pagina's

vrijdag 30 juni 2017

Enkele opmerkingen over de voorgeschiedenis van de Pim Fortuyn-revolte

Er is al veel over geschreven: de opkomst van Pim Fortuyn, de ruk naar rechts in de Nederlandse politiek en de opkomst van nieuw rechtse media in het kielzog van technologische ontwikkelingen als de opkomst en verbreiding van internet en sociale media. Politieke commentatoren uit de tijd van Paars II (de coalitie van de PvdA en de VVD onder leiding van Wim Kok) stellen vaak vast dat de opkomst van Fortuyn voor hen kwam als een donderslag bij heldere hemel. Ze waren in het geheel niet voorbereid.

Even afgezien van het antwoord op de vraag of die waarnemingen wel geheel juist zijn, doet er zich een vraag voor. Namelijk, was die opkomst van de ruk naar rechts op basis van onder meer ‘culturele’ onderwerpen als de islamkritiek het gevolg van handig manoeuvreren van rechtse politici, die gebruik makend van massamedia de geesten rijp wisten te maken voor die ruk naar rechts? Of is er meer aan de hand? Deden zich aan het begin van de eenentwintigste eeuw ontwikkelingen voor die het gevolg waren van meer fundamentele verschuivingen in de opvattingen van de bevolking, die al in de tachtiger jaren van de vorige eeuw tot stand kwamen, groeiende tegenstellingen tussen belangengroepen en veranderingen in de positie van allerlei groepen in de maatschappij, op de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de sociale zekerheid?

Racisme

Ook wordt tegenwoordig wel de opmerking gemaakt dat links, vaak verschillend gedefinieerd, nu geen antwoord heeft op de racistische ruk naar rechts en wat er moet gebeuren om dat antwoord wel te formuleren. Maar had politiek links dat antwoord eigenlijk wel in de tachtiger jaren van de vorige eeuw, nog voor de opkomst van Fortuyn? Of anders gezegd: als racistische sentimenten, een zich afzetten van witte Nederlanders tegen migranten, al langer bestonden, is dan het antwoord dat politiek links in de tachtiger en negentiger jaren van de vorige eeuw leek te kunnen geven, toen politiek links nog tamelijk sterk was, wel juist geweest? En zo niet, welke fouten zijn er dan gemaakt bij het tegemoet treden van racisme? En meer, is dat racisme, en wellicht andere vormen van discriminatie van vrouwen en homo’s, wel mede een gevolg van het tegen elkaar uitspelen van bevolkingsgroepen onder het regime van het neo-liberalisme, of bestonden die tegenstellingen al langer?

Sommige analytici stellen dat grote delen van het Nederlandse electoraat, met name ook lager opgeleiden, wat betreft vraagstukken als migratie en integratie van migranten in de Nederlandse samenleving ten tijde van Pim Fortuyn en daarna rechtser en intoleranter zijn geworden, hoewel ze sociaal-economisch nog wel links zouden denken. Maar gold dat voor de meeste witte Nederlanders of voor bepaalde groepen, en welke dan? Veel empirisch onderzoek zal nog noodzakelijk zijn om te bepalen wat er sinds de komst van wat toen “gastarbeiders” werden genoemd, is gebeurd qua reacties van de bevolking op de komst van de “nieuwe Nederlanders” en vooral: hoe kaderleden van gevestigde instituties als politieke partijen, kerken en vakbonden hebben gereageerd op het ontstaan van een veelheid van meer specifieke belangenorganisaties en emancipatiebewegingen.

Reorganisatie van de productie-organisaties

Laten we ingaan op de sociaal-economische ontwikkelingen in de zeventiger en tachtiger jaren van de twintigste eeuw als achtergrond voor het gedeeltelijk beantwoorden van bovenstaande vragen. Ik heb niet de pretentie in dit artikel alle vragen volledig te beantwoorden, maar om enkele aanzetten te geven voor uitgebreidere antwoorden. Het neo-liberalisme is eigenlijk een grootschalige reorganisatie van de economie. Mondialisering en technologische ontwikkelingen maakten onder het neo-liberalisme een gigantische reorganisatie van de productie mogelijk. In de jaren zestig en de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw kende Nederland verschillende min of meer traditionele industrieën, die vaak in de wederopbouwperiode na de oorlog waren ontstaan. Voorbeelden zijn de textielindustrie, de scheepsbouw en andere metaalbedrijven, de schoenindustrie en de mijnbouw. Tijdens de economische conjuncturele inzinking begin jaren zeventig, die werd versterkt door de oliecrisis, konden deze industrieën het steeds moeilijker bolwerken.

Het verdwijnen van deze industrieën heeft verschillende oorzaken. Behalve de economische laagconjunctuur met vraaguitval speelden ook geopolitieke ontwikkelingen een rol: de oude koloniën waar men bijna gratis grondstoffen vandaan kon roven, werden zelfstandig, hoewel ook daarna de “ontwikkelingslanden”, zoals ze toen werden genoemd, de functie van leverancier van goedkope grondstoffen voor de industrielanden bleven behouden. Ondernemers gingen bovendien de productie verplaatsen naar wat “lage lonenlanden” werden genoemd. Zo konden zij de betaling van redelijke lonen omzeilen. Soms is de afbouw van industrieën ook een bewuste politiek geweest, zoals de afbouw van de mijnindustrie in Limburg door Joop den Uyl als minister van Economische Zaken. Er begon in de zeventiger jaren een decennium van sluiting van bedrijven en ontslag van duizenden arbeiders en er kwam een oplopende werkloosheid. In het jaar 1980 verdubbelde het aantal geregistreerde werklozen zich in een jaar tijd tot 470.000.

Een nieuwe ontwikkeling tekende zich af. De dienstensector kwam op, met de horeca, schoonmaak en transportbedrijven, boekhoudkantoren en financieringsmaatschappijen. Nieuwe markten werden aangeboord. Maar de oplopende werkloosheid was ook een gevolg van rationalisatie in al bestaande industrieën, die taken gingen uitbesteden die werden opgepikt door zelfstandige bedrijven in de nieuwe dienstensector. In 1977 verscheen het boek “Herstructurering van de industrie” naar aanleiding van de bedrijfssociologische studiedagen in dat jaar. In dit boek wordt geconstateerd dat er toen al een toenemende tendens was van industriële ondernemingen om flexibele productieketens op te zetten, dus producten niet meer zelf te produceren, maar onderdelen in te kopen, fabrieken en machines niet te kopen maar te huren, externe planningsbureaus in te schakelen, arbeidskrachten te leasen middels onderaannemers, uitzendbureaus, contractarbeid, en dergelijke. Door de genoemde organisatorische wijzigingen in de productie, waarbij men taken en functies liet uitvoeren door externe ondernemingen, kon men bezuinigen op de loonkosten, omdat de toeleverende bedrijven in een moordende concurrentie waren verwikkeld die ze afwentelden op slecht georganiseerde werknemers door hen lagere lonen uit te betalen en was het makkelijker om het bedrijf te sluiten. Men hoefde dan in feite alleen een sociaal plan met de vakbonden af te spreken voor de kernwerknemers, terwijl de contracten met externe partners eenvoudigweg werden opgezegd.

Massaontslagen

Wat gebeurde er in deze ontwikkelingen met de witte Nederlandse industriearbeiders, die mee hadden gestreden voor de opbouw van de welvaartsstaat en goede arbeidsvoorwaarden en omstandigheden voor allen (invoering van het wettelijk minimumloon in 1966)? Zij waren vanuit de socialistische traditie van voor de oorlog sterk georganiseerd in vakbonden en sociaal-democratische partijen, maar hun positie werd ernstig verzwakt door de oplopende werkloosheid en de grootschalige sluiting van bedrijven met massaontslagen tijdens de eerste reorganisatie van de productie. Vanaf begin jaren tachtig hebben zich de volgende ontwikkelingen voorgedaan. In de oude industrietakken die aan het verdwijnen waren, beperkten de vakbonden zich in de jaren zeventig steeds meer tot afspraken over goede afvloeiingsmaatregelen, hoewel in die tijd in het openbaar nog wel een radicale retoriek werd gehanteerd van “we gaan in de aanval”. Daarnaast was er in beperkte mate radicaal verzet, zoals bedrijfsbezettingen. Veel oudere arbeiders, die in de traditionele industrietakken op basis van een sterke vakbondstraditie rechten hadden verworven, vloeiden af via de WAO. Daarnaast groeide in de dienstensector in de jaren tachtig het aantal banen, voornamelijk laagbetaalde. Ze werden ingenomen door nieuwkomers op de arbeidsmarkt: schoolverlaters en herintredende vrouwen. Zo hangt een generatiewisseling op de arbeidsmarkt samen met de sectorverschuiving van traditionele industrieën met hun fordistische productie naar de dienstensector, met aan de ene kant in de industrie een forse uitstoot van oudere witte Nederlandse mannen en de eerste generatie migranten naar WW, WAO, en VUT, en aan de andere kant een snelle instroom van nieuwkomers op de arbeidsmarkt, jongeren en vrouwen. De barrière van de sterke rechtspositie van arbeiders – “loonstarheid” in termen van rechtse economen en neo-klassieken – kon door de verschuiving van industrie- naar dienstensector worden omzeild. Deze ontwikkeling is versterkt en begeleid door politieke maatregelen en wijzigingen in het overheidsbeleid, maar het zou te ver voeren om dat hier allemaal te behandelen. De parlementaire enquête over de Nederlandse scheepsbouw, de commissies Wagner, topman van Shell, die rapporten schreef in opdracht van de regering, het historisch akkoord van Wassenaar tussen vakbondsleider Kok en werkgeversvoorzitter Van Veen, dat alles heeft de bovengenoemde ontwikkelingen bevorderd.

Het bovenstaande zou de indruk kunnen wekken dat het allemaal zonder slag of stoot is gegaan. Ik meldde immers dat de vakbonden zich beperkten tot afvloeiingsregelingen. Maar dat is toch niet helemaal juist. De beroemde ambtenarenstakingen van 1982 met Herman Bode (“Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam”), waarbij een hot item was de solidariteit in acties tussen ambtenaren en uitkeringsgerechtigden tegen aangekondigde overheidsbezuinigingen, markeren een memorabel moment in het verzet. Zoals reeds gezegd, ook in andere opzichten, zoals bedrijfsbezettingen in de jaren zeventig, was er ook harder verzet dan alleen het afspreken van afvloeiingsmaatregelen.

Samen beter dan apart

De vraag doet zich voor hoe de witte Nederlandse industriearbeiders of hun vertegenwoordigers op de ontwikkelingen van de reorganisaties van de productie reageerden in hun persoonlijke opvattingen. In 1982 was ik betrokken bij discussies en bijeenkomsten over de FNV-nota “Samen beter dan apart”. Dat was een door de FNV gepresenteerde concept-nota over wat “buitenlandse werknemers” werden genoemd, wat hun rechten moesten zijn en de rol die de vakbonden ten aanzien van hen zouden moeten vervullen. Het FNV-bestuur besloot dat deze concept-nota besproken zou moeten worden op ledenvergaderingen, die in maar liefst 35 plaatsen moesten worden gehouden. En zo gebeurde het ook. Daarnaast waren er nog veel meer discussiebijeenkomsten, waarvoor migrantenorganisaties, kerken en politieke partijen werden uitgenodigd. Men wilde een brede discussie. De FNV vroeg subsidie bij de overheid voor een begeleidend wetenschappelijk onderzoek van sociale wetenschappers van de Leidse universiteit, en dat werd toegekend.

De discussies werden dus geregistreerd in een begeleidend wetenschappelijk onderzoek waarbij de wetenschappers en andere voor hen werkende waarnemers als studenten verslagen maakten van de discussies en bovendien werden ook nog eens mensen afzonderlijk geïnterviewd die tijdens de discussies markante standpunten hadden ingenomen. Ook “derden” als andere maatschappelijke organisaties werden geraadpleegd. Van dit alles werd het onderzoeksrapport “FNV-ers aan het woord over buitenlanders werknemers” samengesteld. Hoofdlijn van het rapport: aan de ene kant vinden velen dat de FNV iets moet doen voor de migranten, maar dan wel onder een voorwaarde: aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Geen “malle fratsen”, zoals bidden tijdens het werk, en verder goed Nederlands leren en lid worden van de Nederlandse vakbond. Op de bijeenkomsten hekelden ook velen dat de leiding van de bijeenkomsten erop uit was om volledige instemming van de leden met de nota te bereiken, en dat ze zich op de vergadering voelden gemanipuleerd. Veel reacties doen achteraf denken aan de argumenten van eerst Fortuyn en later Wilders en aan racistische reacties die je soms van mensen hoort. Zo vonden sommigen tijdens de discussiebijeenkomsten dat de “buitenlanders” werden voorgetrokken. “Ze mogen langer op vakantie dan wij, al is het ook onbetaald verlof, wat kost dat een geld.” Het grootste deel van de aanwezigen op de bijeenkomsten was tegen positieve discriminatie. “Wij worden ook achtergesteld, ze moeten zich gewoon aanpassen.”

De eerste reacties waren er van ontkenning. Het wetenschappelijk onderzoek had een begeleidingscommissie waarin twee FNV-ers zaten. Zij hadden grote bezwaren tegen publicatie van de tekst van het rapport zoals het er lag. Een van de FNV-ers zou zelfs gezegd hebben: “Als het zo blijft, flikker ik het hele rapport in de prullenmand”. De onderzoekers weigerden de teksten te veranderen. Daarop kwam men er in de begeleidingscommissie niet uit. Het FNV-bestuur moest eraan te pas komen, waarin toentertijd Lino Calle zat, die de discussies over de nota “Aamen beter dan apart” onder zijn hoede had. Of het Calle is geweest of een andere FNV-bestuurder is mij niet bekend, maar er vond een nieuwe vergadering plaats tussen de onderzoekers en een FNV- bestuurder. Doe probeerde alsnog om bepaalde passages in het rapport gewijzigd te krijgen. Hij wees op het gevaar van grote koppen in De Telegraaf. Maar de onderzoekers weigerden andermaal wijzigingen in de tekst, voor zover het ging om het schrappen van bepaalde uitspraken die bezoekers van de bijeenkomsten hadden gedaan. Daarop deelde de FNV-bestuurder mee de zaak aan het gehele FNV-bestuur te zullen voorleggen. Volgens de onderzoekers die daar achteraf over schreven, hadden ze gehoord dat op de vergadering van het FNV-bestuur Arie Groeneveld van de Industriebond was opgestaan en een betoog hield: “Waarom wilden wij zo’n uitgebreid en kostbaar onderzoek, dat ons ook veel geld heeft gekost waar het de bijeenkomsten betreft, waarom hebben wij de hele discussie georganiseerd, en nu willen we geen publicatie van het rapport waarin eerlijk staat wat de stand van zaken is”. Dit betoog gaf de doorslag. De onderzoekers kregen een kort briefje: de FNV aanvaardt het rapport zoals het is. Deze gang van zaken staat beschreven in “De onwelkome boodschap. Of hoe de vrijheid van wetenschap bedreigd wordt”.

Wellicht zijn de verslagen van de bijeenkomsten ook bewaard gebleven. Het zou interessant kunnen zijn die met de kennis van nu nog eens na te lezen. Er is later een samenvatting van het onderzoek gemaakt, te vinden in “Vakbonden en migranten in Nederland (1960-1997)”. Nadere bestudering van de onderzoeksverslagen met de kennis van nu kan alleen al om de volgende reden belangrijk zijn. Roosblad stelt de representativiteit van het onderzoek ter discussie. Wat werd hier nou eigenlijk geregistreerd? Is het rapport representatief voor de mening van het gemiddelde FNV-lid? Of van de witte Nederlandse industriearbeider? Of gaat het om de mening van de actieve leden, die vaak bijeenkomsten bezoeken, met andere woorden de kaderleden? Dus zij die het beleid bepalen, en die actief aan de slag moesten met de nota? Ik kom hier nog op terug.

Nieuwe emanicipatiebewegingen

In de loop van de zestiger jaren kwamen de eerste emancipatiebewegingen op gang van mensen die om wat voor redenen dan ook geen gelijke rechten hadden en die zich uitgesloten voelden. Zij stelden de arbeidsverdeling in het fordistische tijdperk tussen mannen die het betaalde werk deden en de vrouwen die het reproductieve werk deden ter discussie, streefden naar emancipatie van vrouwen en migranten en andere groepen, en eisten toegang tot het onderwijs voor mensen met een lager inkomen (studenten). In de loop van de zeventiger jaren heeft de vrouwenemancipatie een belangrijke rol gespeeld, maar ook migranten richtten hun eigen belangenorganisaties op en de studentenbeweging eiste reorganisatie van het onderwijs.

Ook uitkeringsgerechtigden hebben eind jaren zeventig veel belangenorganisaties opgericht, vaak langs scheidslijnen van de sociale zekerheid. Het jaar 1977 is het hoogtepunt van de klassieke welvaartsstaat, met de invoering van de volksverzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Wat betreft het ontstaan van uitkeringsgerechtigdenorganisaties langs de scheidslijnen van de sociale zekerheid, waarbij in feite een hiërarchie van afnemende rechten en plichten werd opgenomen in het sociale zekerheidssysteem, dat heb ik beschreven in het boek “Werklozen in actie”. Je zou kunnen zeggen (er zijn natuurlijk altijd vroegere uitzonderingen) dat al die organisaties van vrouwen, migranten en uitkeringsgerechtigden zijn ontstaan in de tweede helft van de zeventiger jaren. De oprichters van die organisaties herkenden zich niet meer in de traditionele vakbonden, politieke partijen en kerkgenootschappen, die in de tijd van het zuilensysteem de dienst uitmaakten. Trouwens, tot ongeveer 1980 kon je bijvoorbeeld als werkloze helemaal geen lid worden van een vakbond. Deze organisaties eisten niet alleen verbetering van het lot van hun achterban, maar ook versterking van de positie van hun belangenorganisaties. Zij vroegen en kregen subsidie van de overheid, op rijks- en gemeentelijk niveau, waarbij gebruik werd gemaakt via hun lobbycircuit van de sterke positie van linkse politieke partijen in de raden en in het ambtelijk apparaat. Deze organisaties zijn in die tijd, tot ergens begin jaren tachtig, in staat geweest tot grote massa-mobilisaties van hun achterban. Daarbij vaak gesteund door delen van het welzijnswerk, de wijkcentra, waar bezoldigde buurtwerkers acties hebben opgezet voor betere huisvesting en toegang van nieuwe groepen tot de woningmarkt (migranten) en andere acties werden gevoerd vanuit de buurten. In dit kader past ook de opkomende anti-racisme beweging begin jaren tachtig, die gedragen werd door de sterke migrantenorganisaties, maar ook in de buurten werden anti-racisme comités opgezet, die samenwerkten met die migrantenorganisaties en de kraakbeweging. Deze anti-racisme comités werden echter vaak beheerst door vertegenwoordigers van linkse (sociaal-democratische en communistische) politieke partijen. Wat de bestrijding van de werkloosheid betreft: er werd een bewuste industriepolitiek gevoerd vanuit de overheid. En er werden Projecten Mensen Zonder Werk opgezet waarin de werklozen zelf zeggenschap hadden en waarbij opvangactiviteiten voor werklozen werden georganiseerd, zoals cursussen en voorlichtingsbijeenkomsten zonder een directe relatie met arbeidsbemiddeling en reïntegratie op de arbeidsmarkt.

Reacties op het ontstaan van nieuwe emanicipatiebewegingen

Hoe reageerden de gevestigde instituties, zoals politieke partijen en vakbonden, en ook kerken op de nieuwe ontwikkelingen? De meer autonome zelforganisaties van migranten en uitkeringsgerechtigden vond men vaak lastig, in die zin dat zij soms tamelijk radicale standpunten innamen bij de analyse van de maatschappij, gericht op de verbetering van de positie van hun achterban. De reactiepatronen van meer en langer gevestigde instituties en bij de overheid tonen een genuanceerd beeld. Enerzijds zagen delen van linkse organisaties en individuen de zelforganisaties als bondgenoot in de strijd voor een betere maatschappij, steunden zij die organisaties en werkten ermee samen, daarbij gebruik makend van hun positie in het overheidsapparaat, bij de kerken of in de vakbonden en politieke partijen. Zij zagen in die zelforganisaties een goed middel waarbij mensen met een gemeenschappelijk kenmerk zich – vaak onder leiding van progressieve leiders die hun achterban de moderne tijd wilden binnenloodsen – verenigden om samen vanuit een sterkere individuele en collectieve positie hun emancipatie en volwaardige participatie in de samenleving te bewerkstelligen.

Er was echter – ook bij linkse en sociaal-democratische stromingen in de gevestigde instituties – een andere stroming die de zelforganisaties juist zag als sta in de weg voor emancipatie. Wanneer mensen zich terugtrekken in de eigen groep, kan emancipatie nooit echt tot stand komen, was de redenering. Zij begonnen met het propageren van de integratie-ideologie die tot op de dag van vandaag standhoudt: migranten, vluchtelingen, en werklozen moeten vanuit algemene geen onderscheid makende organisaties waar iedereen deel van kan uitmaken direct worden benaderd worden, en worden opgenomen en middels scholing en sollicitatietrainingen of andere cursussen in de samenleving worden geïncorporeerd. Zelforganisaties belemmeren de integratie, zo was de gedachte. Wat dat betreft was de nota “Gastarbeid en kapitaal” van de SP slechts het topje van de ijsberg. Daar komt bij dat sommige kaderleden van de gevestigde instituties de nieuwe zelforganisaties zagen als concurrenten. We zagen hiervoor al dat witte kaderleden van de FNV erop aandrongen om lid te worden van de algemene vakbond. De weerstanden van deze stroming, die je zowel in de kerken, de vakbonden, de politieke partijen als de overheid vond, betekenden dat al in de jaren tachtig onder invloed van de integratie-ideologie ook bij linkse kaderleden van politieke partijen in het ambtenarenapparaat een beleid op gang kwam waarbij het steunen van de zelforganisaties actief werd afgebouwd door het intrekken van subsidies. Dit gold voor migrantenorganisaties, maar ook bijvoorbeeld voor de Projecten Mensen Zonder Werk en werklozenorganisaties. Vandaag de dag is er van dit in de jaren zeventig ontstane maatschappelijke middenveld weinig meer over. Wat rest zijn de misschien wel duizenden ingekapselde cliëntenraden en adviesorganen.

Conclusie

Mijn voorlopige conclusie is, uit eigen ervaringen, dat delen van het kader van linkse politieke partijen, vakbonden en progressieve stromingen in de kerken in feite de netwerken, organisaties en sociale structuren van de emancipatiebewegingen die opkwamen in de zeventiger jaren hebben tegengewerkt en hebben bijgedragen aan de teloorgang ervan. Zij zagen die bewegingen als hun concurrenten en ontwikkelden een integratie-ideologie die het niet steunen van die zelforganisaties rechtvaardigde, evenals het beleid om delen van die emancipatiebewegingen onder hun directe invloed te brengen. Het is te eenvoudig om direct een relatie te leggen tussen de hiervoor genoemde reorganisaties van de productie, de werkloosheid van de witte Nederlandse industriearbeiders en dat zij in het algemeen vervolgens racistisch gereageerd zouden hebben. Dat heeft de verdere sociale ontwikkelingen beïnvloed. Is de Fortuyn-revolte wel uit de lucht komen vallen? Is het naar rechts verschuiven van weleer linkse sociaal- democratische stromingen een reactie op de verrechtsing van de Nederlandse bevolking? Of is die qua opvattingen vergeleken met enkele decennia eerder helemaal niet zozeer opgeschoven, in meerderheid, en zijn het de gevestigde instituties en de daarin opererende kaderleden zelf die in een ontwikkeling die al in de tachtiger jaren begonnen is, het behoud van die gevestigde instituties zelf op de voorgrond stelden en steeds harder zijn opgetreden in het kader van hun compromiszoekerij met de neo-liberalen? Waarna de bevolking zich van hen heeft afgewend? Er zal veel empirisch onderzoek verricht moeten worden om precies vast te stellen wat er is gebeurd.

Piet van der Lende

]]>

woensdag 3 mei 2017

Neoliberale lobby, milieubeweging en regeringsonderhandelingen

Vlak na de verkiezingen in Nederland, waarbij de Partij van de Arbeid werd gedecimeerd, wilde ik wel eens weten wat mogelijk de contouren waren voor de onderhandelingen over het programma van de nieuwe regering. Daarom kocht ik op 16 maart het Financieel Dagblad, de krant van de mensen die de beslissingen nemen. Mathijs Bouman legde in een column uit waarover men waarschijnlijk ging onderhandelen en wat het knelpunt is voor de ondernemers die de beslissingen nemen. Er zijn de mogelijkheden van groen-rechts en grijs-rechts. Met respectievelijk GroenLinks of de CU en 55+. Momenteel onderhandelt men dus over groen-rechts. Dat wist Bouman nog niet. Maar in zijn column loopt hij het noodzakelijke “hervormingsprogramma” langs.

(overgenomen van de Bijstandsbond, auteur Piet van der Lende)Het moet gaan om het op de schop nemen van de arbeidsmarkt (vast, minder vast en flexibel anders) en een hervorming van het belastingstelsel. Minder belastingen op arbeid en eventueel een vergroening van de belastingen. Dus meer belasting op vervuilende productie en producten en via het belastingstelsel stimuleren dat consumenten zich milieuvriendelijker gaan gedragen. GroenLinks zal in ruil voor een vergroening akkoord moeten gaan met flexibilisering en ‘lastenverlichting’ op arbeid voor het bedrijfsleven. Dit ook in het kader van het belastingstelsel: door bijvoorbeeld verbruik van schaarse grondstoffen en vervuilende productie meer te belasten, kan ‘lastenverlichting’ oftewel verlaging van de loonkosten voor de werkgevers worden gefinancierd. Maar deze ‘lastenverlichting’ zal ook moeten worden gerealiseerd door verdere bezuinigingen op de sociale zekerheid en de gezondheidszorg, geheel binnen de kaders van de neo-liberale denkmodellen. Een derde punt is de hervorming van het pensioenstelsel. Zeg maar het Engelse model, bijvoorbeeld dat iedereen het maar zelf moet regelen.De columnist ziet echter een groot knelpunt. Een knelpunt dat ook VVD-er Hans Wiegel op 15 maart op de radio naar voren bracht. De geschiedenis wijst uit, dat sinds de opkomst van het socialisme in de negentiende eeuw alle grote liberale hervormingen zijn doorgevoerd met medewerking van wat “conservatief-links” wordt genoemd: de sociaal-democratie als stabiele massa-partij en vakbond van de arbeiders. Deze factor is bij deze verkiezingen weggevallen. Dit betekent, dat de legitimatiebasis voor het beleid in het maatschappelijk middenveld, zoals de vakbonden, ook dreigt weg te vallen. En de geschiedenis wijst ook uit dat zonder die legitimatiebasis de hervormingen (lees: lagere loonkosten voor werkgevers en meer marktwerking) niet goed mogelijk zijn. Wiegel spreekt voor de radio de “oprechte hoop” uit, dat de PvdA zal herstellen bij volgende verkiezingen. GroenLinks dicht men niet toe dat zij de functie van de PvdA kan overnemen.UitruilNa 16 maart hebben de onderhandelingen zich achter gesloten deuren voortgesleept. We zijn nu in mei, maar er is maar bitter weinig bekend over de stand van zaken. Hoe worden de vergroening en lagere loonkosten voor de werkgevers precies vorm gegeven? We weten het nog niet. Maar er is in de publiciteit wel een neo-liberale lobby op gang gekomen, die veel zegt over dat ene aspect: minder loonkosten voor de bazen door nieuwe bezuinigingen op de sociale zekerheid. Punt daarbij is dat die neo-liberale lobby niet alleen uit gaat van de liberale partijen als D66 en CDA en VVD, maar dat het uit de hele samenleving komt. Het neo-liberalisme zit als het ware in de poriën van de samenleving, ook in het ambtelijk apparaat en bij wetenschappers.Daarbij lijkt er bij de lobby een verschuiving van argumenten te zijn: het argument, dat er bezuinigd moet worden en dat er geen geld is om de sociale zekerheid of de gezondheidszorg in de huidige vorm te betalen is minder sterk, omdat de staat voor het eerst sinds jaren een overschot heeft en er weer economische groei is. Daarom switcht men naar een ander argument: de beschikbaarheid van arbeidskrachten voor werkgevers. Arbeidskrachten moeten bereid zijn om alle eisen van de werkgevers te aanvaarden, slecht betaalde rotbaantjes te accepteren en soms op afroep voortdurend beschikbaar zijn. Postbestellers bij Post.nl krijgen baantjes van twintig uur of minder, waarvan ze niet of nauwelijks kunnen leven wanneer er geen ander inkomen is in het gezin, maar ze moeten veertig uur per week beschikbaar zijn zodat ze geen baantje ernaast kunnen nemen. Werkenden en werklozen moeten meer onder druk gezet worden de voorwaarden van de werkgevers te accepteren. Allerlei regelingen in de sociale zekerheid die in de ogen van de neo-liberalen mensen ervan weerhouden laagbetaalde en flexibele arbeid te aanvaarden moeten worden afgeschaft.BijstandsvrouwenHet eerste punt waarin dit tot uiting komt is de lobby om allerlei toeslagen voor mensen met een minimuminkomen af te schaffen. Vooral bijstandsvrouwen met kinderen moeten het daarbij ontgelden. Zij zouden inclusief allerlei toeslagen een zodanig inkomen hebben, dat het voor hen niet loont om tegen minimumloon of minimum cao-loon te gaan werken. Een prominent lobbyist op dit punt is Annemarie van Gaal, ondernemer en multimiljonair, die een groep bijstandsvrouwen wilde ondersteunen en daarbij constateerde dat ze toch geen betaald werk gingen aanvaarden. Ze ageert tegen allerlei inderdaad ingewikkelde toeslagen die de minima krijgen ook vanuit het argument, dat het in het belang is van de minima om dit toeslagenstelsel gedeeltelijk af te schaffen en te vereenvoudigen omdat niemand het meer begrijpt. Ze wil in plaats daarvan een soort basisinkomen, maar de hoogte daarvan is onduidelijk.In De Telegraaf van woensdag deed Marianne Poot, gemeenteraadslid voor de VVD in Amsterdam, in het verlengde daarvan een duit in het zakje. (Figuurlijk dan). Ze verkocht demagogische onzin waarbij ze het bruto minimumloon van 1.500 euro vergelijkt met wat een bijstandsvrouw krijgt inclusief alle toeslagen. Een bijstandsvrouw met een kind van tien jaar en een van vijftien jaar en een huur van 550 euro ontvangt inderdaad ongeveer 1.850 euro netto. (Dus inclusief huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderbijslag.) En ze zegt dan dat het nogal wiedes is dat bijstandsvrouwen niet willen werken (nee, kinderen opvoeden is geen werken) want ze hebben in de bijstand 750 euro meer dan het minimumloon… Ze heeft er zelfs vragen over gesteld in de gemeenteraad. Geklets. De bijstandsvrouw heeft inclusief toeslagen bij twee kinderen van tien en vijftien ongeveer 1.850 euro, maar… als de bijstandsvrouw 38 uur gaat werken voor het minimumloon dan heeft ze inclusief toeslagen in precies dezelfde situatie 2.300 euro. Dus honderden euro’s meer. Mevrouw Poot had alleen maar de proefberekening toeslagen bij de belastingdienst hoeven in te vullen om tot die conclusie te komen. Als die bijstandsvrouw bijvoorbeeld vijftien uur gaat werken is er onder de Participatiewet de bijverdienregeling, waardoor ze er ook op vooruit gaat.Poot (en Annemarie van Gaal) krijgt met haar baarlijke nonsens in De Telegraaf een open doekje voor haar redenering. Andere media, zoals het tv-consumentenprogramma Radar, pakken dit gretig op om emoties los te maken en de angsten en depressieve gevoelens van gestigmatiseerde bijstandsgerechtigden, armen en werklozen te exploiteren om zo de aandacht naar zich toe te trekken. Dat zij dit doen zonder de feiten te vertellen en kritisch de baarlijke nonsens te weerleggen, zegt iets over de media vandaag de dag. Mijn ervaring is dat door dit soort redeneringen mensen zich gekwetst voelen wanneer ze in armoede leven, vooral de bijstandsvrouwen met kinderen, die iedere dag weer wanhopig de eindjes aan elkaar moeten knopen.Onderhandelingen over toeslagenHet zal allemaal wel te maken hebben met de onderhandelingen over de Individuele Inkomens Toeslag, die nu in Amsterdam gevoerd moeten worden. Onlangs sprak de Rechtbank in Amsterdam uit dat alle minima in Amsterdam voor zo’n toeslag in aanmerking moeten komen, op basis van individuele beoordeling. En niet, zoals nu het geval is, alleen mensen met schulden. De rechter verklaarde de verordening van de gemeente voor de Individuele Inkomens Toeslag ongeldig. Amsterdam moet dus iets nieuws maken. Daarbij moet de hoogte van de toeslag worden vastgesteld. En gemeenteraadslid Poot neemt alvast een voorschot op de onderhandelingen door het toeslagen stelsel als veel te genereus aan de kaak te stellen door middel van demagogische desinformatie.Maar er zijn niet alleen gretig door de media overgenomen schoten voor de boeg van lobbyisten, er zijn ook serieuze onderhandelingen over het toeslagen stelsel. De vorige regering liet in 2016 haar ambtenaren broeden op verschillende scenario’s om de huurtoeslag te beperken en bezuinigingen door te voeren. In juni 2016 werd de zaak tijdens een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) nader bekeken. Vraag bij het broeden op die scenario’s is onder andere of je de huurtoeslag voor iedereen moet verlagen, of dat je een differentiatie gaat maken voor verschillende doelgroepen, waarbij sommigen minder huurtoeslag krijgen. In 2015 bedroegen de uitgaven aan huurtoeslag 3,6 miljard euro en dat was 333 miljoen euro meer dan begroot. Die overschrijding is goed te verklaren, want de recessie heeft er flink ingehakt. De toename van het aantal mensen dat recht heeft op huurtoeslag is al een paar jaar gaande. In de periode 2010-2014 steeg het aantal huishoudens dat een beroep doet op die toeslag met 21 procent. Tegelijkertijd zijn de (aanvangs)huren van de sociale woningbouw door de corporaties in veel gevallen fors verhoogd.De huidige regering had in juni aanvankelijk het plan om de kosten van de huurtoeslag met 625 miljoen euro te verlagen. Maar dit plan verdween onder de vorige regering vooralsnog van tafel. Het is niet onmogelijk, dat het bij de onderhandelaars over de nieuwe regering weer van stal wordt gehaald. De plannen liggen uitgewerkt klaar, als het ware. Het zal met de toeslagen wel net zo gaan als met de kostendelersnorm in de bijstand, een regeling waarbij een bij iemand anders inwonende bijstandsgerechtigde op zijn of haar uitkering wordt gekort zodat hij of zij in feite beneden een redelijk bestaansminimum keldert. En inwonende mantelzorgers met een bijstandsuitkering mogen maar vijftig procent van het Wettelijk Minimum Loon hebben. Daarom wordt ook wel gesproken over de “mantelzorgboete”. Aan de invoering van deze onrechtvaardige maatregel ging een hetze in de pers vooraf, waarbij er niet of nauwelijks op de werkelijkheid gebaseerde verhalen werden verteld over huishoudens, waar vijf of meer personen samenwoonden die allemaal een volledige bijstandsuitkering hadden.Verlaging van het minimumloonMaar er wordt in de media en door lobbyisten en onderhandelaars niet alleen gesteggeld over de toeslagen systematiek. Want het blijkt dat de onderhandelaars over de nieuwe regering in Den Haag ook opnieuw moeten onderhandelen over de hoogte van het Wettelijk Minimum Loon (WML) (en dus de daaraan gekoppelde uitkeringen). Dat zit zo. In april 2016 werd de WML ingrijpend herzien. De minister van Sociale Zaken kondigde onder andere aan dat de minimumjeugdlonen in stappen zouden worden afgeschaft, de doelgroep van het WML werd uitgebreid en er waren nog andere maatregelen. Overigens kost deze afschaffing van de minimumjeugdlonen de werkgevers geen cent, onder andere door allerlei subsidieregelingen. Bij de herziening van het WML was het aanvankelijk de bedoeling ook een minimumuurloon in te voeren op basis van een 38-urige werkweek. Dit zou in sommige gevallen een verlaging van het WML betekenen, bijvoorbeeld wanneer in de cao een 36-urige werkweek was afgesproken. (Vooral, denk ik, in bedrijfstakken waar de vakbonden sterk zijn.)Nederland kent tot nu toe geen wettelijk minimumuurloon. De uurlonen worden gebaseerd op de duur van de werkweek die vakbonden en werkgevers hebben afgesproken. Als de werkweek 36 uur is, wordt het minimum maandloon gedeeld door 36 om op een minimum uurloon uit te komen. Is de werkweek langer, dan wordt het gedeeld door het aantal uren van die langere werkweek, en is het minimumuurloon dus lager. In het ene geval verdien je minstens het WML door 36 uur in de week te werken, in het andere geval door 38 of zelfs 40 uur te werken. Dus het minimumloon is in bedrijfstakken met een relatief korte werkweek, hoger dan in andere bedrijfstakken. Maar de invoering van een minimum uurloon werd door de vorige regering van sociaal-democraten en liberalen in de ijskast gezet. Blijkbaar kon men het niet eens worden over de berekening van het minimumuurloon.Onder het kabinet Rutte I werden pogingen gedaan, de zogenaamde Wet Werken naar Vermogen in te voeren. Belangrijk uitgangspunt van de wet was, door middel van loonwaardebepalingen vast te stellen in hoeverre een gedeeltelijk arbeidsongeschikte of langdurig werkloze voor een werkgever het minimumloon kon terugverdienen. Als iemand bijvoorbeeld zestig procent van het WML kon verdienen dan hoefde de werkgever maar zestig procent van het WML uit te betalen. Het inkomen van de werknemer werd dan aangevuld tot het sociale minimum middels een bijstandsuitkering. In feite dus een afschaffing van het WML voor deze groep. Maar het wetsvoorstel, in een regering zonder Partij van de Arbeid, is een stille dood gestorven. In plaats daarvan werd de Participatiewet ingevoerd. Met het aannemen van de Participatiewet werd ook een systeem van loonwaardebepalingen geïntroduceerd, maar dan krijgt de werkgever voor het gedeelte van het WML dat een werknemer niet terug kan verdienen een subsidie. De werknemer heeft dan minstens een WML en hoeft geen beroep meer te doen op de bijstand, als hij/zij tenminste een voldoende aantal uren werkt. Het geeft echter wel aan, dat in neo-liberale kring de opvatting bestaat, dat het WML te hoog is en in bepaalde gevallen niet moet worden toegepast. En zie, demissionair minister Asscher legde de hele zaak op het bordje van de onderhandelaars over de nieuwe regering. Hij lijkt de regeling onder de vorige regering te hebben tegengehouden, maar liet op 20 april toch een wetsontwerp publiceren, waarin het minimumuurloon wordt geregeld. Het wetsontwerp werd aangeboden voor ‘internetconsultatie’. Iedereen kan er nu op internet zijn of haar zegje over doen, maar de beslissingen erover zullen moeten worden genomen door de volgende regering. Als die het minimumuurloon baseren op een lange werkweek (38 uur of meer) zal het minimumloon in veel bedrijfstakken omlaag gaan.Slecht nieuws voor arbeidsongeschiktenVolgens de laatste miljoenennota van het vorige kabinet zal een volgend kabinet ook weer onpopulaire maatregelen moeten nemen in de gezondheidszorg, omdat vanaf 2018 opnieuw een snelle stijging van de zorgkosten zou worden verwacht. Verschillende opiniemakers hebben daarop naar voren gebracht, dat de privatiseringen in de gezondheidszorg erg duur zijn. Nederland is mondiaal op de ranglijst van landen met de duurste gezondheidszorg gestegen van de achtste naar de vierde plaats. De bovenste landen op de ranglijst hebben allen een geprivatiseerde gezondheidszorg. De vorige regering kondigde aan dat nieuwe maatregelen of nieuwe akkoorden nodig zijn om de stijging van de kosten in de gezondheidszorg te voorkomen. Dit zijn geen goede berichten voor de chronisch zieken en gehandicapten, die het de afgelopen vijf jaar ook financieel zwaar te verduren hebben gehad. Chronisch zieken en gehandicapten zijn er onder de kabinetten Rutte I en II zwaar op achteruit gegaan. Ze zagen hun zorgkosten in die periode verdubbelen. Dat meldde het Nibud, het instituut voor budgetvoorlichting in september vorig jaar.Maar er is meer. Een commissie van topambtenaren van de ministeries van Sociale Zaken en Financiën publiceerde afgelopen week een rapport over de toekomst van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. En daar heb je het neo-liberale argument weer: hoe kunnen we zorgen dat (potentiële) arbeidskrachten zodanig in een dwangpositie komen, dat ze de voorwaarden waaronder de bazen hen te werk willen stellen zonder meer aanvaarden. Werkgevers vinden, zo staat in het rapport, dat zij wel erg veel risico’s op hun bordje hebben. Immers de werkgevers moeten bij ziekte twee jaar doorbetalen en dus doen ze aan risico selectie: ze nemen geen arbeidskrachten die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, of waarbij een mogelijk risico op ziekte zou kunnen bestaan. Een van de neo-liberale opties die de ambtenaren op de formatietafel leggen is dat de uitkering voor zieke werknemers omlaag moet om hen meer te prikkelen aan het betaalde werk te gaan en om de periode dat de werkgever ziekengeld moet betalen te verkorten. Dan worden hun lasten verlicht en zullen ze gemakkelijker gedeeltelijk arbeidsongeschikten aannemen… Het zou in het kader van dit artikel te ver voeren om dergelijke redeneringen in het kader van neo-liberale denkmodellen verder te behandelen. Velen hebben dat elders al gedaan, trouwens.Al met al is duidelijk dat wordt gebroed op aanzienlijke verslechteringen in de sociale zekerheid of wat daarvan nog bestaat om de loonkosten voor de werkgevers te drukken ten koste van de bestaansvoorwaarden van miljoenen mensen, met name arbeidsongeschikten en werklozen die moeilijk aan het werk komen omdat dat er eenvoudigweg te weinig is.MilieubewegingDe milieubeweging, althans een gedeelte daarvan, ziet de bui al hangen bij de uitruil van vergroening van de economie enerzijds (meer indirecte belastingen in plaats van directe, wat desastreus kan zijn voor de inkomensverdeling tussen arm en rijk) en verlaging van de loonkosten voor werkgevers en verdere vermarkting en verslechtering van de bestaansvoorwaarden voor de meeste mensen anderzijds. Op 16 april publiceerden milieuorganisaties, waaronder Milieudefensie, en de vakbond FNV een rapport waaruit bleek dat de armste huishoudens in Nederland relatief het meeste aan het klimaatbeleid betalen: ruim vijf procent van hun inkomen. De rijkste tien procent van de Nederlanders betaalt slechts 1,5 procent. Bovendien profiteren hogere inkomens het meest van subsidieregelingen, terwijl de armste Nederlanders in feite het minste vervuilen. Het nieuwe rapport brengt voor het eerst in kaart hoeveel de armste huishoudens, de rijkste huishoudens en huishoudens met een middeninkomen uitgeven om ervoor te zorgen dat Nederland zich houdt aan het verdrag van Parijs. In dat verdrag is afgesproken dat de opwarming van de aarde tot twee graden beperkt moet blijven. Daarvoor zal de uitstoot van broeikasgassen in 2050 tot vrijwel nul moeten zijn teruggebracht. De boodschap van het rapport is duidelijk: de lasten moeten eerlijker worden verdeeld.In feite gaat het om de vraag of de vergroening van de maatschappij in het algemeen en van de economie in het bijzonder zal plaats vinden binnen de vertrouwde kaders van een enigszins aangepast neo-liberalisme of niet. Daarbij is ook van belang hoe de nieuwe regering de “participatiemaatschappij van onderop” waar Jesse Klaver het steeds over heeft, gaat inpassen in het marktdenken van het neo-liberalisme. Overal in de maatschappij hebben mensen collectieve oplossingen verzonnen om de productie van goederen en diensten te vergroenen en om de gaten die vielen in het sociale zekerheidsstelsel op te vangen door zelf in collectieve organisaties hulpverlening, ondersteuning van medemensen en inkomensvoorziening of verzekeringen daarvoor op te zetten, soms in het kader van marktdenken. De nieuwe regering zal dit wellicht verder onder de voorwaarden van het marktdenken willen plaatsen. Daarbij zal het net als bij de beschikbaarheid van arbeidskrachten voor de bazen gaan om de vraag, hoe arbeidskrachten gedwongen kunnen worden om de gaten op te vullen die ontstaan door de afbraak van collectieve voorzieningen waarbij mensen, die een oplossing willen verzinnen voor die gaten het werk zelf vrijwillig en onbetaald of in eigen gefinancierde voorzieningen moeten gaan doen, en moeten meewerken aan verdringing van betaalde arbeid door vrijwilligerswerk, zoals de vervanging van betaalde chauffeurs op buurtbussen door vrijwilligers. Bijvoorbeeld meer “keukentafelgesprekken” georganiseerd door de gemeente, decentraal, onder ander in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, met als vraag: wat kan de omgeving zelf doen? Je laat oma toch niet verpieteren? Er is niets tegen vrijwilligerswerk, maar het moet niet misbruikt worden om ook noodzakelijke collectieve voorzieningen met betaalde professionals af te breken.Het afgelopen half jaar werd het ene na het andere “manifest” voor de duurzaamheid geproduceerd, waar een uiteenlopende groep organisaties, bedrijven en politieke partijen zich achter schaarde. Wat mij vooral opvalt aan al die manifesten is, dat hooguit vage bewoordingen worden gewijd aan het vraagstuk van de dreigende verdere verarming van delen van de bevolking bij een groene herstructurering van de economie en of die herstructurering moet plaatsvinden in het kader van neo-liberale denkmodellen waarbij het gedrag van velen getracht wordt te sturen door middel van financiële prikkels die hen in een dwangpositie brengen.VakbondenWe keren terug naar de waarneming van Wiegel. Zonder de instemming van een sterke sociaal-democratische stroming in de Nederlandse politiek en een sterke positie in de vakbeweging en daarmee de legitimatiebasis onder de bevolking zouden de ingrijpende hervormingen waarop de onderhandelaars over de nieuwe regering broeden wel eens veel verzet kunnen oproepen, wanneer veel mensen de verdere afbraak van sociale zekerheid en arbeidsvoorwaarden aan den lijve gaan voelen en zij gaan beseffen, dat de mensen die relatief weinig inkomen hebben moeten opdraaien voor de milieumaatregelen, waarbij het proces dat de rijken steeds rijker en machtiger worden en de armen steeds armer gewoon doorgaat in een maatschappij met het eenzijdige marktdenken van ieder voor zich. Vorige week werd bekend dat de vakbonden niet langer met werkgevers willen praten. De weerstand van werkgevers om het derde WW-jaar voor ouderen te repareren, was de druppel voor FNV, CNV en de Vakcentrale voor Professionals (VCP) die de emmer deed overlopen. Zij hebben alle overleggen in de polder tot nader orde opgeschort. De reparatie van de WW maakte deel uit van het sociaal akkoord dat een aantal jaren geleden is afgesproken, en dit akkoord staat dus nu onder grote druk. Vandaag zal voor het eerst blijken of de bevolking in verzet komt. Vandaag demonstreert de FNV in Amsterdam. Nu parlementair links alles tezamen genomen de grootste nederlaag heeft geboekt sinds de Tweede Wereldoorlog wordt buitenparlementaire actie meer dan ooit belangrijk. De liberalen weten dat veel mensen niet op hen hebben gestemd vanwege de hervormingsprogramma’s bij de afbraak van de verzorgingsstaat. Het is echter de vraag of de bestaande linkse politieke partijen, vastgeroest in het parlementarisme en een compromispolitiek met de rechtse partijen, de weg zullen weten te vinden om het verzet geloofwaardig mee vorm te geven. Eigenlijk zou bij overschrijding van de organisatorische grenzen van de linkse politieke partijen een hernieuwde discussie op gang moeten komen bij links over de verhouding tussen buitenparlementaire actie en parlementair werk en niet alleen binnen de PvdA of de SP. Ik doe een voorspelling. Ook als de 1 mei-demonstratie geen succes wordt en GroenLinks ingaat op de rechtse avances, misschien vanuit een overwinningsroes, dan worden het toch mooie tijden voor buitenparlementair links. Maar makkelijk zal het niet worden. De vakbonden worden op hun beurt overal door de bazen buiten spel gezet, onlangs nog bij Jumbo, maar ook bij andere cao-onderhandelingen zoals in de horeca.Piet van der Lende
]]>

zondag 23 april 2017

Domela Nieuwenhuis Museum blijft behouden

Het gemeentebestuur van Heerenveen was van plan om de subsidie voor het Museum Heerenveen, waar het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum deel van uitmaakt, voor een tweede maal fors te verkleinen. Werd deze een paar jaar geleden al met 92000 euro verlaagd, nu moest daar nog eens 65000 euro van af. Het bestuur van het Museum maakte duidelijk dat dan geen erkend museum in stannd kan worden gehouden. Sluiting dreigde.Het Domela Nieuwenhuis Museum is een van de weinige persoonsmusea en zeker ook een van de oudste in de wereld gewijd aan iemand uit de arbeidersbeweging. Het bestaat sinds 1925 en richt zich niet alleen op het leven van Domela Nieuwenhuis, maar ook op diens ideeen. Het wil uitdrukkelijk het politieke en sociale bewustzijn van de bezoeker aanspreken.Het museum is in Heerenveen bij uitstek op zijn plaats. Heerenveen was immers de hoofdplaats van het district Schoterland, dat in 1888 met Domela Nieuwenhuis de eerste socialist naar de Tweede Kamer stuurde. Zijn eerste daad daar was aandacht vragen voor de slechte levens- en werkomstandigheden van de veenarbeiders.Dankzij een petitie en andere (lobby) acties lukte het om het gemeentebestuur van Heerenveen ervan te overtuigen, dat de bezuinigingen niet terecht waren. Het museum blijft open!Naar aanleiding van alles op zondag 23 april maar eens een bezoek gebracht aan het museum. Mijn indrukken. Wel grappig is in dit mooie museum dat de ruimten waar Domela wordt herdacht geintegreerd zijn in de ruimten die gaan over de geschiedenis van Heerenveen. Je loopt bij wijze van spreken langs het bureau en de boekenkast van Domela, met boeken van Marx, Bakoenin en Kropotkin en je slaat een hoek om en het gezicht van een telg uit het geslacht van de 18e eeuwse regenten/uitbuiters familie Van Haren staart je aan in de zogenaamde Herenkamer, die vlak naast de ruimten ligt die gaan over Domela. Verschillende telgen uit de familie van Haren waren in de 18e eeuw grietman in verschillende grietenijen in Zuid-Oost Friesland. Hierondert het portret van zo’n grietman, boven de beroemde tekening van Domela door zijn zoon.Misschien is het voor mensen die niks hebben met de streek iets minder leuk. Ik vond het wel geweldig, maar de tentoonstelling is vooral objecten en fotoos uit het persoonlijk leven van Domela, en veel schilderijen en zijn bureau en boekenkast en zo. Ik denk dat in de tijd dat de objecten verzameld zijn de mensen wel wisten hoe de bewegingen die hij leidde in elkaar zaten, ze hadden het zelf meegemaakt en misschien Domela nog gekend, dus ze hadden wat dat betreft geen nadere toelichting nodig. Maar veel meer recente mensen hebben dat denk ik niet zo. Dus wat dat betreft is de tentoonstelling, die qua opzet nooit geactualiseerd lijkt te zijn, een beetje verouderd. Ik zag graag een actualisatie in die zin, dat het natuurlijk intigrerend is hoe Domela er met zijn SDB in slaagde de ongeorganiseerden, de flexibele werkkrachten in de veenderijen, de armen, de losse werklieden in de steden te organiseren en er in de SDB een echte massa beweging van te maken. Hoe werkte de SDB wat dat betreft? Daarover is niets te vinden.]]>

woensdag 5 april 2017

Reportage over armoede in Nederland

Link naar de interviewsOok even in beeld bij het interview met Piet: Petar Kapralov, Jacques Peeters en Willem Banning. Zij kwamen op dat moment voor een discussie met Annemarie van Gaal, dat werd uitgezonden door WNL Opiniemakers.Discussie WNL OpiniemakersDe opnamen hebben plaatsgevonden op 28 april ]]>

vrijdag 24 maart 2017

Petitie voor het Domela Nieuwenhuis Museum

 hspace=Petitie voor het Domela Nieuwenhuis MuseumDeze petitie willen we aanbieden aan het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Heerenveen om aan te tonen dat ons bezwaar tegen de bezuiniging een breed maatschappelijk draagvlak heeft.Hou Domela in Heerenveen!De petitie is succesvol verlopen. Door deze en andere acties in Heerenveen heeft het gemeentebestuur besloten, de bezuinigingen terug te draaien. Domela blijft in Heerenveen en het museum blijft open!Begeleidende tekst van de petitie: Het gemeentebestuur van Heerenveen is van plan om de subsidie voor het Museum Heerenveen, waar het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum deel van uitmaakt, voor een tweede maal fors te verkleinen. Werd deze een paar jaar geleden al met 92000 euro verlaagd, nu moet daar nog eens 65000 euro van af. Daarmee houdt het museum een budget van 100.000 euro over. Het bestuur van het Museum heeft duidelijk gemaakt voor dat bedrag geen erkend museum in stand te kunnen houden. Het Museum Heerenveen zal dus gaan sluiten en dat betekent dan ook sluiting van het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum in Heerenveen. Het gevolg hiervan zal zijn dat de collectie van het Domela Nieuwenhuis Museum uit Friesland gaat verdwijnen.Het Domela Nieuwenhuis Museum is een van de weinige persoonsmusea en zeker ook een van de oudste in de wereld gewijd aan iemand uit de arbeidersbeweging. Het bestaat sinds 1925 en richt zich niet alleen op het leven van Domela Nieuwenhuis, maar ook op diens ideeën. Het wil uitdrukkelijk het politieke en sociale bewustzijn van de bezoeker aanspreken.Het museum is in Heerenveen bij uitstek op zijn plaats. Heerenveen was immers de hoofdplaats van het district Schoterland, dat in 1888 met Domela Nieuwenhuis de eerste socialist naar de Tweede Kamer stuurde. Zijn eerste daad daar was aandacht vragen voor de slechte levens- en werkomstandigheden van de veenarbeiders. Het museum kan zo op een heel concrete manier bijdragen aan het verhaal van Heerenveen, dat het gemeentebestuur zo graag wil vertellen, en dat niet alleen beperkt kan blijven tot de rijke heren van Oranjewoud of de aanwezigheid van de Oranjes aldaar. Daarnaast completeert het museum prachtig het aanbod van de musea in Gorredijk en Nij Beets, die zich richten op de geschiedenis van Opsterlân (inclusief de vroege socialistische beweging aldaar) en op de geschiedenis van de vervening.Sluiting van het Domela Nieuwenhuis Museum zou voor de gemeente Heerenveen betekenen dat het niet alleen een boeiend museum gewijd aan een van de belangrijkste Nederlandse socialisten en anarchisten kwijtraakt, maar ook een mooie kans om het verhaal van Heerenveen compleet te maken. Daarnaast biedt Domela Nieuwenhuis een mooie gelegenheid de geschiedenis van Heerenveen te verbinden met de landelijke en internationale geschiedenisTeken de petitie nu!http://ferdinanddomelanieuwenhuis.nl/petitie/]]>

dinsdag 7 maart 2017

Politiek

Accelerationisten voor robotisering en tegen het arbeidethos

Accelerationisme, wat is dat nu weer? De accelerationisten of “versnellingsaanhangers” worden zo genoemd, omdat ze vinden dat detechnologische ontwikkelingen best sneller zouden kunnen verlopen. Datkan volgens hen veel sneller en vooral: heel anders. Er zijnconservatieve en progressieve accelerationisten. Het boek “Inventing the future”, geschreven door Nick Srnicek en Alex Williams, behoort tot deprogressieve stroming. Uit het boek blijkt dat automatisering enrobotisering helemaal niet zo snel gaan als wel zou kunnen. Zo is in deindustrie in de VS nog maar in tien procent van de bedrijven een robotingevoerd, terwijl dat in andere fabrieken ook wel zou kunnen.

Vooralsnog is het voor de kapitalisten echter goedkoper om mensen het werk te laten doen, vanwege de lage lonen en de flexibilisering van dearbeid. De accelerationisten eisen dat zoveel mogelijkproductieprocessen zoveel mogelijk worden gerobotiseerd. Maar hetkapitalisme en de wetmatigheden die daarbij gelden, zit dat strevenflink in de weg.

Utopie

In het boek wordt gesteld dat een links programma met perspectief er als volgt uit moet zien:
1. volledige werkloosheid en volledige robotisering van alle productieprocessen eisen;
2. felle kritiek leveren op het westerse arbeidsethos, waarbij betaaldwerk wordt beschouwd als zaligmakend en de enig mogelijke bron vanontplooiing en inkomensvoorziening;
3. de invoering van een universeel leefbaar basisinkomen;
4. drastische arbeidstijdverkorting met behoud van loon, waarbij devoorkeur van de auteurs uitgaat naar verlenging van het weekend,bijvoorbeeld met een vrije vrijdag als begin.
Een onhaalbare utopie, niet te betalen, droom maar lekker verder en ditwordt niks? De auteurs betogen dat links zijn utopisch perspectief iskwijtgeraakt, en dat dit een van de oorzaken voor haar teloorgang is.Zij leggen dat uit aan de hand van een analyse van de opkomst en detriomf van het neo-liberalisme. Aanvankelijk was dat een obscurestroming in de economie en vormde het keynesianisme de dominantehoofdmoot. Maar vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw bouwden deneo-liberalen vanuit de Mont Pellerin Society geduldig aan eeninfrastructuur die hun ideeën over de hele wereld moest verspreiden endie het neo-liberalisme hegemoniaal moest maken. Daarbij speeldendenktanks een belangrijke rol.

De neo-liberalen hebben zich in eerste instantie niet gericht op degrote groep, maar op de elites die de landen besturen. Diemaatschappelijke bovenlaag moest worden overgehaald. Er werdenonderzoeksinstituten opgericht of geïnfiltreerd, waarbij de aanhangersvan de neo-liberale theorieën hun gedachtegoed als de enige oplossingnaar voren schoven, op basis van ‘wetenschappelijk’ onderzoek. Toenbegin jaren tachtig van Thatcher en Reagan aan de macht kwamen, haddende neo-liberalen aan de zijlijn al meer dan vijftien jaar geduldiggewerkt aan de opbouw van hun infrastructuur. De argumentatie en deframing van belangrijke koppelingen, zoals neo-liberalisme + vrijheid =dynamische vooruitgang, lagen klaar voor de wereldleiders, die datvervolgens hegemoniaal hebben gemaakt.

De neo-liberale denktanks bekommerden zich aanvankelijk niet om dehaalbaarheid van hun plannen. Nadat ze een deel van de elite haddenovergehaald met gemakkelijk te lezen neo-liberale utopieën in kortegeschriften, richtten ze zich op de rest van de bevolking, waarbijsteeds meer mensen overtuigd raakten van de juistheid van de theorieënen waarbij het onderwijs een belangrijke rol speelde. De denktanksorganiseerden uitgebreide opleidingen voor studenten aan deuniversiteiten, de toekomstige managers. Overtuigd van de neo-liberaleopvattingen gingen die verder met het verspreiden ervan. Ze zagen deutopieën als een soort stip aan de horizon waar naartoe gewerkt moestworden en waarbij alle tussenstappen aan de hand van die stip aan dehorizon beoordeeld moesten worden. De neo-liberalen waren aanvankelijkzeer verdeeld over diverse al dan niet te nemen maatregelen. Ze bouwdenaan een flexibele theorie waarin voor verschillende stromingen van hetneo-liberalisme plaats was, vanuit de utopieën die ze ontwikkelden.

Surplus aan ‘overbodigen’

Wat betekent de inzet van nieuwe utopieën op basis van de genoemdeeisen voor de actualiteit? De neo-liberalen analyseerden de economischeen sociale ontwikkelingen in de jaren zestig en zeventig, toen weinigennog van het neo-liberalisme hadden gehoord. Ze constateerden dat hetkeynesianisme geen antwoorden had op ontwikkelingen in het kapitalismedie toen aan de gang waren. Er was stagflatie, inflatie met een groeivan de massawerkloosheid. De neo-liberalen dachten erover na hoe ditprobleem via hun theorieën kon worden gemanaged. Dat versterkte desuggestie dat hun opvattingen moesten worden doorgevoerd.

Naar analogie van de neo-liberalen analyseren de auteurs van“Inventing the future” de huidige problematiek. Wereldwijd is er sprakevan de groei van een surplus aan potentiële arbeidskrachten, die omdiverse redenen niet meer door de kapitalistische productie kunnenworden opgenomen. Er is een groeiende groep ‘overbodigen’, die niet meer via de koninklijke weg van de betaalde arbeid in hun onderhoud kunnenvoorzien. De politiek van de staat bestaat eruit om deze steedsgroeiende groep economisch ‘overbodigen’ te managen, eronder te houden,te reguleren vanuit een oogpunt van openbare orde, zonder het probleemop te lossen. Dat geldt voor wat “economische vluchtelingen” wordengenoemd en de grenscontroles voor de een en toegang vanuit Oost-Europaop de westerse arbeidsmarkt voor de ander. Maar ook voor bijvoorbeeld de bijstandsgerechtigden die onder de Participatiewet vallen. Het managenvan het surplus aan ‘overbodige’ arbeidskrachten heeft deels eenloondrukkende functie en deels een functie voor het bijdragen aan deafbraak van andere arbeidsvoorwaarden en sociale voorzieningen.

Dat surplus kan worden ingedeeld in verschillende groepen. Er zijnmensen die helemaal niets hebben en die zijn aangewezen op de informeleeconomie om te overleven. En er zijn groepen die nog werk hebben of dietoegang hebben tot wat er over is van de sociale zekerheid. De discussie daarover, ook binnen links, blijft hangen in de dagelijkse actualiteitvan relatieve belangentegenstellingen tussen verschillende groepen,waarbij een bijdrage wordt geleverd aan het sleutelen aan hun onderlinge verhoudingen en rechten en plichten, zonder dat te overstijgen om zoeen daadwerkelijke oplossing voor iedereen te vinden. Via een utopischperspectief, zoals de neo-liberalen dat hebben ontwikkeld, weliswaar ineen heel andere richting, moeten we bouwen aan een alternatief dat eenmenswaardig bestaan voor allen opeist. Dan kunnen – net als bij desocialisten voor de Tweede Wereldoorlog – onze tussenstappen wordenbeoordeeld aan de hand van het uiteindelijke doel en de weg ernaar toe.

Horizontalisme

De auteurs van het boek suggereren dat links veel van deneo-liberalen kan leren. Ook wij moeten ons in eerste instantie nietbekommeren om de haalbaarheid van onze oplossingen, maar voorbij dedictatuur van de actualiteit bouwen aan een kennis-infrastructuur,waarbij via platforms van denkgroepen met gebruikmaking van internet enandere moderne communicatietechnologieën de opvattingen en oplossingendie wij voorstaan, langzaam worden verspreid. Daarbij formuleren deauteurs naast de mogelijke eisen die hierboven werden genoemd nog eenpaar uitgangspunten.

De auteurs analyseren niet alleen de klassieke socialistischestromingen, zoals die van invloed waren voor de Tweede Wereldoorlog, ende sociaal-democratie met haar omarming van het keynesianisme, maar ookde nieuwe sociale bewegingen sinds 1968, en de nieuwe bewegingen in meer recente tijd, zoals de mondialiseringsbeweging en de Occupy-beweging.Ze constateren dat die nieuwe sociale bewegingen niet een duurzaamantwoord hebben kunnen formuleren op de teloorgang van de socialistische bewegingen en de sociaal-democratie, en het verval van het communismein Oost-Europa. Ze vragen zich af hoe dat komt.

Daarbij leveren ze kritiek op wat ze noemen “folkpolitics”, volgenshen het uitgangspunt van de nieuwe sociale bewegingen tot nu toe. Watzijn daar de kenmerken van? In de eerste plaats de verheerlijking vanhet horizontalisme. Dat betekent dat verticale organisatiestructuren met een hiërarchische representatie van een achterban door gekozenvertegenwoordigers in een soms bureaucratische organisatie of viaverkozen organen van parlementaire snit werden verworpen. Beslissingenmoeten worden genomen in algemene vergaderingen mer face toface-relaties, waar iedereen een gelijke stem heeft en net zolanggediscussieerd wordt tot er een consensus ontstaat. Er wordt naargestreefd dat niemand in die algemene vergaderingen meer macht heeft dan de ander, en iedere beslissing moet in die algemene vergadering wordengenomen. In de tweede plaats is er volgens de auteurs de verheerlijkingvan het kleinschalige en het lokale. Klein en lokaal is mooi enmilieuvriendelijk, grootschalig en mondiaal is verwerpelijk, leidt tothet slepen met goederen over de wereld, wat zeer milieuvervuilend is.Grootschalige productiestructuren op basis van mondiale productie vanonderdelen van het product worden verworpen.

Organisatiestructuren

De auteurs van het boek zien deze uitgangspunten als deorganisatorische blokkades voor het verder verspreiden van de socialebewegingen tot een machtige stroming, die de ontwikkelingen in de wereld zou kunnen beïnvloeden. Het horizontalisme betekent in veel gevallen in de eerste plaats vaak een impliciete uitsluiting van sommige groepen.Om deel te nemen aan de vaak lang durende algemene vergaderingen bij een actie, zoals een bezetting of een staking, wordt van de deelnemers veel energie en tijd gevraagd. En kennis en vaardigheden om het geheel tekunnen overzien. Veel mensen hebben die tijd, energie, kennis envaardigheden niet, en worden zo uitgesloten.

In de tweede plaats leidt het ver doorgevoerde horizontalisme ertoedat de discussie beperkt blijft tot de situatie van de bezetting zelf en de voortzetting ervan. Dergelijke organisatiestructuren zijn ongeschikt om een antwoord te formuleren op de abstracte en complexe mondialestructuren van nu in het neo-liberalisme en in de kapitalistischeproductie, die alleen begrepen en bestreden kunnen worden door meergeavanceerde organisatiestructuren op te zetten.

De verheerlijking van het lokale en kleinschalige leidt ertoe datgeen samenwerkingsverbanden op grotere schaal ontstaan die gemanagedworden. De Occupy-beweging slaagde er niet in om coalities met anderegroepen aan te gaan en een duurzame coördinatie te bewerkstelligentussen de diverse Occupy-groepen. De auteurs plaatsen verder vraagtekens bij de veronderstelde milieuvriendelijkheid van lokale productie, dievaak als een soort dogma in de milieubeweging wordt gehanteerd. Ze geven voorbeelden van productie die beter mondiaal georganiseerd kan worden.Dit zijn onder meer de redenen waarom de nieuwe sociale bewegingen welsuccessen hebben geboekt bij het doorvoeren van verbeteringen opbescheiden schaal, bijvoorbeeld het openhouden van een bibliotheek, hetaangaan van convenanten met grote bedrijven over de uitgangspunten vande productie of het invoeren van sociale milieuvriendelijkedoelstellingen in een klein deel van de kapitalistische productie doormiddel van kleinschalige milieuvriendelijke productie. Maar diebewegingen zijn er niet in geslaagd om het neo-liberalisme werkelijkfundamenteel uit te dagen en te beïnvloeden. Ondanks de socialebewegingen gingen de neo-liberale ontwikkelingen gewoon door. Datvereist een utopisch perspectief op basis van organisatiestructurenwaarin bureaucratie als neutraal middel, representatie en hiërarchischestructuren ook aanwezig zijn om een effectieve macht voor een beterewereld op te bouwen.

Cyborgs

Na lezing van het boek heb ik wel wat bedenkingen. De verheerlijkingvan de technologische vooruitgang bijvoorbeeld loopt in het boek uit opde veronderstelling dat we open zouden moeten staan voor de ontwikkeling van cyborgs, half mens, half machine. Nou, ik weet het niet, hoor. Datlijkt me toch een idee waar haken en ogen aan zitten. In de tweedeplaats is het maar de vraag of de voorgestelde aanpak van de auteurswerkt. Hun analyse van de opkomst van het neo-liberalisme is een beetjeeen samenzweringsachtige theorie, waarbij een klein obscuur groepjegelijkgezinden door slim manoeuvreren erin zou zijn geslaagd om huntheorie hegemoniaal te maken. De auteurs zeggen in dit verband zelfs dat de kapitalisten eerst helemaal niet waren ingenomen met de oplossingendie de neo-liberalen voorstelden. In hoeverre sloot de theorie dan tochnaadloos aan op de problemen die de kapitalisten ondervonden bij deaccumulatie van hun kapitaal en in hoeverre zal een andere alternatievetheorie, die frontaal tegen die belangen ingaat, dezelfde successenboeken?

“Inventing the future: postcapitalism and a world without work”,Nick Srnicek en Alex Williams. Uitgeverij: Verso Books, € 11,49. ISBN:9781784786229.

Piet van der Lende

]]>

vrijdag 13 januari 2017

Duitse presidentskandidaat van die Linke gaat tekeer tegen het basisinkomen

Hier kun je het artikel lezen.]]>

Nieuwe database over armoede en rijkdom in de wereld met nieuwe cijfers

vvEr is door Thomas Piketty een nieuwe website gelanceerd met grafieken, tabellen en cijfers over de inkomensongelijkheid en de tegenstellingen tussen arm en rijk door de eeuwen heen, de World Wealth and Income Database. Je kunt zoeken op verschillende landen en meer dan 110 onderzoekersvan over de hele wereld onderzoeken 70 landen, ook Nederland. Ik moet zeggen dat de database nog niet goed werkt, hij geeft hier en daar als je zoekt een error. Tegelijkertijd werden de resultaten bekend van een nieuw onderzoek naar de tegenstellingen tussen arm en rijk in de Verenigde Staten. Met een opvallend resultaat: het aandeel van de onderste 50% inkomens is gedaald van 20% tot 12% van het totale nationale inkomen tussen 1980 en 2014, terwijl het aandeel dat naar de de top 1% gaat is gestegen van 11% tot 20% ten opzichte van dezelfde periode. Het gemiddelde jaarinkomen van de onderste is 50% blijven steken op ongeveer 16.000 dollar per volwassene (uitgedrukt in constante dollars 2015), terwijl het gemiddelde inkomen van de top 1% is gestegen van 27 maal tot 81 maal dit bedrag, dat wil zeggen van iets meer dan 400 000 dollar in 1980 tot meer dan 1,3 miljoen dollar in 2014.Je kunt hier het nieuwe onderzoek naar de Verenigde staten vinden.

Dit is de nieuwe database]]>

zondag 8 januari 2017

Verslechterende arbeidsvoorwaarden

Piet van der Lende 1Ook al ligt de invoering van een wettelijk minimum uurloon voorlopig in de ijskast, de recente “Wet tegemoetkoming loondomein” biedt de werkgevers alle ruimte voor een loonkostensubsidie. Dat is een compensatie uit de belastinggelden voor extra loonkosten die het gevolg zouden zijn van sociale maatregelen van minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma, beiden PvdA. Enkele nieuwe cao’s laten zien dat de werkgevers druk op de vakbonden uitoefenen om verslechteringen in de arbeidsvoorwaarden door te voeren.

Afschaffen

In december 2015 volgde na jaren onderhandelen een akkoord over een cao voor de supermarkten dat het CNV wel, maar de FNV niet tekende. Volgens Peter van der Put van FNV Handel pleegden de werkgevers symboolpolitiek met de afschaffing van het jeugdloon voor 22-jarigen. Hun aantal, zo bleek uit een enquête van FNV Young & United, was nihil: slechts 2 procent van de 1.600 respondenten was 22 jaar.Een grote meerderheid wees de cao van de supermarkten af. De toeslag voor werk in de avond of het weekend was afgeschaft. Velen hebben een oproepcontract van minder dan twaalf uur per week. Snippercontracten zijn de norm. Slechts een kwart van het personeel heeft nog een vaste aanstelling, een kwart is jonger dan 22 jaar. Het einde van de jeugdlonen voor 22-jarigen kost Albert Heijn niets. Maar het management wil wel voor de loonkostensubsidie in aanmerking komen. Voor de supermarkten snijdt het mes aan twee kanten: geen onregelmatigheidstoeslagen meer en een gratis loonkostensubsidie.IKEA sloot juni 2016 een cao met de door het bedrijf opgerichte ‘vakbond’. Ook hier versobering en deels afschaffing van toeslagen voor onregelmatige werktijden, koopavonden en zaterdagen en het einde aan het jeugdloon voor 22-jarigen. Ook hier buiten de FNV om. IKEA en andere werkgevers willen van de onregelmatigheidstoeslagen af. Ze noemen die regeling “hopeloos ouderwets”, niet passend bij de 24-uurs economie, iedereen doet ’s avonds en in de weekeinden boodschappen, de oude werkuren zijn uit de tijd.

Werkgeverssubsidies

Maar er is meer. De wetgeving zit zo in elkaar dat werkgevers er alles aan zullen doen loonkostensubsidies binnen te halen door onder de minimum cao-lonen afspraken te maken. Oftewel een functieschaal tot 110 procent wettelijk minimumloon. Zo is een maximale subsidie mogelijk. Een dergelijke regeling is vastgelegd in de Grafimedia cao.Het Sociaal Akkoord van staatssecretaris Klijnsma biedt hulp aan mensen met de allergrootste afstand tot de arbeidsmarkt, dus diegenen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Maar veel gehandicapten, zowel middelbaar als hoger opgeleiden, zijn in staat om aan het minimumloon te komen. Om die reden tellen zij niet mee voor de 125.000 banen die er volgens het akkoord voor 2026 moeten zijn. Werkgevers nemen 100.000 banen voor hun rekening, de overheid 25.000. Een regeling voor mensen die onder de participatiewet vallen, zoals Wajongers en mensen die voorheen werk kregen van de gemeente. In ruil hiervoor krijgen werkgevers loonkostensubsidies, een no riskpolis bij ziekte van werknemers en job coaching.De Grafimedia cao bevat de bepaling dat onder anderen Wajongers met ‘een vermogen tot arbeid’ conform het wettelijk minimum(jeugd)loon mogen worden betaald. De berekening van het wettelijk minimumloon gaat uit van een 36-urige werkweek. Dus wordt voor de doelgroep van de participatiewet een uitzondering gemaakt. Maar over de cao zou wel eens opnieuw onderhandeld moeten worden, want bij een 36-urige werkweek verliezen sommige werkgevers hun subsidievoordeel.

Wanhopigen

Het banenplan van 125.000 biedt echter geen enkel soelaas. De afspraken gelden voor hooguit een kwart van de groep arbeidsbeperkten: degenen die het minimumloon niet halen. De bedrijven zullen buiten de doelgroep van het Sociaal Akkoord geen mensen met een arbeidsbeperking aannemen of alleen onder slechte voorwaarden. En dat, terwijl de toestroom naar de participatiewet van arbeidsongeschikte jongeren nog op gang moet komen. Gebeurt dat, zal de Wajong grotendeels afgeschaft zijn en de Wet sociale werkvoorziening hervormd en ingeperkt. Resultaat: op de arbeidsmarkt een groot contingent wanhopigen die alle voorwaarden van de werkgevers moeten slikken. Klijnsma geeft toe dat de maatregelen uit het Sociaal Akkoord een gigantische verdringing op de arbeidsmarkt betekenen en steeds slechtere arbeidsvoorwaarden.Wat te verwachten is, toont het succes van het bedrijf Flextensie waarvan een werkgever bijstandsgerechtigden kan inhuren voor veelal tijdelijk werk. Zonder enige verplichting, behalve de betaling van een overeengekomen uurtarief aan Flextensie. Dat uurtarief, gebaseerd op het minimum uurloon plus werkgeverslasten, varieert van 11,75 tot 12 euro per uur, maar kan ook lager uitvallen, al naargelang de productiviteit van de werkende. De ‘werknemers’ ‘verdienen’ 1,5 tot 2 euro per uur, uitbetaald door Flextensie. Het bedrijf steekt ongeveer een derde van het inhuurtarief in eigen zak. Wat resteert, gaat naar de gemeentekas als besparing op de uitkeringslasten. Met andere woorden: de werknemers worden geacht te werken zonder loon, arbeidsrechten, cao of baangarantie en bekostigen zo een deel van de uitkering. Veel werklozen nemen dit aanbod voor lief. Al 500 gemeenten werken met dit bedrijf.

Race naar de bodem

Op 1 december 2016 riep de FNV op de race naar de bodem op de arbeidsmarkt te stoppen. John Kerstens, Tweede Kamerlid van de PvdA, op de website van zijn partij: “En ik ben het daar hartgrondig mee eens. (…) Daarom strijden we schouder aan schouder met de vakbeweging voor een fatsoenlijke arbeidsmarkt (…) waarop collega’s niet elkaars concurrenten worden en niet tegen elkaar worden uitgespeeld, maar samenwerken. Een arbeidsmarkt waarop mensen niet als kostenpost worden gezien waarop je zoveel mogelijk bezuinigt, maar als het grootste kapitaal van een bedrijf waarin je juist investeert.”Huichelen, dat is het. In de aanloop naar de verkiezingen zal Asscher dit verhaal herhalen. En daarna zal er onderhandeld worden over de hoogte van een wettelijk minimum uurloon.
1 Een korte versie van een artikel over actuele sociale wetgeving – terug te vinden bij 319 extra 2. (terug)
]]>

zaterdag 31 december 2016

In de media

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/niet-iedere-werkloze-gebaat-bij-verplichtingen-en-dwang~bc05d0ea/‘Profiteurs van de bijstand? Laten we ruilen’. Verhalen van mensen in de bijstand o.a. interview met Jacques Peeters van de Bijstandsbond. Volkskrant. Marko de Haan. 2 februari 2016. https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/-profiteur-van-de-bijstand-laten-we-ruilen-~bf7a9a15/ ]]>