête van FNV Young & United, was nihil: slechts 2 procent van de 1.600 respondenten was 22 jaar.Een grote meerderheid wees de cao van de supermarkten af. De toeslag voor werk in de avond of het weekend was afgeschaft. Velen hebben een oproepcontract van minder dan twaalf uur per week. Snippercontracten zijn de norm. Slechts een kwart van het personeel heeft nog een vaste aanstelling, een kwart is jonger dan 22 jaar. Het einde van de jeugdlonen voor 22-jarigen kost Albert Heijn niets. Maar het management wil wel voor de loonkostensubsidie in aanmerking komen. Voor de supermarkten snijdt het mes aan twee kanten: geen onregelmatigheidstoeslagen meer en een gratis loonkostensubsidie.IKEA sloot juni 2016 een cao met de door het bedrijf opgerichte ‘vakbond’. Ook hier versobering en deels afschaffing van toeslagen voor onregelmatige werktijden, koopavonden en zaterdagen en het einde aan het jeugdloon voor 22-jarigen. Ook hier buiten de FNV om. IKEA en andere werkgevers willen van de onregelmatigheidstoeslagen af. Ze noemen die regeling “hopeloos ouderwets”, niet passend bij de 24-uurs economie, iedereen doet ’s avonds en in de weekeinden boodschappen, de oude werkuren zijn uit de tijd.

Werkgeverssubsidies

Maar er is meer. De wetgeving zit zo in elkaar dat werkgevers er alles aan zullen doen loonkostensubsidies binnen te halen door onder de minimum cao-lonen afspraken te maken. Oftewel een functieschaal tot 110 procent wettelijk minimumloon. Zo is een maximale subsidie mogelijk. Een dergelijke regeling is vastgelegd in de Grafimedia cao.Het Sociaal Akkoord van staatssecretaris Klijnsma biedt hulp aan mensen met de allergrootste afstand tot de arbeidsmarkt, dus diegenen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Maar veel gehandicapten, zowel middelbaar als hoger opgeleiden, zijn in staat om aan het minimumloon te komen. Om die reden tellen zij niet mee voor de 125.000 banen die er volgens het akkoord voor 2026 moeten zijn. Werkgevers nemen 100.000 banen voor hun rekening, de overheid 25.000. Een regeling voor mensen die onder de participatiewet vallen, zoals Wajongers en mensen die voorheen werk kregen van de gemeente. In ruil hiervoor krijgen werkgevers loonkostensubsidies, een no riskpolis bij ziekte van werknemers en job coaching.De Grafimedia cao bevat de bepaling dat onder anderen Wajongers met ‘een vermogen tot arbeid’ conform het wettelijk minimum(jeugd)loon mogen worden betaald. De berekening van het wettelijk minimumloon gaat uit van een 36-urige werkweek. Dus wordt voor de doelgroep van de participatiewet een uitzondering gemaakt. Maar over de cao zou wel eens opnieuw onderhandeld moeten worden, want bij een 36-urige werkweek verliezen sommige werkgevers hun subsidievoordeel.

Wanhopigen

Het banenplan van 125.000 biedt echter geen enkel soelaas. De afspraken gelden voor hooguit een kwart van de groep arbeidsbeperkten: degenen die het minimumloon niet halen. De bedrijven zullen buiten de doelgroep van het Sociaal Akkoord geen mensen met een arbeidsbeperking aannemen of alleen onder slechte voorwaarden. En dat, terwijl de toestroom naar de participatiewet van arbeidsongeschikte jongeren nog op gang moet komen. Gebeurt dat, zal de Wajong grotendeels afgeschaft zijn en de Wet sociale werkvoorziening hervormd en ingeperkt. Resultaat: op de arbeidsmarkt een groot contingent wanhopigen die alle voorwaarden van de werkgevers moeten slikken. Klijnsma geeft toe dat de maatregelen uit het Sociaal Akkoord een gigantische verdringing op de arbeidsmarkt betekenen en steeds slechtere arbeidsvoorwaarden.Wat te verwachten is, toont het succes van het bedrijf Flextensie waarvan een werkgever bijstandsgerechtigden kan inhuren voor veelal tijdelijk werk. Zonder enige verplichting, behalve de betaling van een overeengekomen uurtarief aan Flextensie. Dat uurtarief, gebaseerd op het minimum uurloon plus werkgeverslasten, varieert van 11,75 tot 12 euro per uur, maar kan ook lager uitvallen, al naargelang de productiviteit van de werkende. De ‘werknemers’ ‘verdienen’ 1,5 tot 2 euro per uur, uitbetaald door Flextensie. Het bedrijf steekt ongeveer een derde van het inhuurtarief in eigen zak. Wat resteert, gaat naar de gemeentekas als besparing op de uitkeringslasten. Met andere woorden: de werknemers worden geacht te werken zonder loon, arbeidsrechten, cao of baangarantie en bekostigen zo een deel van de uitkering. Veel werklozen nemen dit aanbod voor lief. Al 500 gemeenten werken met dit bedrijf.

Race naar de bodem

Op 1 december 2016 riep de FNV op de race naar de bodem op de arbeidsmarkt te stoppen. John Kerstens, Tweede Kamerlid van de PvdA, op de website van zijn partij: “En ik ben het daar hartgrondig mee eens. (…) Daarom strijden we schouder aan schouder met de vakbeweging voor een fatsoenlijke arbeidsmarkt (…) waarop collega’s niet elkaars concurrenten worden en niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar samenwerken. Een arbeidsmarkt waarop mensen niet als kostenpost worden gezien waarop je zoveel mogelijk bezuinigt, maar als het grootste kapitaal van een bedrijf waarin je juist investeert.”Huichelen, dat is het. In de aanloop naar de verkiezingen zal Asscher dit verhaal herhalen. En daarna zal er onderhandeld worden over de hoogte van een wettelijk minimum uurloon.
1 Een korte versie van een artikel over actuele sociale wetgeving – terug te vinden bij 319 extra 2. (terug)
]]>

zaterdag 31 december 2016

In de media

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/niet-iedere-werkloze-gebaat-bij-verplichtingen-en-dwang~bc05d0ea/‘Profiteurs van de bijstand? Laten we ruilen’. Verhalen van mensen in de bijstand o.a. interview met Jacques Peeters van de Bijstandsbond. Volkskrant. Marko de Haan. 2 februari 2016. https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/-profiteur-van-de-bijstand-laten-we-ruilen-~bf7a9a15/ ]]>

dinsdag 20 september 2016

De miljoenennota

Regering kondigt nieuwe toekomstige bezuinigingen op de gezondheidszorg aan

Ook de verhoging van de huurtoeslag is een tijdelijke vreugde, want er wordt gebroed op bezuinigingen op die toeslag.

Vrijdag lekten de miljoenennota en de Macro Economische Verkenningen van het Centraal Plan Bureau uit. Deze plannen zullen officieel morgen op Prinsjesdag bekend worden gemaakt. Staatssecretaris Van Rijn had in juni al aangekondigd, dat geplande bezuinigingen uit het regeerakkoord op de gezondheidszorg (verpleeghuizen en gehandicapteninstellingen) van 500 miljoen niet doorgaan. Ook op andere terreinen waren er in de zaterdagkranten juichtonen over de nieuwe begroting van de regering. ‘Cadeautjes voor iedereen’ kopte NRC Handelsblad. Er zou meer geld beschikbaar zijn om de koopkracht van iedereen te verbeteren. Zo gaan de huurtoeslag en de zorgtoeslag omhoog. Maar tegelijkertijd worden nieuwe bezuinigingen in de gezondheidszorg toch noodzakelijk geacht. En er wordt gebroed op bezuinigingen bij de huurtoeslag.

nieuwe bezuinigingen op de gezondheidszorg

NRC Handelsblad meldt in de krant van zaterdag, dat volgens de miljoenennota een volgend kabinet weer onpopulaire maatregelen zal moeten nemen, omdat vanaf 2018 opnieuw een snelle stijging van de zorgkosten zou worden verwacht. Verschillende opiniemakers hebben al naar voren gebracht, dat de privatiseringen in de gezondheidszorg erg duur zijn. Nederland is mondiaal op de ranglijst van landen met de duurste gezondheidszorg gestegen van de achtste naar de vierde plaats. De bovenste landen op de ranglijst hebben allen een geprivatiseerde gezondheidszorg. De huidige regering kondigt aan, dat nieuwe maatregelen of nieuwe akkoorden nodig zijn om de stijging van de kosten in de gezondheidszorg te voorkomen. Dit zijn geen goede berichten voor de chronisch zieken en gehandicapten, die het de afgelopen 5 jaar ook financieel zwaar te verduren hebben gehad. Chronisch zieken en gehandicapten zijn er de afgelopen vijf jaar onder de kabinetten Rutte I en II financieel zwaar op achteruit gegaan. Ze zagen hun zorgkosten in die periode verdubbelen. Dat meldt het Nibud, het instituut voor budgetvoorlichting.

De stijging verschilt per inkomensgroep, maar is in alle groepen fors. Voor mensen met een bijstandsinkomen (1050 euro p/m) stegen de jaarlijkse zorgkosten met maar liefst 1378 euro. Voor iemand met anderhalf keer modaal (2750 euro p/m) stegen die kosten met 3455 euro. Het gaat hierbij om chronisch zieken en gehandicapten die zeer hulpbehoevend zijn. Het Nibud deed het onderzoek in opdracht van Ieder(in), de belangenorganisatie voor chronisch zieken en gehandicapten. Volgens Ieder(in) komt de stijging van de afgelopen vijf jaar bovenop de toch al zwaardere lasten voor gehandicapten en chronisch zieken. Hier kan nog aan worden toegevoegd, dat de inkomsten van chronisch zieken achteruit zijn gegaan. Zo is de Wet Tegemoetkoming chronisch zieken, de wtcg afgeschaft en zijn er alleen nog tegemoetkomingen voor deze groep op basis van gemeentelijk beleid. Maar de gemeenten, die met de invoering van de Participatiewet en de decentralisatie van de AWBZ te maken kregen met rijksbezuinigingen, hebben de tegemoetkomingen voor chronisch zieken sterk versoberd. Een voorbeeld daarvan is de gemeente Amsterdam. Chronisch zieken gingen er in die gemeente door die gemeentelijke versobering alleen al soms meer dan 100 euro per maand op achteruit.

Chronisch zieken en gehandicapten worden zwaar getroffen maar de mensen met midden en lagere inkomens die gezond zijn, en die nu hun zegeningen tellen moeten erop bedacht zijn, dat de regering de volksverzekering AWBZ heeft afgeschaft en vervangen door de veel beperktere wet Langdurige Zorg. Wat zij nu sparen van hun zuurverdiende centen mogen zij als ze hulpbehoevend worden of oud, mooi weer inleveren.

bezuinigingen op de huurtoeslag

En de huurtoeslag gaat omhoog? Die vreugde zou voor velen wel eens van korte duur kunnen zijn, want de regering laat haar ambtenaren broeden op verschillende scenario’s om de huurtoeslag te beperken en bezuinigingen door te voeren. In juni werd de zaak tijdens een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) nader bekeken. Vraag bij het broeden op die scenario’s is onder andere, of je de huurtoeslag voor iedereen moet verlagen bijvoorbeeld, of dat je een differentiatie gaat maken voor verschillende doelgroepen, waarbij sommigen minder huurtoeslag krijgen. In 2015 bedroegen de uitgaven aan huurtoeslag 3,6 miljard euro en dat was 333 miljoen euro meer dan begroot. Die overschrijding is goed te verklaren, want de recessie heeft er flink ingehakt. De toename van het aantal mensen dat recht heeft op huurtoeslag is al een paar jaar gaande. In de periode 2010-2014 steeg het aantal huishoudens dat een beroep doet op die toeslag met 21 procent. Tegelijkertijd zijn de (aanvangs) huren van de sociale woningbouw door de corporaties in veel gevallen fors verhoogd. De huidige regering had in juni het plan, om de kosten van de huurtoeslag met 625 miljoen euro te verlagen.

Piet van der Lende
]]>

woensdag 7 september 2016

Bestaat de markteconomie wel?


Bestaat de markteconomie wel?Tijdens de mondialiseringsbeweging ongeveer tien jaar geleden verbaasden veel actievoerders zich over de kloof die gaapt tussen de werkelijkheid van de economie die zij zagen en het geïdealiseerde model van de neo-klassieke economen, die in het kader van het neo-liberalisme een model ontwikkelden waarin de marktwerking een glansrol speelde. Hoe minder overheid, en hoe meer marktwerking, hoe meer welvaart en een harmonisch evenwicht tussen vraag en aanbod in het verschiet liggen. Veel actievoerders waren wars van kant en klare ideologische en modelmatige verklaringen van de werkelijkheid. Ze wilden zelf denken en geen van bovenaf opgelegde modellen, een pluralistische sociale beweging, waarin plaats was voor verschillende theoretische stromingen en interpretaties, waarbij de hoofddoelstelling moest zijn de kloof tussen de rauwe kapitalistische werkelijkheid en de analytische modellen te overbruggen. Studenten aan universiteiten, zoals in Frankrijk stelden aan de kaak dat ze alleen de neo-klassieke teorien kregen voorgeschoteld en zij eisten ook onderwijs in andere interpretaties. In dit kader kwam een nieuwe economische stroming op, die wel ‘real world economics’ genoemd wordt. De rauwe werkelijkheid beschrijven zoals die is en niet uitgaan van abstracte modellen. Een van de grote vragen van deze economische stroming is, of marktwerking wel bestaat en zo ja, in hoeverre. Als marktwerking maar beperkt bestaat, wat bepaalt dan de ontwikkelingen in de maatschappij?. De economische stroming van de real world economics’ is sindsdien springlevend. In dit kader past ook een onlangs verschenen boek.De grootste show op aardeCoen Haegens maakt deel uit van de redactie economie van de Groene Amsterdammer en hij schreef het boek ‘De grootste show op aarde. De mythe van de markteconomie’. Centrale these in het boek is, dat de markteconomie niet bestaat, dat markten volgens het model van de neo-klassieken in de economie niet bestaan en ook nooit bestaan hebben. De theorie van de naar evenwichten en harmonie neigende afstemming van vraag en aanbod is vals. Haegens beschrijft de geschiedenis van dit idee, hoe het opgekomen is, verschillende fasen heeft doorgemaakt en uiteindelijk dominant is geworden. Met empirisch onderzoek toont hij aan, dat de economie niet volgens dat model functioneert. De markten hebben een sterke overheid nodig, die regulerend en controlerend optreedt. Crises, machtsvorming, monopolievorming en bureaucratie staan niet tegenover markten, nee, ze worden er juist door opgeroepen en zijn dus niet alleen maar imperfecties van een op zich perfect systeem, maar zijn er onverbrekelijk mee verbonden. Ondanks de ontwikkeling van moderne technologieën en internet spelen persoonlijke contacten, groepsvorming en subjectief vertrouwen en wantrouwen van mensen naar elkaar toe een grote rol in de vorming van prijzen. Grote ondernemingen die de productie van bepaalde goederen en diensten beheersen kunnen beter een ‘planeconomie’ genoemd worden, dat niks te maken heeft met een markteconomie. Haegens toont aan, dat er vaak geen sprake is van concurrentie op een markt in het beste geval is er ‘monopolistische concurrentie’. Een conclusie van zijn zoektocht naar de mechanismen die de prijzen van goederen en diensten bepalen.paprika’sIn hoofdstuk 6 beschrijft hij de vaststelling van de prijs van paprika’s. Ook hier wil hij aantonen, dat er geen marktmechanisme bestaat. Er bestaat in feite een chronische overproductie, waardoor de prijs van paprika’s constant erg laag is. Tuinbouwers investeren in een soort vlucht naar voren steeds meer in machines, automatisering en schaalvergroting en steken zich daardoor in de schulden om door schaalvoordelen, efficiëntere productie ondanks de lage prijzen van de paprika’s toch de inkomsten op te voeren en de kosten te beperken. Andere tuinders houden het niet meer vol door alle schulden en moeten ermee ophouden of gaan failliet, waardoor het aantal paprikatelers de afgelopen jaren gehalveerd is. Maar omdat de overblijvenden dus investeren blijft de productie van paprika’s hetzelfde. Daar komt bij dat niet zoals vroeger er vele kleine groenteboeren zijn, maar supermarkten, die machtig zijn en een lage prijs bij de producenten kunnen afdwingen. Daardoor is er geen marktwerking. Maar Haegens heeft gepraat met een tuinder, die zich ook verbaasde over de huidige ontwikkeling. Deze zegt echter, dat vroeger de prijs van de paprika schommelde, er waren goede en slechte tijden. Impliciet zegt hij daarmee, dat er toen dus wel iets van marktwerking was. Haegens noemt zelf de varkenscyclus, waarbij varkensboeren slechts vertraagd op de prijsontwikkeling kunnen reageren (het kost tijd om varkens vet te mesten en als je begint als de prijzen hoog zijn kun je niet stoppen als ze tijdens het vetmesten gaan dalen) Dan heb je dus de varkenscyclus van hoge en lage prijzen. Marktwerking? Haegens gaat in zijn boek ook in op de werking van financiële markten.Toch marktwerking?Ik vraag me af, hoe je conjuncturele ontwikkelingen en de lange golven van de Kondratieff moet verklaren als je ervan uitgaat, dat er geen marktwerking bestaat. Haegens benadrukt eenzijdig dat markt en staat onverbrekelijk bij elkaar horen, de markt wordt georganiseerd in die zin, dat vraag en aanbod voortdurend door de staat worden bijgestuurd en dat monopolievorming marktwerking uitschakelt. Zodat niet vraag en aanbod de prijs van goederen bepalen. Marktwerking speelt slechts een ondergeschikte rol. Misschien speelt marktwerking toch een grotere rol dan Haegens veronderstelt, ook al ben ik het ermee eens dat de neo-klassieke theorieën niet kloppen. Wat ik jammer vindt in dit verband is, dat hij niet ingaat op de veronderstellingen van de systeemtheorie, en dan met name een van de grondleggers ervan, de Franse historicus Braudel. Braudel verwerpt de gedachte dat kapitalisme en marktwerking op hetzelfde neerkomen. Ook voor hem is kapitalisme juist een systeem van de ‘contra-marche’, de anti-markt. In zijn visie bestaan er drie niveaus van economische bedrijvigheid. Het laagste niveau is dat van de ‘vie materielle’, het omvat de meest elementaire vormen van economische activiteiten waarmee mensen in hun behoeften voorzien. Daarboven ligt de economie, het niveau van de markt, een wereld die voor de deelnemers min of meer transparant is en een dagelijkse realiteit is, een wereld waarin de winsten dientengevolge klein zijn. Pas daarboven, op het derde niveau, is sprake van kapitalisme, als de zone van economische concentratie, van excessieve winsten, als gevolg van een relatief sterke mate van monopolievorming die zelf weer de uitkomst is van enerzijds politieke machtsvorming en anderzijds van het vermogen van de deelnemers aan dit spel om de schakels in het productieproces te beheersen en het spel ondoorgrondelijk te maken. Het is in onze tijd de wereld van de hedgefondsen en holdingmaatschappijen, die buiten de markteconomie om de onttrekking van grote hoeveelheden kapitaal van het tweede niveau te organiseren en reguleren en onwaarschijnlijke rendementen op hun geïnvesteerde kapitaal te realiseren, ook in tijden van crisis. Op het tweede niveau zou wel sprake zijn van een uitgebreide markteconomie, hoewel, dus ook van bovenaf georganiseerd.Ideologische tegenstellingenHaegens noemt Braudel wel kort, maar zegt er verder niets over. Misschien omdat hij niet wil aantonen, dat het kapitalisme georganiseerde uitbuiting is. Hij wil alleen aantonen, dat marktwerking niet bestaat. Als de markteconomie niet bestaat, of zoals ik ook vind van bovenaf georganiseerd wordt, bestaan ook bepaalde ideologische tegenstellingen niet. Er is geen tegenstelling tussen staat en markt, beiden hebben elkaar nodig. Ook een neo-marxist als Massimo de Angelis wijst op de onjuistheid van bepaalde dichotomieën, waarbij hij er verschillende noemt. i Staat versus markt, derde wereld versus het westen, planeconomie versus laissez faire, samenwerking en solidariteit, versus eigenbelang en competitie en concurrentie, protectionisme versus vrijhandel. Meestal is politiek rechts een aanhanger van de laatstgenoemden in de dichotomieën, links is voorstander van de eerstgenoemde. Daarmee bevestigen zij echter de juistheid van de dichotomie. Het gaat er echter om, dat beide polen in de dichotomieën in het kapitalisme bestaan, en dat ze een specifieke onderlinge dynamiek vertonen, en het gaat er in de eerste plaats om, die specifieke dynamiek te analyseren door het kapitalisme te beschrijven zoals het in de werkelijkheid is en zoals men ook in de ‘real world economics’ probeert te doen. Op deze wijze kan de ideologische discussie op basis van de valse dichotomieën als een onjuiste tegenstelling worden geanalyseerd. Het boek van Haegens is daaraan een bijdrage. Er bestaat in het kapitalisme bijvoorbeeld geen tegenstelling tussen concurrentie en samenwerking en solidariteit. De productie neemt een specifieke vorm aan, waarbij eigenbelang en concurrentie worden nagestreefd door organisaties waarin mensen in de productie samenwerken. De markteconomie wordt dus gecreeerd door de staat en vrijhandel en protectionisme van de machtigste staten die vrijhandel aan anderen opleggen vullen elkaar aan. Als ik de Angelis goed begrijp, kunnen we door een concrete beschrijving van het kapitalisme als uitbuitingssysteem (het eerste niveau van Braudel) schijndiscussies over valse dichotomieën vermijden en buiten de kapitalistische marktplanning om alternatieven organiseren voor dat kapitalisme vanuit het besef, dat kapitalisme georganiseerde uitbuiting is. De Angelis zegt dat het kapitalisme geen totaal systeem is, er is ook in de huidige wereld een ‘buiten het kapitalisme’, waarbij mensen samenleven en samenwerken en produceren op basis van andere waarden dan de kapitalistische. Op het niveau van het dagelijks leven, maar ook op wat Braudel het tweede niveau noemt, de organisatie van de productie.strijdDe strijd in het dagelijks leven maar ook op het tweede niveau van Braudel gaat dan om de realisatie van een leven buiten de uitbuitingspraktijken van het kapitalisme om, waarbij vanuit het georganiseerde kapitalisme, door de staat maar ook grote ondernemingen wordt getracht deze manier van samenwerken, produceren en arbeid verrichten onder haar controle te brengen en in te voegen in de georganiseerde kapitalistische uitbuiting. De Angelis noemt dat produceren buiten het kapitalisme en de strijd om de realisatie van niet kapitalistische doeleinden de commons, van boeren die bossen en land in gemeenschappelijk bezit verdedigen tot de moderne beweging van internetactivisten die vrije software produceren. Maar het speelt ook op het niveau van het dagelijks leven, de velen die een individuele strijd voeren tegen ondoordringbare bureaucratie met hun absurde regels, van sociale dienst tot belastingdienst, van grote verzekeringsmaatschappijen tot de giganten in de geprivatiseerde gezondheidszorg. Duizenden mensen zijn in ons land op spreekuren waar zij juridisch advies geven met deze strijd bezig. Je kunt aangaande de organisatie van de productie ook denken aan de participatiemaatschappij van onderop zoals die door Tine de Moor wordt geanalyseerd.Terug naar het boek van Haegens. Een belangrijke bijdrage aan de discussie, maar toch nog enkele opmerkingen. Hij presenteert de geschiedenis van de neo-klassieke economie als een ideeëngeschiedenis. Impliciet wordt er daarbij van uitgegaan, dat grote ideeën of utopieën (het neoklassieke model is een utopie) de geschiedenis kunnen bepalen. Vraag voor mij blijft wel, hoe het neo-klassieke denken in de economie zo’n succes kon hebben.Piet van der Lende 


]]>