pagina's

woensdag 12 februari 2020

Position paper van de Bijstandsbond over evaluatie van de Participatiewet


Op 20 februari houdt de vaste commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer een rondetafelgesprek over de Participatiewet. Aanleiding voor het gesprek is het rapport “Eindevaluatie van de Participatiewet” (1) van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). De Amsterdamse Bijstandsbond (2) neemt ook deel aan het gesprek en heeft bovendien een “position paper” naar de Tweede Kamer opgestuurd. Hieronder de integrale tekst van dat stuk, waarmee de Bijstandsbond vanuit een visie van onderop forse kritiek levert op het beleid tegen mensen met een uitkering.

Ervaringen met de Participatiewet

Wij baseren dit position paper op de spreekuurervaringen van de Bijstandsbond. We hebben een inloopspreekuur in Amsterdam, waar wekelijks 20 tot 30 mensen komen, maar er bellen en mailen ook mensen uit andere delen van het land. De Bijstandsbond is een basisorganisatie van en door bijstandsgerechtigden en andere mensen met een uitkering, waarbij wij in ons spreekuur en bij belangenbehartiging handelen vanuit het perspectief van de mensen die het betreft.

De Participatiewet is de strengste bijstandswet ooit: sollicitatieplicht, huisbezoeken, tegenprestaties, het verplicht volgen van een re-integratietraject, werken met behoud van uitkering, sancties en nauwelijks ruimte om bij te verdienen. De wet is ingewikkeld, omdat het principe geldt dat steeds als je elders inkomsten of vermogen verwerft, dit verrekend moet worden met de uitkering, of steeds als je naar de mening van de overheid kosten bespaart, dit ook verrekend moet worden met je uitkering. Verder is er de partnertoets die leidt tot diep ingrijpen in het privéleven van veel bijstandsgerechtigden. Maar het SCP meldt: de wet werkt niet. De repressiemachine kleineert en helpt mensen eerder in de put dan naar een baan. De invoering van de Participatiewet ging gepaard met rigoureuze bezuinigingen. Daardoor wordt door de gemeenten op alles beknibbeld: de uitvoeringsorganisatie, de bijzondere bijstand, etc. Dat heeft verschillende gevolgen, die we hieronder uiteenzetten.

Eerst gaan we in op de gevolgen van de ingewikkelde regelgeving en de beknibbeling op de uitvoeringsorganisatie. Steeds als er belangrijke mutaties zijn, zoals scheiding van tafel en bed, een echtscheiding of een verhuizing, of inkomen uit een deeltijdbaan, treden er moeilijkheden op bij de toegang tot de Participatiewet. Er is vaak een periode, die soms lang duurt, waarin geen bijstandsuitkering wordt toegekend, terwijl de betrokkene juist in deze periode door de mutatie voor hoge uitgaven staat. Het duurt vaak zo lang omdat de uitvoeringsorganisatie niet in staat is om op korte termijn de ingewikkelde regelgeving te interpreteren en toe te passen op gecompliceerde persoonlijke situaties en de uitvoeringsorganisatie niet de capaciteiten heeft (kennis, personeel) om alles op een adequate wijze af te handelen.

Het systeem van voorschotten verstrekken werkt niet goed. In de wet staat dat de gemeenten na 4 weken tot 95% van de norm aan voorschotten kunnen verstrekken, maar in de praktijk voeren gemeenten dat vaak niet uit, weigeren ze een voorschot of verstrekken ze maar een klein percentage van de norm. De betrokkene doet dan een beroep op de omgeving, en krijgt geld van vrienden, bekenden en familieleden om de tijd door te komen. Dat levert dan weer moeilijkheden op bij de toekenning van de bijstandsuitkering, of de voortzetting ervan, want de sociale dienst wil bepalen of die giften geen inkomsten zijn en hoe men in de moeilijke periode aan geld gekomen is. De sociale dienst stuurt handhavers op pad, terwijl de betrokkene juist in een moeilijke periode zit, wat veel stress en slapeloze nachten oplevert. Die handhavers vragen je het hemd van het lijf, waardoor mensen zich in hun privacy aangetast voelen en onheus bejegend. En er worden bij de beoordeling fouten gemaakt, omdat men er bij voorbaat van uitgaat dat de betrokkene fraudeert.

De overheid gaat vaak uit van een geïnstitutionaliseerd wantrouwen jegens haar burgers, wat zich uit in opmerkingen en redeneringen van klantmanagers. Het komt voor dat dan de uitkering niet wordt toegekend, omdat niet alle gevraagde bewijsstukken zijn ingevoerd. Of gemeenten melden dat ze op grond van de gegevens niet kunnen bepalen of er recht bestaat op een uitkering. Veel sociale diensten gaan bureaucratisch-ambtelijk en gevoelloos met de situatie om, hoewel de betrokkene geen fraude heeft gepleegd. Hieronder worden enkele van de problemen die voortvloeien uit de combinatie van bezuinigingen, ingewikkelde strenge wetgeving en een geïnstitutionaliseerd wantrouwen jegens de burger nader uitgewerkt.

Verdienen naast je uitkering

Sinds enige tijd mogen inkomsten uit werk tot 6 maanden terug verrekend worden met de bijstandsuitkering. De uitvoering van deze maatregel laat veel te wensen over. Mensen krijgen geen brief met een berekening die ze kunnen controleren en ze moeten uit de uitkeringsspecificatie afleiden dat er inkomsten verrekend zijn.

Bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand in veel gemeenten is totaal afgeknepen. De tijd is voorbij dat je voor duurzame gebruiksgoederen, zoals een wasmachine, een koelkast of een stofzuiger, in bijzondere omstandigheden bijzondere bijstand kon krijgen. De betalingen aan bewindvoerders en de eigen bijdrage-vergoeding in het kader van juridische procedures nemen het grootste deel van de bijzondere bijstand in beslag. Er wordt in veel gemeenten standaard gezegd: u kunt van uw uitkering sparen. Maar dat is niet waar. Als je spaargeld opbouwt, dan kom je niet meer in aanmerking voor kwijtschelding van gemeentelijke heffingen en waterschapslasten van tussen de 300 en 400 euro per jaar. Dit bedrag moet je eerst sparen om de heffingen te kunnen betalen. Pas wat je daarboven spaart, kun je gebruiken om duurzame gebruiksgoederen te kopen.

Kostendelers

De kostendelersnorm verdeelt mensen. Ze kunnen niet meer samenwonen zonder negatieve gevolgen voor hun inkomen, terwijl ze toch al krap zitten en elkaar nauwelijks nog kunnen helpen. De overheid         neemt zo zelf maatregelen die de zelfredzaamheid en de participatie die zij zegt na te streven belemmeren. Met name kostendelers die inwonen bij hun ouders en een kind hebben, terwijl de vader afwezig is, hebben het financieel erg zwaar. Ze komen niet in aanmerking voor zorgtoeslag en het kindgebonden budget. De regering wil dit niet veranderen met het argument dat het landelijk om maar 3.000 gevallen gaat. Maar ieder geval is er een teveel, dus dat is een onzinargument. Onlangs is nog een verslechtering in de kostendelersnorm opgetreden. Eerst was het zo dat bij bloedverwanten in de tweede graad de kostendelersnorm niet van toepassing was, bijvoorbeeld bij twee broers waarbij de ene broer voor de andere zorgt. Na een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is dat veranderd en geldt de kostendelersnorm ook voor hen. De kostendelersnorm moet worden afgeschaft. Het stapelen van uitkeringen, het argument waarmee de kostendelersnorm werd ingevoerd, geldt maar in een klein aantal gevallen.

Leven beneden het wettelijk sociaal minimum

Uit de bovenstaande beschrijving blijkt dat de Participatiewet in de praktijk moeilijk toegankelijk is voor velen. Wij denken dat dat tot gevolg heeft dat velen die recht hebben op bijstand of op een aanvulling deze niet krijgen of pas na een lange periode en dat daardoor velen leven beneden het wettelijk sociaal minimum (WSM). Volgens cijfers van het CBS hadden in 2018 in Nederland 526.800 huishoudens een inkomen lager dan 101% van het WSM. Dat komt overeen met 841.800 personen waarvan 182.100 kinderen. Wij hebben het CBS gevraagd hoeveel van die huishoudens beneden het wettelijk sociaal minimum leven en het CBS gaf de volgende cijfers. In Nederland bedroeg het aantal huishoudens in 2018 lager dan 100% van het WSM 399.000. 105.000 huishoudens hadden zelfs een inkomen lager dan 80% van het WSM. Er kunnen verschillende oorzaken zijn waarom mensen leven beneden het WSM. Beschikken over een vermogen boven de bijstandsnorm is zo’n oorzaak. In Amsterdam heeft 38% van de huishoudens met een inkomen minder dan 80% WSM een vermogen groter dan de bijstandsnorm. In de categorie 80-100% van het WSM heeft 11% een vermogen boven de bijstandsnorm. Van het totale aantal huishoudens tot 120% van het WSM heeft 17% een vermogen boven de bijstandsnorm. Ook bij de AOW-ers die geen AIO ontvangen, heeft een klein percentage een vermogen boven de bijstandsnorm.

Dit is duidelijk niet de hoofdoorzaak waarom mensen leven van een inkomen beneden het WSM. Wij denken dat bijvoorbeeld veel ZZP-ers zonder vermogen leven beneden het WSM. Een groot probleem is dat ZZP-ers in sommige gemeenten geen aanvullende bijstand kunnen krijgen. Sommige gemeenten stellen zich op het standpunt dat je ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel als ondernemer en dat daarom geen aanvullende bijstand mogelijk is. Als ondernemer bijstand ontvangen kan in die gemeenten alleen als je gebruik maakt van de BBZ-regeling of werkzaamheden op bescheiden schaal verricht. In andere gemeenten gaan ze er soepeler mee om en is aanvullende bijstand wel mogelijk. Groot knelpunt is ook dat ZZP-ers die aanvullende bijstand krijgen, geen beroepskosten in rekening kunnen brengen. Wanneer je een IOAZ- of IOAW-uitkering hebt of via de BBZ kan het weer wel. Er is nader onderzoek nodig naar de oorzaken waarom mensen leven beneden het WSM, bijvoorbeeld een onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de effectiviteit, efficiency en bereik van de Participatiewet, zoals met de AOW ook is gebeurd in het rapport “Ouderdomsregelingen ontleed”.

De Participatiewet heeft ook allerlei gevolgen voor de reïntegratie en de positie van arbeidsgehandicapten. Veel arbeidsgehandicapten voelen zich onheus bejegend, omdat er niets voor hen wordt gedaan om hen bezigheden te geven of aan betaald werk te helpen. Tienduizenden met een beperking zitten thuis.

De kwaliteit van de reïntegratietrajecten is beneden de maat. Bijstandsgerechtigden moeten dikwijls met behoud van uitkering zeer eenvoudige werkzaamheden verrichten in werkplaatsen waar ze slecht worden behandeld en zich vernederd voelen. En de bemiddeling van jobhunters vindt uitsluitend plaats in de richting van flexibele ongeschoolde banen waar eerst ook weer met behoud van uitkering moet worden gewerkt. Het zijn standaard disciplineringstrajecten om “werknemersvaardigheden” aan te leren die alleen maar frustrerend werken. Inhoudelijk houdt het “werk” niets in en er zijn geen op maat gesneden toeleidingstrajecten met scholing en het aanleren van nieuwe vaardigheden. De eisen van de werkgevers zijn het uitgangspunt, qua voorwaarden, en een aanpassing aan de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene vindt niet plaats.

Deze situatie is mede een gevolg van de rigoreuze bezuinigingen op de re-integratie, die een persoonlijke benadering onmogelijk maken. Maar het is ook een gevolg van de manier waarop tegen werkloze bijstandsgerechtigden wordt aangekeken. Klantmanagers, jobhunters en andere bemiddelaars oefenen druk uit op de betrokkene om zich aan te passen aan omstandigheden en voorwaarden waaraan hij/zij door beperkingen vaak niet kan voldoen. Vervolgens wordt de schuld bij de betrokkene gelegd, met als gevolg strafkortingen en onder druk zetten met denigrerende opmerkingen.

De jobcoaches en klantmanagers kunnen vaak niet met uitkeringsgerechtigden omgaan, ventileren vooroordelen, behandelen hen slecht of treden ontactisch op. Of ze delen werkzoekenden onterecht in  bij de categorie mensen met een beperking. Of ze zijn welwillend naar de bijstandsgerechtigden toe, maar zijn zelf gedwongen om mee te draaien in dit systeem. Het is nietszeggend labeltjes plakken. Mensen die op zich gezond zijn en die te maken krijgen met een disfunctionerende sociale dienst, worden op een hoop gegooid mensen met een beperking en krijgen daardoor zelf gezondheidsproblemen, zoals depressies en stress. En mensen met een beperking worden nog zieker dan ze al zijn.

De eisen van de werkgevers op het gebied van flexibele constructies staan niet ter discussie. Hen worden geen verwijten gemaakt. De gemeenten hebben geen beleidsinstrumenten in handen om het personeelsbeleid van werkgevers te beïnvloeden.

Het is bijzonder schrijnend in deze maatschappij dat mensen met een beperking tussen twee vuren zitten bij hun zoektocht naar aangepast werk. Zoals gezegd, aan de ene kant zijn er de werkgevers die mensen niet in dienst nemen en geen rekening met de beperkingen wensen te houden, omdat ze alleen veel producerende werknemers aannemen waarmee ze flink geld kunnen verdienen. Aangepast werk is bijna niet te vinden, en de wanhopige sollicitanten worden niet aangenomen of vallen uit door alle problemen op de arbeidsplaats. Aan de andere kant zijn er de sociale diensten die erop inzet om zoveel mogelijk mensen aan het werk te krijgen, zonder resultaat. De sociale diensten zetten bijstandsgerechtigden met een beperking onder druk door te dreigen met strafkortingen. Ze moeten solliciteren naar banen die er voor mensen met een beperking niet zijn, zodat die mensen terechtkomen in moeilijke situaties.

Er zijn veel projecten in het land om werkzoekenden aan werk te helpen. Werkgevers maken afspraken met vakbonden, gemeenten en de rijksoverheid over het aan werk helpen van arbeidsgehandicapten of mensen met een beperking. Wat zijn er de gevolgen van dat het personeelsbeleid van de werkgevers in feite niet is te beïnvloeden? Werkgevers nemen de krenten uit de pap voor een vast contract. Ze nemen bijvoorbeeld geen mensen aan met een psychische handicap, maar wel iemand met specifieke lichamelijke beperkingen die weinig begeleiding vereisen. De resultaten van dergelijke projecten zijn vaag, want ook zonder hulp en projecten stromen mensen vaak uit. Er wordt dan juichend gedaan over de uitstroom in een traject, terwijl de bijdrage van het project aan de kansen op betaald werk gering is. In de praktijk komen arbeidsgehandicapten nauwelijks aan het werk. In de afspraken die worden gemaakt met werkgevers zorgen die ervoor dat ze uit verschillende doelgroepen kunnen putten, bijvoorbeeld de doelgroep migranten naast arbeidsgehandicapten. Dat maakt het voor hen gemakkelijker om de krenten uit de pap te vissen.

Dwangarbeid

Het is af en toe in het nieuws: uitkeringsgerechtigden, meestal mensen met bijstand, die door gemeentebesturen gedwongen worden om in allerlei werkprojecten met behoud van uitkering arbeid te verrichten. En dat soms tot in lengte van dagen, zonder perspectief op een regulier arbeidscontract of reguliere arbeid voor een loon elders. Mensen moeten onder een bijstandsregime vaak ver beneden hun opleidingsniveau zeer eenvoudige werkzaamheden verrichten zonder perspectief op verbetering.

Op de spreekuren van belangenorganisaties en vakbonden komen schrijnende verhalen binnen over misstanden die heersen in de dwangarbeidprojecten. Slechte werkomstandigheden, intimidatie, vernederingen, dreigen met stopzetting van de uitkering als je niet constant naar de pijpen van de werkmeesters danst, en vaak zelfs daadwerkelijke kortingen of stopzettingen van de uitkering voor de meest futiele “overtredingen” van de zeer strenge regels. Schrijnend is dat je in dergelijke projecten vaak niets leert en dat ze op geen enkele manier bijdragen aan je kansen op de arbeidsmarkt. Ook meer in zijn algemeenheid worden soms zeer strenge sancties toegepast, zoals een korting van 100% gedurende een maand, oplopend tot een uitsluiting uit de uitkering van drie maanden. Deze sancties moeten worden afgeschaft.

Wij zijn in Amsterdam en elders samen met andere organisaties in opstand gekomen tegen deze mensonterende omstandigheden en gedeeltelijk met succes. Wij noemen dergelijke werken zonder loon-projecten dwangarbeid, omdat de omstandigheden voldoen aan de definitie van verboden verplichte arbeid en dwangarbeid in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Werken zonder loon moet stoppen. Ook de tegenprestatie is in feite verboden verplichte arbeid volgens het EVRM, omdat dit niet als doelstelling heeft om mensen toe te leiden naar betaald werk.

Voorstellen

Wat moet er gebeuren?

1. Veel voorstellen zijn de afgelopen tijd in rapporten de revue gepasseerd. Door de WRR worden “basisbanen” voorgesteld. De commissie-Borstlap richt zich ook op de onderkant van de arbeidsmarkt. De vele voorstellen en de rapporten blijven echter stilstaan bij dat ene punt: de werkgevers zijn, als puntje bij paaltje komt, in hun personeelsleid volstrekt autonoom. Op die manier worden al die voorstellen een afkoopsom voor werkloosheid. Dat geldt ook voor een basisinkomen. Verder behelzen de voorstellen maatregelen die werken via het prijsmechanisme, waarop de werkgevers moeten reageren. Flexibele arbeid duurder maken bijvoorbeeld, in de hoop dat de werkgevers dan hun beleid zullen bijstellen. Het is sterk de vraag of deze indirecte manier van beïnvloeden via het marktmechanisme echt werkt. De Partij van de Arbeid heeft voorgesteld om aan de ene kant werkgevers te belonen die hun personeel zekerheid geven, en aan de andere kant werkgevers te belasten die de risico’s afschuiven op de werknemers. Zo wordt het veel aantrekkelijker om mensen weer in dienst te nemen. En bedrijven die het goede met hun mensen voor hebben, worden zo niet langer weggeconcurreerd door bedrijven die de werknemers uitknijpen. Aldus dat voorstel.

In onze ogen hebben al deze maatregelen aanvechtbaar effect. Nodig is een hernieuwde discussie over directe beïnvloeding van het personeelsbeleid van de werkgevers door de werknemers, in het kader van een agenda over democratisering van de economie. Verder zouden aanzetten kunnen zijn: herverdeling van de arbeid, arbeidstijdverkorting, vroege pensionering, arbeid naar de menselijke maat, terugdringing van de sociale onzekerheid, en verhoging van de minimumlonen en de daaraan gekoppelde uitkeringen, waarbij het wettelijk minimumloon naar 14 euro per uur gaat. Het bijstandsbedrag is simpelweg te laag, Op initiatief van de FNV loopt er nu een campagne voor verhoging van het minimumloon naar 14 euro per uur. De Bijstandsbond en veel andere organisaties hebben zich bij deze campagne aangesloten. Juist omdat mensen niet kunnen sparen voor bijvoorbeeld duurzame gebruiksgoederen of voor wat dan ook, moet de bijstandsuitkering substantieel omhoog.

2. Wat betreft de sociale onzekerheid: oppositie en regering discussiëren over een meer algemene verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Iedereen die werkt, zou steun moeten krijgen als het even tegenzit. Het moet niet uitmaken of je liever als zelfstandige aan de slag gaat of meer hecht aan een vast contract. Waar het om gaat, is dat alle werkenden moeten kunnen rekenen op een goed pensioen én een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Volgens ons moet deze nieuwe volksverzekering tegen arbeidsongeschiktheid niet alleen gelden voor werkenden, maar voor alle inwoners. Dus ook voor bijstandsgerechtigden. Veel bijstandsgerechtigden zijn arbeidsongeschikt en kunnen niet werken. Dat heeft ook het SCP geconstateerd. Zolang die verzekering tegen arbeidsongeschiktheid er niet is, moeten die mensen met rust worden gelaten. Het opjaagbeleid van nu moet stoppen.

3. Wij pleiten voor een sociale bijstand, waarbij mensen niet worden gestraft voor werkloosheid, maar ze met vertrouwen worden behandeld en waarbij werken loont. Geef bijstandsgerechtigden meer rechten om te kunnen onderhandelen met de diverse partijen. In plaats van dwang en rechteloosheid die misbruik in de hand werkt. Geef mensen de mogelijkheid om zich te verdedigen. In dit kader pleiten wij ook voor afschaffing van de sollicitatieplicht. Veel bijstandsgerechtigden willen graag werken, de sollicitatieplicht is overbodig. Geen werken zonder loon en geen dwang op het gebied van een tegenprestatie, dat is wat we willen. De bezuinigingen van 2015 op de reïntegratiebudgetten moeten worden teruggedraaid. Voorzover reïntegratietrajecten worden uitgevoerd, moet dat gebeuren met instemming van de betrokkenen, gezamenlijk met hen, dus geen van bovenaf bedachte projecten waarbij vervolgens mensen in die projecten worden geduwd. Vaak passen die van bovenaf bedachte projecten niet bij de mensen en sluiten die niet echt aan op de gevraagde kennis en vaardigheden op de arbeidsmarkt. Sociale ontwikkelbedrijven kunnen de functie         van de vroegere sociale werkplaatsen overnemen.

4. Ondanks bovenstaande volksverzekering tegen werkloosheid zal bijstand nodig blijven als laatste vangnet voor mensen die in de andere regelingen buiten de boot vallen, bijvoorbeeld vrouwen die te maken hebben met een echtscheiding. Dat moet echter een andere bijstand worden dan nu. Geen kostendelersnorm, en verruiming van de mogelijkheden om een opleiding te volgen.

5. Als basis voor de ontwikkeling naar een socialere bijstand moet er een onderzoek komen naar de oorzaken van het feit dat honderdduizenden beneden het wettelijk sociaal minimum leven, bijvoorbeeld door de Algemene Rekenkamer.

]]>

zondag 19 januari 2020

Samen voor 14 - campagne voor hoger minimumloon

Solidariteit – Commentaar 399 – 19 januari 2020

Piet van der Lende

Al eerder besteedde Solidariteit aandacht aan de nieuwe beweging “Samen voor 14”. De benaming voor een initiatief van de FNV, waarbij bewust de samenwerking wordt gezocht met buurtorganisaties, belangenverenigingen en actiegroepen om samen op voet van gelijkwaardigheid van onderop een sociale beweging op te bouwen.

Organizers van de FNV gaan naar de buurten in de steden om te proberen lokale actiegroepen “Samen voor 14” te vormen. Uiteindelijk moet het een landelijke beweging worden, waarbij het voornaamste concrete actiedoel is om de politiek zover te krijgen het wettelijk minimumloon naar 14 euro per uur te verhogen. Maar het initiatief poogt ook een nieuw elan te bewerkstelligen om de belangenbehartiging van mensen aan de onderkant van de samenleving nieuwe impulsen te geven. De beweging is nadrukkelijk antiracistisch en streeft op basis van diversiteit en inclusiviteit (dus niemand uitgesloten) naar de deelname van veel groepen in de samenleving. Gericht op het doorbreken van de kunstmatige, door rechtse propaganda aangewakkerde, verdeeldheid langs etnische, sociale en culturele scheidslijnen.

Lange adem

De opbouw van de beweging “Samen voor 14” is een project van de lange adem. Het is tegenwoordig niet eenvoudig meer om mensen in beweging te krijgen. Velen hebben het vertrouwen in de politiek verloren en herinneren zich de defensieve acties van vroeger zonder resultaat, waarbij we kunnen denken aan de uitspraak van de vroegere VVD-minister Zalm, toen er een demonstratie voorbij trok op het Binnenhof: Ik zal naar ze wuiven.

Velen moeten ook alle energie die ze nog hebben, besteden aan het dagelijkse rondkomen, de eindjes aan elkaar knopen via een te lage uitkering of via laagbetaald en inspannend flexibel werk. En velen zijn arbeidsongeschikt of gehandicapt en beschikken niet, zoals de boeren, over de financiën van kapitalisten en andere middelen om harde acties uit te voeren. Ook blijkt het integreren van de antiracisme strijd eenvoudiger gezegd dan gedaan. In de praktijk is het best lastig om te gaan met spanningen tussen groepen en het buiten de deur houden van opvattingen uit PVV en FvD. Veel mensen wantrouwen niet alleen politici, maar ook vakbonden, hoewel de FNV nog altijd een miljoen leden heeft en veel mensen enthousiast zijn over de nieuwe campagne. Daar komt bij dat velen zich zo machteloos voelen dat ze geen hoop en ook geen geloof meer hebben dat het ooit nog door sociale strijd beter gaat worden. Het is van groot belang om die impasse te doorbreken.

Groeiende beweging

Het initiatief “Samen voor 14” is in april vorig jaar voorzichtig in Rotterdam begonnen en langzaam maar zeker breidt de beweging zich uit. Er zijn nu groepen gevormd in de vier grote steden Den Haag, Rotterdam, Amsterdam en Utrecht die zich in verschillende stadia van ontwikkeling bevinden. Ook in kleinere steden zijn of worden groepen opgezet, zoals in Nijmegen, Haarlem, Leiden, Leeuwarden, Helmond, Maastricht, Heerlen, Zaanstreek. Er zijn inmiddels al flink wat bijeenkomsten, acties en demonstraties gehouden.

De publiciteit in de grote media valt nog wat tegen. Daarvoor heeft de beweging blijkbaar nog niet genoeg ‘body’. Maar de resultaten zijn positief. In Amsterdam werd op 12 december een actie gehouden bij de ‘miljonair fair’, om de groeiende tegenstelling tussen arm en rijk aan de kaak te stellen. De actie kende qua deelnemers een grote diversiteit. In feite gingen veel kleine groeperingen die in Amsterdam actief zijn voor het eerst sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw weer samen de straat op voor een gezamenlijke actie. Dit betekent nu al een versterking van de belangenbehartiging van en voor mensen met een minimaal inkomen in de stad. Het uitdragen van een expliciet antiracistisch standpunt blijkt succes te hebben: opvallend veel ‘niet witte mensen’ sluiten zich bij de campagne aan. Dat is verheugend en noodzakelijk, als we in deze multiculturele samenleving vooruitgang willen boeken in onze strijd tegen onrecht en armoede.

Plannen

Stip aan de horizon is 16 januari 2021. Dan moeten groepen uit het hele land samenkomen als ‘kick off’ voor de twee laatste maanden voor de verkiezingen op 21 maart. Het moet een inspiratiedag worden, waarbij zoveel mogelijk mensen samen gaan bespreken hoe kan worden geïntervenieerd in de verkiezingscampagnes van de politieke partijen om de noodzaak van de verhoging van het minimumloon tot 14 euro onder de aandacht te brengen.

Nu al wordt op bijeenkomsten van politieke partijen, op eigen bijeenkomsten met fora van politici en tijdens acties en demonstraties, de eis van een hoger minimumloon aan de orde gesteld. En ook wordt er een begin gemaakt met het vormen van ‘kernen’ van activisten in diverse steden die de campagne moeten dragen en uitbouwen. De ‘inspiratiedag’ zou bijvoorbeeld in de Jaarbeurshallen in Utrecht kunnen worden gehouden, maar de definitieve plaats is nog onbekend. Maar de campagne richt zich niet alleen op de politiek. Bij de FNV is het nu arbeidsvoorwaardenbeleid. Dat betekent dat bij iedere cao onderhandeling de 14 euro minimumloon als eis moet worden neergelegd. En dat gebeurt ook. Alleen bij de ene werkgever wordt het meer een gevecht dan bij de ander.

Komende acties in Amsterdam

Het streven is om in Amsterdam nog voor de zomer van dit jaar een kern van 65 activisten met een minimuminkomen te vormen. Met als bedoeling dat mensen met een minimuminkomen vanuit hun eigen ervaringen in de media, aan politici en aan werkgevers vertellen hoe het is om van een minimum te moeten rondkomen.

Deze kerngroep gaat allerlei acties organiseren. Tot de zomer wordt iedere 14de van de maand een actie gehouden, te beginnen met 14 februari. Dan is het Valentijnsdag. De Amsterdamse groep van “Samen voor 14” denkt erover om op die dag een groot hart met leuzen naar de Beurs te dragen. Het zou dan gaan om een statement van de kleine beurzen aan de grote beurs. Verder is het plan om in april en mei een actieweek te houden, zoals dat in december ook het geval was. Het idee is om de diverse groepen die aan de campagne deelnemen, zichtbaar te maken. Ook zullen we ons dan richten op de hotemetoten die de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen aan het schrijven zijn.

]]>

maandag 13 januari 2020

Amsterdamse wethouder Groot Wassink wil met “cohorten aanpak” mensen uit de bijstand jagen

De Amsterdamse wethouder Rutger Groot Wassink van Sociale Zaken heeft op 18 december een brief(pdf) gepubliceerd waarin een nieuwe aanpak van bijstandsgerechtigden wordt uitgelegd, de zogenaamde “cohorten aanpak”. Ondanks mooie woorden over links beleid is dit het zoveelste project om mensen uit de bijstand te jagen. Iedereen wordt opgeroepen, ook arbeidsongeschikten. En het huisbezoek wordt als drukmiddel ingezet. Het zal weer veel angst en stress veroorzaken bij mensen die niet kunnen werken.

De Participatiewet is sowieso een onmenselijke wet door de complexe regelgeving, de vele verplichtingen en de strenge voorwaarden waarbij je iedere cent die je extra krijgt weer moet inleveren. De wethouder gaat nu de wet strak uitvoeren, hoewel hij er zelf ook kritiek op heeft. En het ergste is nog dat al die ambtenaren en politici denken dat ze goed bezig zijn.

Uitroken

De ambitieuze en onhaalbare doelstelling om het aantal bijstandsgerechtigden in Amsterdam terug te dringen van 40.000 naar 30.000 legt druk op de werkwijze, de visie en de beoordelingen van klantmanagers. Zij moeten scoren. Het zal onrechtvaardige beoordelingen regenen en mensen onterecht in moeilijkheden brengen. Op zich is er niets op tegen om mensen op te roepen zoals de vorige wethouder, Arjan Vliegenthart, dat deed: een goed gesprek in een buurthuis, waarbij de baanlozen zelf een eigen inbreng hebben en mensen die zichzelf kunnen redden, met rust worden gelaten. Maar de “cohorten aanpak” van Groot Wassink is nadrukkelijk bedoeld om bijstandsgerechtigden uit te roken. De nauwe koppeling van de oproepen en de gesprekken aan de uitstroomdoelstelling – het gaat uitsluitend om gesprekken om te kijken of iemand aan het werk kan, zo blijkt uit de oproepbrief – betekent dat alles en iedereen onder druk komt te staan, waarbij de vertrouwenskloof tussen de bijstandsgerechtigden en de uitvoeringsorganisatie alleen maar groter wordt.

Het overgrote deel van de Amsterdamse bijstandsgerechtigden is arbeidsongeschikt, dat geldt ook landelijk. Waarom wil dat maar niet doordringen tot de beleidsmakers en waarom blijven ze voortdurend focussen op uitstroom naar betaald werk? In Amsterdam leven 40.000 gezinnen beneden het sociale minimum, zo blijkt uit de Armoedemonitor. Veel mensen met een laag inkomen zien er van af om een beroep te doen op de gemeente om hun inkomen aan te vullen tot het wettelijk sociaal minimum (wsm). Mensen die het wel proberen, raken verstrikt in de complexiteit van de regelgeving en de strenge eisen van de Participatiewet, waarmee die wet moeilijk toegankelijk is. De gemeente heeft niet veel beleidsvrijheid om daar echt iets aan te doen, want het gaat om landelijke wetgeving. Maar in plaats van de ruimte te benutten die er wel is, wordt de gemeentelijke uitvoering strak gekoppeld aan de landelijke regelgeving. De gemeente onderzoekt niet hoe het komt dat zoveel gezinnen onder het wsm leven.

Met het nieuwe beleid van de wethouder worden nu al uitkeringen stopgezet van mensen die niet meteen reageren. Het kan de gemeente niet schelen wat er met hen gebeurt, het wordt niet onderzocht. Ook is onduidelijk wat als gevolg van het nieuwe beleid de uitstroomcijfers tot nu toe betekenen. Vinden mensen duurzaam een baan? Worden uitkeringen stopgezet en je zoekt het verder maar uit? Een eerste vereiste voor de gemeente is om de gevolgen van het nieuwe beleid voor al die mensen te onderzoeken.

Piet van der Lende

]]>

zondag 12 januari 2020

De jacht op bijstanders in Amsterdam is weer begonnen

Ook verschenen in MUG Magazine van januari 2020

De Amsterdamse wethouder Rutger Groot Wassink van Sociale Zaken heeft woensdag 18 december een brief gepubliceerd, waarin een nieuwe aanpak van bijstandsgerechtigden wordt uitgelegd, de zogenaamde ‘cohorten aanpak’. Ondanks mooie woorden over links beleid is dit weer het zoveelste project om mensen uit de bijstand te jagen. Iedereen wordt opgeroepen, ook arbeidsongeschikten. En het huisbezoek wordt als drukmiddel ingezet. Het zal weer veel angst en stress veroorzaken bij mensen die niet kunnen werken.

De Participatiewet is sowieso een onmenselijke wet door de complexe regelgeving, de vele verplichtingen en de strenge voorwaarden waarbij je iedere cent die je extra krijgt weer moet inleveren. De wethouder gaat nu de wet strak uitvoeren, hoewel hij er zelf ook kritiek op heeft. En het ergste is nog, dat al die ambtenaren en politici denken dat ze goed bezig zijn.

De ambitieuze en onhaalbare doelstelling om het aantal bijstandsgerechtigden terug te dringen van 40.000 naar 30.000 legt druk op de werkwijze, de visie en de beoordelingen van klantmanagers. Ze moeten scoren. Het zal onrechtvaardige beoordelingen regenen en mensen onterecht in moeilijkheden brengen. Op zich is er niets op tegen om mensen op te roepen zoals de vorige wethouder, Arjan Vliegenthart, dat deed: een goed gesprek in een buurthuis, waarbij de betrokkene zelf een eigen inbreng heeft en mensen die zichzelf kunnen redden met rust laten.

De nauwe koppeling van de oproepen en gesprekken aan de uitstroomdoelstelling – het gaat uitsluitend om gesprekken om te kijken of iemand aan het werk kan blijkt uit de oproepbrief – betekent dat alles en iedereen onder druk komt te staan, waarbij de vertrouwenskloof tussen de bijstandsgerechtigden en de uitvoeringsorganisatie alleen maar groter wordt.

Het overgrote deel van de Amsterdamse bijstandsgerechtigden is arbeidsongeschikt, dat geldt ook landelijk. Maar waarom wil dat maar niet doordringen tot de beleidsmakers en waarom blijven ze voortdurend focussen op uitstroom naar betaald werk?

In Amsterdam leven 40.000 gezinnen beneden het sociale minimum blijkt uit de Armoedemonitor. Veel mensen met een laag inkomen zien er van af om een beroep te doen op de gemeente om hun inkomen aan te vullen tot het wettelijk sociaal minimum (WSM). Mensen die het wel proberen raken verstrikt in de complexiteit van de regelgeving en de strenge eisen van de Participatiewet, waarmee die wet moeilijk toegankelijk is. De gemeente heeft niet veel beleidsvrijheid om daar echt iets aan te doen, want het gaat om landelijke wetgeving. Maar in plaats van de ruimte die er wel is te benutten, wordt de gemeentelijke uitvoering strak gekoppeld aan de landelijke regelgeving. De gemeente onderzoekt niet hoe het komt dat zoveel gezinnen onder het WSM leven.

Met het nieuwe beleid van de wethouder worden nu al uitkeringen stopgezet van mensen die niet meteen reageren. Het kan de gemeente niet schelen wat er met ze gebeurt, het wordt niet onderzocht. Ook is onduidelijk wat als gevolg van het nieuwe beleid de uitstroomcijfers tot nu toe betekenen. Vinden mensen duurzaam een baan? Worden uitkeringen stopgezet en je zoekt het verder maar uit?

Een eerste vereiste voor de gemeente is om de gevolgen van het nieuwe beleid voor al die mensen te onderzoeken.

Piet van der Lende, Bijstandsbond

]]>

dinsdag 31 december 2019

In de media

Hieronder links naar krantenartikelen, filmpjes en geluidsbestanden van radio uitzendingen uit 2019 waarin mijn naam of die van organisaties waarbij ik betrokken was voorkomt. Internetartikelen zijn alleen opgenomen als de inhoud ook in gedrukte vorm of op radio en TV verschenen is.

Volgens de Bijstandsbond helpt bijverdienen in de bijstand niks. Parool, 8 februari 2019.

Bijstandsbeleid gemeente zet geen zoden aan de dijk. Opinieartikel van Piet van der Lende in Parool 23 mei 2019.

Hoogte bijstandsuitkering blijft steeds verder achter. Artikel in de Volkskrant van 6 juni 2019 van Joris Tieleman waarin de Bijstandsbond wordt geciteerd.

Participatiewet drijft mensen in de bijstand tot wanhoop. ‘De maatschappij zit niet op ons te wachten’. Trouw, 29 november 2019.

Thijs Niemantsverdriet. NRC Handelsblad 5 december 2019. Reportage.
Een lekker matras, een warme douche en een bord zuurkool
In Amsterdam is sinds deze week de winteropvang open. Het aantal daklozen blijft stijgen, waardoor ook ‘zelfredzame’ mensen langer in de tijdelijke opvang blijven. Een klant van de Bijstandsbond wordt geïnterviewd.

Uitzending Een Vandaag van Avro/Tros op 30 december 2019 waarin Marc van Hoof, advocaat van de Bijstandsbond wordt geïnterviewd en opnamen in het kantoor van de Bijstandsbond zijn gemaakt. Over de mislukking van de Participatiewet in een analyse van het Sociaal Cultureel Planbureau.

]]>

woensdag 18 december 2019

Wethouder Groot Wassink lanceert nieuwe aanpak om het aantal bijstandsgerechtigden te verminderen: de cohortaanpak

samenvatting

P. van der Lende

Op 17 december publiceerde gemeente Amsterdam een brief, waarin wethouder Rutger Groot Wassink aankondigt dat in de periode september 2019 tot eind 2022 alle bijstandsgerechtigden worden uitgenodigd voor een gesprek over hun kansen op werk. De stad is verdeeld in 22 gebieden met ongeveer 1500 bijstandsgerechtigden per gebied. Die gebieden met 1500 bijstandsgerechtigden worden cohorten genoemd. De Cohortaanpak is in september 2019 gestart met het gebied Bijlmer Oost, gevolgd door de gebieden Centrum West en Oost per november 2019. Osdorp volgt in december 2019. Overige gebieden volgen in de loop van 2020.

Bij de Cohortaanpak worden per gebied in een jaar tijd alle mensen in de bijstand uitgenodigd voor een gesprek over hun kansen op werk. De caseload van de betrokken medewerkers wordt verlaagd en gecombineerd met de inzet van jobhunters.

In de brief wordt gesuggereerd, dat sommige klanten blij zijn met de aandacht, maar dat het bij andere klanten moeilijk is met hen in contact te komen. Er worden altijd de nodige pogingen ondernomen in contact te komen met een klant, indien nodig met een huisbezoek. De brief is vaag over de eerste resultaten. ‘De eerste resultaten in Bijlmer Oost zijn dat bijna 100 Amsterdammers zijn uitgestroomd uit de uitkering’. Er wordt niet vermeld, bij hoeveel mensen de uitkering is stopgezet omdat ze niet reageerden op de oproepen.

Uitkering aanvragen

Ook voor mensen die een uitkering aanvragen gaat er veel veranderen. De belangrijkste verandering is dat dat direct bij de aanvraag voor bijstand de klant intensiever wordt begeleid richting werk. De intensieve begeleiding duurt 6 maanden. Op 1 december is men in Zuid-Oost van start gegaan met deze nieuwe manier van werken. Daarnaast sluit de gemeente begin 2020 een overeenkomst met het UWV waardoor in de laatste fase van de WW-uitkering al gebruik gemaakt kan worden van de dienstverlening van de gemeente. Daarbij wordt getracht, te voorkomen dat mensen na uitstroom uit de WW in de bijstand terechtkomen.

Intensievere dienstverlening

Daarnaast ontwikkelt de gemeente een intensievere dienstverlening voor specifieke doelgroepen te weten statushouders, (biculturele) jongeren en 50 plussers. Wat de eerste doelgroep betreft: men verwacht dat eind van dit jaar de doelstelling 50% uitstroom van statushouders wordt gehaald. Voor de jongeren ‘met een migratieachtergrond’wordt de aanpak ‘spotlight’ ontwikkeld. Jongeren in de bijstand die na 6 maanden nog niet zijn uitgestroomd richting betaald werk moeten alsnog uitstromen. De bedoeling is door de intensievere aanpak 200 jongeren aan werk of een opleiding te helpen. Een belangrijk onderdeel is het direct voorstellen aan en ontmoeten van werkgevers zodat arbeidsmarkt discriminatie geen rol kan spelen. Dit gebeurt in samenwerking met het Programma Aanpak Arbeidsmarktdiscriminatie en een denktank bestaande uit studenten van de Academie van de Stad. Ook voor 50 plussers zijn er specifieke maatregelen, maar qua uitstroom gaat het daarbij om kleine aantallen

werkgevers

Er worden verschillende samenwerkingsverbanden met werkgevers ontwikkeld. Zuid-Oost Werkt, gesprekken met LCS (Luchtvaart Community Schiphol) Banenplan ZaanIJ, vorming collectief Banenplan Haven/Westpoort, en leerwerk trajecten in de zorg, t.w. het project Calibris, waarbij wijkleerbedrijven en zorginstellingen samenwerken met als doel de deelnemers met behoud van uitkering op te leiden tot een betaalde baan in een zorginstelling, en het project Ingeschakeld ter bevordering van stageplekken voor uitstromers uit het Voortgezet Speciaal Onderwijs. Bij deze twee laatste projecten moeten de komende twee jaar 300 extra werkzoekenden toe te leiden naar een leerwerk traject. Nadere cijfers staan in de brief van de wethouder.

organisatie van de dienstverlening

In de dienstverlening streeft men ernaar, de caseload (aantallen bijstandsgerechtigden) van klantmanagers te verlagen. Dit wil men in de eerste plaats doen door een efficiencyslag: niet meer werken met de treden indeling. Maar in de gebieden Oud-Noord, Bijlmer Oost en Osdorp is men begonnen een integrale werkwijze te ontwikkelen voor alle bijstandsgerechtigden in het gebied, ongeacht de trede waarop zij zijn ingedeeld. In de tweede plaats wil men de vaste formatie uitbreiden.

Klimaatdoelen

De energietransitie en de klimaatdoelen van de stad hebben grote gevolgen voor de stad. Van deze dingen noem ik twee details. Vanuit de gemeente Amsterdam wordt de samenwerking gezocht met marktpartijen om mensen uit de bijstand op te leiden tot zonnepaneelmonteur. Met statushouders is hier reeds ervaring opgedaan. Verder wordt een pilotproject gestart om om instroom in de elektro en installatietechniek voor Amsterdammers met een uitkering te stimuleren. Verder wordt het opstellen van een uitvoeringsplan werkgelegenheidsaanpak Green New Deal aangekondigd, dat voor de zomer van 2020 gereed is.

Lees hier de hele brief van de wethouder. https://www.amsterdam.nl/publish/pages/931814/raadsbrief_voortgang_meer_kans_op_werk.pdf

]]>

vrijdag 13 december 2019

Enige opmerkingen over de actie bij de miljonairsfair

Op 12 december ’s avonds voerden vele groepen en organisaties actie bij de miljonairsfair om de kloof tussen arm en rijk aan de kaak te stellen. Het was in Amsterdam het startschot van de #samenvoor14 campagne voor verhoging van het minimumloon. Het is een nieuwe manier van werken, waarbij de FNV op voet van gelijkheid samenwerkt met tal van organisaties en groepen, die de gelegenheid krijgen hun eigen actievoorstellen te doen en deelbelangen in te brengen. Het is een lang lopende landelijke campagne, waarin van onderop een beweging wordt opgebouwd door in de buurten, op de werkvloer actief te zijn en de mensen thuis op te zoeken. Zo is er wat betreft Amsterdam op 14 januari alweer de volgende actie, georganiseerd door de rose hesjes uit Amsterdam Noord, die als gastvrouwen zullen optreden. Zij organiseren een mars van het Centraal Station naar het Waterlooplein.

Bij het startschot van de acties in Amsterdam liepen vele groepen over de alternatieve rode loper, waarbij ze zichzelf presenteerden. Er waren spontaan mensen die naar voren kwamen om in strijdbare oproepen iedereen op te roepen zich aan te sluiten en om de frustraties over de puissante rijkdom tegenover bittere armoede aan de kaak te stellen. Wij,

Postbezorgers
Roze Hesjes
FNV Schoonmaak
FNV Domestic Workers
FNV Uitkeringsgerechtigden
Dapperdames
Bijstandsbond
Emcemo
ATKB
Assadaaka
Stichting Al Choura
Code Rood
Internationale Socialisten
Rood
NOMA
Focus en Verbinding

Staan op tegen het sociale onrecht in Nederland. Je moet teruggaan naar de tachtiger jaren van de vorige eeuw om weer acties tegen te komen, waarin zoveel uiteenlopende ja, vaak kleine groepen zich aaneensluiten om gezamenlijk actie te voeren waarbij iedereen een actieve inbreng heeft.

Omdat er opmerkingen komen over de zichtbaarheid van de actie van gisteren op internet, waarbij mensen niks kunnen vinden, hierbij een film van de actie. Nogmaals, het was een actie van enthousiastelingen, die van onderop een nieuwe beweging gaan opbouwen voor verbetering van de bestaansvoorwaarden. Minimumloon op 14 euro! Uitgebreide berichten over de actie werden veel gedeeld op sociale media. Het was een enthousiast en strijdbaar samenzijn, dat hoop geeft voor de toekomst. https://www.youtube.com/watch?v=_RnE2mrbFzo

Maar hoe hoopvol en beginnend succesvol de campagne ook is, er moeten heel wat weerstanden overwonnen worden. Jarenlange indoctrinatie door extreem rechts en de gevestigde belangen hebben ertoe geleid, dat lotgenoten naar elkaar wijzen als de grote boosdoener van de armoede, in plaats van de machtigen der aarde in hun rijkdom aan te klagen. Daardoor kwam in Rotterdam de actie eerst niet van de grond. En ook bij de Bijstandsbond is niet iedereen even enthousiast. Het argument ik doe niet meer mee, ik ben binnenkort gepensioneerd is wat dat betreft slechts een van de reacties van mensen die het in mijn ogen niet begrepen hebben. Hoe vaak worden we niet gebeld door leden, die zeggen: ik krijg AOW, ik zeg mijn lidmaatschap op. Kijk zo kunnen we geen solidaire strijdbare beweging opbouwen waarin mensen zelf het heft in handen nemen en veranderingen afdwingen. Machteloosheid wordt zo een self fullfilling prophecy, waarbij je al bij voorbaat negatief staat tegenover de kansen die er nu liggen.

]]>

donderdag 12 december 2019

Participatiewet saboteert wettelijk sociaal minimuminkomen

donderdag, 12 december 2019

De wettelijke garantie dat iedereen minstens het Wettelijk Sociaal Minimum krijgt in Nederland werkt niet als gevolg van de falende Participatiewet.

Onlangs verscheen de Amsterdamse armoedemonitor 2018. Daaruit blijkt, dat al sinds jaar en dag ongeveer een vijfde van de Amsterdamse huishoudens een inkomen heeft tot 120% van het WSM. Het WSM is ongeveer het bijstandsniveau. Ongeveer 41.000 huishoudens hebben een inkomen tussen 100% en 120% van het WSM. 79%- 318.000 huishoudens- hebben meer dan 120% van het WSM. Wat echter opvalt, is dat maar liefst 42.000 huishoudens een inkomen hebben beneden het WSM. Ik vind dat wel veel. 13.000 huishoudens hebben zelfs een inkomen beneden 80% van het WSM.

Het CBS publiceerde in 2011 een onderzoek, waaruit bleek dat in 2009 in Nederland bijna 700 duizend personen van 18 tot 65 jaar leefden in een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Deze grens ligt N.B. lager dan het WSM. Meer dan de helft ((370 duizend) van hen heeft in 2009 betaald werk gehad. Bron: CBS. Op basis van deze cijfers kan worden geconcludeerd, dat ca. 10% van de huishoudens die leeft van minder dan het WSM in Amsterdam woont.

Een trend is ook dat de kloof tussen arm en rijk in Amsterdam toeneemt en de middenklasse slinkt. In 2011 had 30% van de huishoudens een inkomen van 300% of meer van het WSM. In 2017 is dat 35%. Het aantal huishoudens met 120 tot 200% van het WSM is geslonken, van 24% in 2011 tot 21% in 2017. Overigens blijkt ook uit de cijfers, dat bijna de helft van de stadsbewoners het niet breed heeft. Meer dan 40% van het totale aantal huishoudens heeft een inkomen beneden 200% van het WSM.

De grote vraag is natuurlijk: hoe komt het dat zo’n grote groep beneden het wettelijk gegarandeerd sociale minimum zit? Als je op zoek gaat naar de oorzaken blijkt echter, dat de overheid geen idee heeft van hoe dit komt. Ze meten van alles, vragen de mensen het hemd van het lijf, maken databanken met algoritmen (Syri) om maar alles van de minima te weten te komen, maar nee, dit weten ze plotseling niet. Ook zijn mij geen wetenschappelijke onderzoekingen bekend, waarin dit is onderzocht. Er heerst een voor mij pijnlijke stilte. Ook hier weer, ze onderzoeken van alles, maar nee, dit weer niet. Maar het kan zijn dat ik rapporten over het hoofd heb gezien. Ik houd mij aanbevolen voor aanvullende informatie, met name ook hoe dit in andere gemeenten zit. Want landelijke cijfers heb ik niet.

Wat betreft de oorzaken van het feit, dat een grote groep inwoners beneden het WSM zit wordt een tipje van de sluier opgelicht door een recent onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Daar stelde men een rapport samen over de effectiviteit van de uitvoering van de AOW- regeling voor ouderen door de Sociale Verzekeringsbank. Het rapport heet ‘Ouderdomsregelingen ontleed’. Naast de AOW bestaan er aanvullende regelingen voor specifieke categorieën ouderen. De Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) is zo’n regeling. Deze is bedoeld voor ouderen die onvoldoende inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien. Bijvoorbeeld mensen die geen volledige AOW-rechten hebben opgebouwd tijdens hun werkzame leven. Het onderzoek wijst uit dat 48 % tot 56 % van deze ouderen de aanvulling AIO niet krijgen, terwijl zij er wel recht op hebben. Dit betreft 34.000 tot 51.000 huishoudens van een of meer personen. En dat betekent vaak: ze leven beneden het wettelijk sociale minimum. Het niet-gebruik is significant hoger onder rechthebbende huishoudens met een eigen huis met een overwaarde van meer dan € 50.100, dan bij huishoudens zonder huis of met een huis en een overwaarde lager dan de norm. Rechthebbende huishoudens met een huis met een overwaarde van meer dan € 50.100 hebben recht op AIO als lening en niet als gift. Ook hier betreft het een kleine groep, ongeveer 3.500 huishoudens.

Deze uitkomst komt ook overeen met eerder onderzoek van de SVB. Het niet-gebruik komt significant vaker voor bij rechthebbende huishoudens die maar 1% afwijken van het bijstandsniveau dan rechthebbende huishoudens die meer dan 50% afwijken. Het percentage dat een huishouden afwijkt van het bijstandsniveau geeft een indicatie van de hoogte van de AIO. Huishoudens met een inkomen ver onder het normbedrag zullen over het algemeen een hogere AIO-aanvulling ontvangen. Huishoudens die 1% afwijken hebben recht op een AIO-aanvulling van ongeveer € 10 per maand. Het gaat overigens om een kleine groep, ongeveer 1.100 huishoudens. De groep AIO-rechthebbende huishoudens bevat ook een nieuwe doelgroep van de AIO: mensen met een volledig AOW-pensioen en met een jongere partner die geen of weinig inkomen heeft en de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt. Onder bijvoorbeeld Marokkanen komt deze situatie vaak voor. Er blijkt dat 73% van de nieuwe doelgroep op 1 januari 2017 geen AIO ontvangt. Dat komt neer op 4.764 huishoudens. Ongeveer de helft van de huishoudens die geen gebruik maakt van AIO uitkering en dus minder heeft dan het WSM heeft een migratieachtergrond.

Hierboven zijn een aantal redenen gegeven waarom mensen geen aanvulling aanvragen en genoegen nemen met leven beneden het sociale minimum. Sommigen zitten maar weinig beneden het sociale minimum en zien af van de administratieve rompslomp om een tientje of enkele tientjes meer per maand te ontvangen. Anderen hebben een eigen huis en willen dit niet opeten en kiezen er daarom voor in de dagelijkse bekostiging van het levensonderhoud beneden het sociale minimum te leven. De AIO aanvulling is immers een bijstandsregeling, mensen met wat meer spaargeld, een eigen huis of vermogen komen niet in aanmerking, of de aanvulling wordt verstrekt in de vorm van leenbijstand, die moet worden terugbetaald.

Schrijnend is de situatie van AOW-gerechtigden met een jongere partner. In het verleden bestond er een toeslag die AOW-gerechtigden bovenop hun AOW konden krijgen (en soms nog krijgen) als hun partner nog geen AOW kreeg en niet te veel verdiende. Deze toeslag is per 1 januari 2015 vervallen. Hierdoor krijgt de AOW-gerechtigde een AOW-pensioen van een alleenstaande en als de partner geen of weinig inkomen heeft, leven ze dus als huishouden op 70% van het WSM. Hieruit zie je duidelijk, dat als gevolg van regeringsbeleid (lees: bezuinigingen) duizenden beneden het sociale minimum terecht zijn gekomen. Uit de analyse hierboven blijkt echter, dat voor de grote groep niet-gebruikers van de AIO- regeling de bovenstaande redenen niet gelden. Het gaat bij ieder argument om de AIO niet aan te vragen hierboven om een betrekkelijk kleine groep. Waarom vraagt de grote groep geen AIO aan? We weten het niet, ook niet uit het rapport van de Algemene Rekenkamer.

Een volgende indicator zijn de gegevens over het aantal werkende armen dat beneden het WSM leeft. Zoals we hierboven zagen, publiceerde het CBS in 2011 een onderzoek, waaruit bleek dat in 2009 in Nederland bijna 700 duizend personen van 18 tot 65 jaar leefden in een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Van deze werkenden met risico op armoede verdienden drie op de tien hun brood als zelfstandige. Een andere grote groep zijn de werkenden met een flexibel contract. Bron: CBS.

In de periode 2001-2014 is de teruglopende koopkracht van werknemers door de achterblijvende loonontwikkeling vermoedelijk de belangrijkste reden dat het aandeel werkende armen toenam, van 3,1% naar 4,6%. (Cijfers van het SCP die afwijken van de cijfers van het CBS). Ook de dalende winsten van zelfstandigen en toenemende werkloosheid in huishoudens speelden na de eeuwwisseling waarschijnlijk een rol. De groei van het aandeel zzp’ers verklaart een kleiner deel van de toename. Bron: SCP.

Tot zover de cijfers. De grote vraag is natuurlijk: waarom vragen al die mensen geen aanvullende bijstand aan om op het Wettelijk Sociaal Minimum te komen? We stuiten ook hier weer op de falende Participatiewet. Deze wet zou het laatste vangnet moeten zijn om te voorkomen dat mensen beneden het wettelijk sociaal minimum zakken. Maar het is allang geen vangnet meer, maar een gatenkaas, waar duizenden geen beroep op kunnen of willen doen. Wanneer je bijvoorbeeld zelfstandige bent, en je hebt onvoldoende inkomen, dan kun je niet zomaar je bedrijf voortzetten en aanvullende bijstand ontvangen. Je moet een hele bureaucratische procedure in met tientallen bewijsstukken en boekhoudkundige gegevens alvorens je voor bijstand in aanmerking komt. Wij hebben op het spreekuur tal van mensen gesproken, die een deeltijdbaan hadden beneden het sociale minimum, maar die geen bijstand aanvroegen vanwege de administratieve rompslomp waarbij bij de verrekeningen van de inkomsten met de bijstand vele fouten worden gemaakt. Het falen van de Participatiewet, die totaal niet meer is afgestemd op de leefsituatie van veel mensen, betekent dat honderdduizenden in armoede moeten leven.

AuteurPiet Van Der Lende

]]>

zaterdag 16 november 2019

Brochure Veren plukken van een kale kip. De regels voor kwijtschelding gemeentelijke heffingen.

De Bijstandsbond heeft een brochure geproduceerd over de regels voor kwijtschelding gemeentelijke heffingen en waterschapslasten. De regels hebben betrekking op de situatie in Amsterdam. 

De uitleg van de regels wordt voorafgegaan door een analyse over o.a. de belachelijke strenge normen voor de vermogenstoets en een weergave van de politieke discussie over de regels voor kwijtschelding.

U kunt de brochure bestellen door 2 euro over te maken op bankrekening NL22 INGB 0004 554841 t.n.v Bijstandsbond o.v.v. bestelling brochure kale kip en uw adres. Voor leden is de brochure gratis.

U kunt de brochure ook bestellen door een email te sturen naar info@bijstandsbond.org of een whatts app naar 06 26499893

]]>

zaterdag 19 oktober 2019

Naar een nieuwe beweging van mensen die in armoede leven

Ongeveer een jaar geleden heeft de FNV het initiatief genomen tot de beweging samenvoor14. Concrete hoofddoelstelling van het initiatief is een verhoging van het wettelijk minimum uurloon naar 14 euro. Enkele tientallen organizers worden ingezet om de beweging op te bouwen. Het moet een ware sociale beweging worden, waarbij er samenwerking is tussen de FNV en andere organisaties en waarbij in buurten, bedrijven en bij de mensen die in armoede leven wervende acties worden opgezet om door een persoonlijke benadering een beweging van onderop op te bouwen.

Het moet een actie-organisatie worden, waarbij veel ruimte wordt gegeven aan initiatieven van onderop, die door de mensen zelf worden voorgesteld. En het initiatief wil meer zijn dan alleen een beweging voor 14 euro. Het gaat daarbij om de vraag: in wat voor Nederland willen wij leven? Sleutelwoorden zijn solidariteit en inclusie, niemand mag worden uitgesloten. Daarvoor zijn drie dingen belangrijk. Ten eerste is een minimumuurloon van 14 euro een concrete eis om de armoede in Nederland te verminderen. Armoede leidt tot sociale uitsluiting. In de tweede plaats wil om uitsluiting te voorkomen en tegen te gaan de beweging antiracistisch zijn en een weerwoord formuleren naar de mensen toe die racistisch reageren. In de derde plaats wil de beweging om deelname van vrouwen en mannen gelijkelijk te bevorderen feministisch zijn.

samenvoor14 biedt door de manier waarop zij is opgezet in mijn ogen unieke kansen een invloedrijke beweging van armen op te bouwen. Daarbij horen zeker ook de talloze plaatselijke kleine initiatieven die nu op een soort eilandje zonder werkelijk druk te kunnen uitoefenen met de autoriteiten, overleggen om te trachten de belangen van armen te behartigen. Principe bij samenvoor14 is dat een sterke organisatie haar middelen en structuur ter beschikking stelt om in een coalitie met mensen die in armoede leven acties te ontwikkelen. Voorbeelden uit het verleden hebben aangetoond, dat in dat geval grootse dingen mogelijk zijn. Zoals de acties van de werklozenbelangen verenigingen in de zeventiger jaren van de vorige eeuw, in samenwerking met de CPN, de beweging van bijstandsvrouwen tijdens de tweede feministische golf, de anti-armoede beweging eind tachtiger jaren, met steun van de kerken onder de leus ‘armoede is onrecht’ en de Euromarsen, die steunden op werklozenbewegingen in verschillende Europese landen maar met name Frankrijk, waar een structuur bestond van gesubsidieerde werklozencentra die de beweging impulsen gaven. In verschillende landen zijn spraakmakende sociale bewegingen te noemen, waarbij die steunden op een dergelijk coalitieprincipe.

Zwakheden

De oplettende lezer ziet in de voorgaande opsomming dat ook de zwakte van dergelijke coalities met in actie komende armen wordt genoemd: de sociale bewegingen waren slechts tijdelijk. Wanneer de sterke massa-organisatie de stekker uit de coalitie trekt, stort de beweging ineen. Dit kan verschillende oorzaken hebben. De sterke massa organisatie kan een onbetrouwbare partner blijken. De verzelfstandigde werklozenbelangen verenigingen (verzelfstandigd als resultaat van wantrouwen tussen de werklozen en de CPN) bleven sterk steunen op die organisatie, tot die door verdeeldheid uiteenviel. De kerken hebben door de grotere invloed van conservatieve stromingen de solidariteit met groepen van armen afgebouwd en de activistische weg verlaten. Terug naar de charitas. De ineenstorting van de werklozenbewegingen in Frankrijk is een ingewikkeld proces, maar wat daarbij een rol speelde was dat de subsidies aan de werklozencentra werden stopgezet en de centra opgeheven.

Gezien die ervaringen is er een spanningsverhouding tussen de mensen die in armoede leven en hun organisaties enerzijds en de sterke massa-organisatie anderzijds. Zij zou wel eens een onbetrouwbare coalitiepartner kunnen blijken te zijn. De motieven van die organisatie worden gewantrouwd, ze zouden wel eens een dubbele agenda kunnen hebben en door middel van compromissen met de machthebbers in overleg- en lobbysituaties de coalitiepartners buiten spel zetten. En bij een compromis met de machthebbers de steun aan de coalitie intrekken. Daardoor kan de coalitie reeds bij voorbaat verzwakt worden en haken mensen af.

Maar ook in de beweging van armen zelf kan grote verdeeldheid ontstaan. Activisten kunnen de weg van overleg met de overheid opgaan als reactie op de opstelling van de overheid zelf, die enerzijds onverzettelijkheid toont jegens de eisen van de activistische beweging, maar anderzijds tracht een overlegstructuur met de activisten op te zetten door hen aan de vergadertafel uit te nodigen. Dit is tegenover de sociale bewegingen van armen in de zeventiger en tachtiger jaren gebeurd, met het uiteenvallen van de beweging in radikale groepen enerzijds en de beweging van de clientenraden anderzijds. Voormalige activisten namen zitting in overlegorganen, waarbij uitsluitend aan de vergadertafel werd getracht doelstellingen te bereiken. Zij slaagden er niet in, een meer activistische beweging overeind te houden en streefden daar vaak ook niet meer naar.

In de toekomst zal moeten blijken, hoe betrouwbaar de FNV is in de coalitie en of de zwakheden van de vorige bewegingen weer naar voren komen. We leven nu in andere tijden dan in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw. Nu is dat nog niet gebeurd, nu de beweging samenvoor14 nog weinig bekendheid geniet, maar als de beweging meer aan de weg gaat timmeren en er spraakmakende acties komen, zal de beweging ongetwijfeld het mikpunt worden van de rechtse bagger op sociale media, in de pers en bij rechtse of nog ergere politieke partijen en hun aanhangers. Doel van die aanvallen zal o.a. ongetwijfeld zijn om door het karikaturaal uitvergroten van onbelangrijke incidenten of een discussie over symbolen naar aanleiding van wat radikalere acties een wig te drijven tussen de FNV als sterke massa-organisatie enerzijds en de mensen die in armoede leven en hun kleine organisaties anderzijds om zo de beweging te vernietigen.

Je kunt die strategie zo uittekenen. Ik denk dat we het er nu al over moeten hebben hoe we ons tegen die ontwikkeling te weer stellen.

Auteur

Piet Van Der Lende

]]>

maandag 16 september 2019

Verklaring Bijstandsbond Campagne Wettelijk Minimumloon (WML) naar 14 euro per uur

Onder het motto #samenvoor14 heeft de FNV het initiatief genomen tot een campagne en de opbouw van een sociale beweging waar ook andere organisaties deel van uitmaken om het wettelijk minimumloon van 9,82 euro bij een 38-urige werkweek te verhogen naar 14 euro. Aangezien de uitkeringen zijn gekoppeld aan het WML gaan die mee omhoog. De Bijstandsbond steunt deze campagne en doet eraan mee.


Het minimumloon, waar zo’n half miljoen werknemers voor moeten werken, is de afgelopen decennia sterk achtergebleven bij de reële stijging van de gemiddelde lonen. Bijna 2 miljoen mensen zitten onder 130 procent van het minimumloon. Omdat dat minimumloon al jarenlang nauwelijks stijgt, blijven ook de AOW en de bijstandsuitkeringen achter. Want deze uitkeringen zijn zoals gezegd gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Als het WML stijgt, zal dit bij CAO-onderhandelingen gunstige gevolgen hebben voor de CAO-lonen, die dan ook meer omhoog zullen gaan. De eis voor verhoging van het WML steunt de eis van de FNV voor verhoging van de lonen in 2020 met 5%.

De campagne gaat enkele jaren duren. Het onderwerp moet in maart 2021, als er Tweede Kamer verkiezingen zijn, op de agenda staan en daarna moet het minimumloon van 14 euro worden ingevoerd. Om dat na te streven wordt nog tot ver in 2022 actie gevoerd.  Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat het niet alleen een FNV-campagne wordt.

Actievoerders gaan in verschillende steden en dorpen de buurten in om huis aan huis met mensen te praten. Er worden comité’s opgericht van leden en niet-leden van de FNV, die behalve meedoen aan de campagne vanuit de nieuwe organisatiestructuren ook problemen dichtbij huis, in de lokale gemeenschappen en de buurten, aan de orde kunnen stellen. Er zijn nu al in 5 steden activiteiten door de FNV opgezet: Rotterdam, Helmond, Leeuwarden en Amsterdam. Maar ook in andere steden komen initiatieven van de grond zoals in Leiden. 


In Amsterdam worden vele activiteiten ontplooid. Momenteel is men bezig met het opzetten van samenwerkingsverbanden van maatschappelijke organisaties, zelforganisaties van migranten, etc. Een actieweek van maandag 9 december tot zondag 15 december is gepland. Wil je via de Bijstandsbond op de hoogte blijven van de activiteiten, geef je dan op voor de mailinglijst. Mensen die lid zijn van de Algemene Mailinglijst van de Bijstandsbond hoeven zich niet op te geven. Zij krijgen automatisch bericht. 


Opgave mailinglijst via info@bijstandsbond.org

]]>

vrijdag 23 augustus 2019

Globalisering, democratie en nationalisme

Dani Rodrik

Toen even meer dan tien jaar geleden de economische crisis uitbrak, met de bankencrisis en een economische krimp, veronderstelden velen dat dit het einde was van het klassieke neoliberalisme: het streven naar globale vrijhandel op basis van marktwerking, die alle poriën van de (nationale) samenlevingen moest doordringen en toch, althans in sommige westerse staten, gepaard ging met ene beperkte mate van democratie. 



Het neoliberalisme was een middel om te proberen de winsten van kapitalistische ondernemingen weer op peil te brengen ten koste van de welvaart van de burgers en publieke voorzieningen. Tijdens de economische crisis veronderstelde men dat er een tegenreactie zou komen, waarbij weer zou worden teruggekeerd naar meer overheidsinvloed, herwaardering van publieke voorzieningen en verdere ontwikkeling van de democratie. Het neoliberalisme zou tegenover de volkeren zijn geloofwaardigheid verliezen.

Anderen wezen er ook toen al echter op, dat een nieuwe vorm van neoliberalisme zeer wel mogelijk was, maar dan gepaard gaande met een meer autoritaire staat, die met behulp van de nieuwste technologieën op het gebied van volgen en controleren van burgers de volkeren in het gareel zou houden bij handhaving van de (rauwe) kapitalistische markteconomie met minimaal overheidsingrijpen.

Sindsdien gingen de ontwikkelingen in de richting van de laatste optie.

China, een dictatuur met de ontwikkeling van een sociaal kredietsysteem om de burgers te controleren is daarvan een voorbeeld. Ook in westerse kapitalistische landen werden geavanceerde controle- en beïnvloedingssystemen ontwikkeld, zowel bij grote multinationals zoals Google, Facebook en Amazon, als bij de overheid. Hoe moeten we deze ontwikkeling verder analyseren?

Globaliserings- paradox

Dani Rodrik is een beroemde econoom Hij werd bekend om zijn analyse dat het in de huidige mondiale context onmogelijk is om de democratie, nationale zelfbeschikking en economische globalisering tegelijkertijd na te streven. Je kunt slechts twee van de drie tegelijk realiseren. Rodrik laat zien hoe ongelimiteerde globalisering en nationale democratie met elkaar in strijd zijn. In het geval van vrij internationaal verkeer van arbeid en kapitaal is de natiestaat nog slechts de volger van de wereldeconomie. De nationale democratie en de eigen lotsbestemming verdwijnen daarmee, en wordt vervangen door een autoritaire staat die de burgers in het gareel moet houden. In zo’n wereld kan de overheid zich alleen maar aanpassen aan de eisen van de internationale economie en is de eigen beleidsruimte geminimaliseerd. Het nastreven van hyperglobalisering kan wel samengaan met democratie, maar dan alleen in de vorm van ‘global governance’; dit betekent dan dus ook meteen het einde van de natiestaat. De nationale democratie en een sterke nationale overheid kunnen ook samen gaan, maar alleen als er paal en perk wordt gesteld aan globalisering, en de open grenzen dus juist (deels) gesloten worden. Lees meer over de analyse van de theoriën van Dani Rodrik in dit artikel van Robert Went. 

Het antwoord van populistisch rechts

In een helder artikel in de New York Times analyseert een andere beroemde wetenschapper, de historicus Quinn Slobodian hoe populistisch rechts en extreem rechts met het trilemma van Rodrik omgaan.

President Trump en populistisch rechts in verschillende landen willen de vrije beweging van goederen en geld, dus vrijhandel, handhaven, maar niet de vrije beweging van mensen. Ogenschijnlijk doet populistisch rechts iets anders. Trump fulmineert tegen de ‘ideologie van de globalisering’ en de ‘onverkozen, onbetrouwbare bureaucratie’ van instanties als het IMF en de WTO. In feite is na de linkse anders- globaliseringsbeweging van de jaren negentig van de vorige eeuw een nieuwe alternatieve globaliseringsbeweging opgekomen, met kritiek op de globalisering, maar dan van rechts.

President Trump en populistisch rechts prediken niet het einde van de globalisering, maar hun eigen versie ervan, zij willen nog steeds uitgebreide handel en onbelemmerde geldstromen, maar zij trekken een grens waar het gaat om de migratie. Het gaat dus niet om een tegenstelling tussen gesloten versus open samenlevingen, maar om bepaalde aspecten van de globalisering te behouden en andere niet.

Maar hoe moeten we dan de handelsoorlogen zien zoals Trump die voert, in het bijzonder met China? Is dat niet gericht op het ouderwetse streven naar zelfvoorziening van naties met gesloten grenzen? Dat is niet het geval. Trump wenst Amerika niet terug te trekken van de wereldmarkt. De bedoeling is om door unilaterale acties andere landen te dwingen een betere toegang van Amerikaanse producten toe te staan. Maar het doel daarvan is juist vrijhandel zonder barrières.

Ook de Brexit campagne van de Britse conservatieven was en is niet gericht tegen vrijhandel, maar op een overgang van de Europese economie naar een globale, zonder de storing van een regulering vanuit Brussel. Een recent rapport van Britse en Amerikaanse denktanks stelt een nieuw vrijhandelsverdrag voor tussen de twee landen dat een begin zou kunnen zijn van een nieuwe wereldhandels organisatie, een soort WTO 2.0. Doel van die WTO 2.0 zou dan moeten worden Chinese staatssubsidies aan te vallen en een vermindering van door staten gegarandeerde publieke diensten zoals een nationale gezondheidszorg.

Dit patroon van de alternatieve globalisering van rechts herhaalt zich bij rechts-populistische partijen in Duitsland en Oostenrijk. Geen van deze partijen verwerpt eigenlijk de globalisering door te pleiten voor een zelfvoorzienende economie van de natie-staat en terugtrekking van de wereldmarkt. De Europese Unie wordt weliswaar veroordeeld, maar de achterliggende visie is toename van de internationale handel en toename van de concurrentie. Verschillende leiders van de Alternative für Deutschland zijn lid van van een organisatie die vernoemd is naar een van de grondleggers van de neoliberale ideologie van het vrije marktkapitalisme, Friedrich Hayeck: de F. A. Hayek Foundation.

Samengevat is de formule van de rechtspopulistische alternatieve globalisering ja tegen vrije kapitalistische markteconomieën en vrijhandel, nee tegen migratie, democratie, en het uitgangspunt dat alle mensen in principe gelijkwaardig zijn. Of om het anders te zeggen: zij kiezen uiteindelijk in het trilemma van Rodrik voor globalisering en autoritaire staat.

Het zou een onderschatting betekenen van populistisch rechts om daarin alleen vijandigheid jegens andere volkeren te zien, of een achterhoedegevecht tegen de afbraak van de nationale staat en haar identiteit, of de productie van rechtse bagger met vooroordelen. Denktanks uit die hoek zijn wel degelijk bezig een inhoudelijk doordacht alternatief te ontwikkelen voor de neoliberale globalisering zoals die zich sinds de jaren tachtig ontwikkeld heeft en die aanpassing behoeft.

Wat moet het antwoord van links zijn?

Dani Rodrik heeft ook nagedacht over een oplossing voor zijn trilemma. Sommige partijen zoals de VVD en D66, menen voluit te moeten kiezen voor hyperglobalisering, met het uitgangspunt dat we op nationaal beleidsniveau dan dus nauwelijks meer beleid kunnen voeren. We kunnen ons nog slechts aanpassen aan de wereldeconomie. De SP kiest voor een andere route, namelijk het beperken van globalisering in een poging de natiestaat en de eigen nationale beleidskeuzes overeind te houden.

Rodrik analyseert, dat het trilemma zich nu nog niet in alle scherpte voordoet; de globalisering is beperkt, en de natiestaten bestaan nog steeds en hebben nog steeds een grote invloed. Hij betoogt dat geredeneerd vanuit de huidige situatie globalisering juist heel goed kan samengaan met een sterke lokale gemeenschap met een grote beleidsruimte. Het is mogelijk de voordelen van een meer gematigde globalisering veilig te stellen, tezamen met het centrale belang van nationaal of lokaal beleid.

We zien nu in de wereld dat er bijvoorbeeld grote verschillen zijn qua inrichting van de samenleving tussen landen die succes hebben in de globalisering, bijvoorbeeld Nederland en Zweden versus Amerika, als het gaat om zaken als belastingen, inkomensverdeling, onderwijs of sociale zekerheid. Ook in de moderne wereld van de globalisering zijn er blijkbaar nog steeds verschillende wegen voor een natiestaat mogelijk. Het moet volgens Rodrik mogelijk zijn een èn èn verhaal te houden, dat mensen aanspreekt die nu zowel wantrouwen hebben tegen de globalisering als tegen de nationale overheid. Enerzijds moeten zowel het oude neoliberalisme als het rechts-populistisch alternatief voor globalisering onder kritiek gesteld worden als een onrechtvaardige, ongereguleerde en ondemocratische kapitalistische ordening die gepaard gaat met grote ongelijkheden tussen armoede en rijkdom in de wereld. Deze kritiek moet mede centraal worden gesteld bij de bestrijding van populistisch rechts. Belangrijke thema’s zijn: kwijtschelding van schulden van ontwikkelingslanden, een aanpak van ecologische en sociale wantoestanden en rechtvaardige regels voor wereldhandel en internationale financiële transacties.

Anderzijds is er nog steeds ruimte om op nationaal niveau een ander beleid te voeren, waarbij een rechtvaardig sociaal beleid kan worden gevoerd. Het telkens terugkerende excuus dat bepaalde rechtvaardige maatregelen niet kunnen vanwege de niet te beïnvloeden globalisering en internationale concurrentieverhoudingen of de regels van de EU moet worden ontmaskerd.

Maar voorwaarde voor de ontwikkeling van een dergelijke politiek zijn sociale bewegingen en bijvoorbeeld vakbonden die zich zowel op het nationale niveau richten als op internationale samenwerking om een beweging op te bouwen die de èn èn politiek vorm kan geven en waarbij de andere oplossingen van het trilemma- hyperglobalisering zonder democratie en nationale zelfbeschikking zonder internationale globalisering- worden verworpen.

Piet van der Lende

]]>

Daklozen, spookjongeren, voedselbanken en miljonairs

Zomaar wat berichten van de laatste maand. Vandaag maakte het CBS bekend, dat het aantal daklozen in Nederland in tien jaar tijd meer dan verdubbeld is. In 2009 waren 17.800 mensen dakloos.  Vorig jaar waren dat er 39.300. Vooral het aantal jonge daklozen is in tien jaar tijd toegenomen. Vorig jaar was 1 op de 3 daklozen tussen de 18 en 30 jaar. Uit de cijfers blijkt verder dat het vaak mannen zijn die dakloos zijn en dat meer dan de helft van de daklozen een migratieachtergrond heeft.

Dinsdag maakte de koepel van voedselbanken bekend, dat het aantal deelnemers aan voedselbanken is gestegen. Uit de halfjaars enquête onder de voedselbanken blijkt dat het klantenaantal nog steeds toeneemt. Het aantal geholpen huishoudens steeg met 8%. Het aantal kinderen steeg met bijna 7%

De samenstelling van het klantenbestand lijkt te veranderen. Er werden relatief meer alleenstaanden en een ouder gezinnen geholpen. Het aantal ouderen dat een beroep doet op voedselhulp stijgt ook. Dit zou kunnen komen doordat de kosten van levensonderhoud harder zijn gestegen (BTW verhoging, en energie) dan de pensioenen en AOW.


Eind juli werd bekend dat het aantal spookjongeren toeneemt. In principe staan burgers in Nederland ingeschreven bij de gemeente op het adres waar je woont. Spookjongeren staan niet ingeschreven bij de gemeente. Of ze hebben de afkorting ‘VOW’ achter hun naam. Dat zit zo. Bij een verhuizing geef je dat door aan de gemeente. Maar soms doet men dat niet. Of iemand anders schrijft jou uit zonder een nieuw adres van jou op te geven. Dan krijgt de persoon waarvan de woonplaats onbekend is de afkorting VOW achter zijn of haar naam. ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’. In 2018 hadden 50.124 jongeren tussen de 18 en 27 jaar de letters VOW achter hun naam, ruim 1500 meer dan het jaar ervoor. Die letters VOW achter een naam hebben grote gevolgen. Als de gemeente niet weet waar je bent, dan wordt je BSN-nummer als het ware bevroren. Dat betekent dat je kan fluiten naar alle voorzieningen van de verzorgingsstaat. Je kunt geen zorgverzekering afsluiten, uitkering aanvragen of een baan aannemen. Jongerenwerkers zien deze doelgroep vaak afglijden in de criminaliteit of de prostitutie.

En dan dit bericht:  Het aantal miljonairs in Nederland blijft toenemen. Ons land telde begin 2017 ongeveer 115.000 miljonairshuishoudens, zo’n 3000 meer dan een jaar daarvoor. Gemiddeld beschikten de miljonairs over een vermogen van ruim 3 miljoen euro. Daarbij zijn de waarde van de eigen woning en eventuele hypotheekschulden niet meegeteld!. Een groot deel van het vermogen van de miljonairs zit vaak in eigen bedrijven. Het besteedbaar jaarinkomen van miljonairshuishoudens bedroeg in 2017 gemiddeld 117.000 euro, waar niet-miljonairs het gemiddeld met 40.000 euro moesten doen.

Er zijn allerlei meer of minder voor de hand liggende commentaren op bovenstaande nieuwsberichten mogelijk. Duidelijk is in ieder geval dat de kloof tussen heel arm en heel rijk sterk toeneemt, waarbij de regering de armen armer en de rijken rijker maakt. Terwijl de laatste groep allerlei belastingvoordelen van de overheid geniet, worden de armen onderworpen aan o.a. het controleregiem van de bijstand, waarbij ze aan een woud van streng gecontroleerde regels worden onderworpen- sommigen spreken van een sociaal panopticum- en moeten leven van een veel te laag sociaal minimum.

Deels  is daarmee al een antwoord gegeven op de vraag hoe kan het, dat in een rijk land als Nederland spookjongeren zonder enige voorziening rondzwerven, mensen geen geld hebben om eten te kopen en een beroep moeten doen op de voedselbank, en het fundamentele mensenrecht van een dak boven je hoofd in Nederland voor velen niet wordt gerealiseerd? Het is deels het gevolg van overheidsbeleid. Het zou te ver voeren, in dit artikel alle oorzaken op te sommen. Een paar opmerkingen. Daklozen, mensen die een beroep doen op de voedselbank, spookjongeren, hebben vaak te maken met een schuldenproblematiek. Globaal zijn er de volgende typen schulden te onderscheiden:

1. Overlevingsschulden. De schuldenaar heeft te weinig inkomsten in verhouding tot zijn vaste lasten. Dit type schulden komt vooral voor bij mensen die rond het sociaal minimum leven. Deze schuldenaars zullen moeten proberen om hun inkomsten te verhogen door bijvoorbeeld werkaanvaarding of door via hulpverlening gebruik te maken van inkomensverruimende maatregelen, zoals huurtoeslag en zorgtoeslag maar ook het vaak ingewikkelde gemeentelijk minimabeleid.

2. Overbestedingsschulden De schuldenaar heeft in beginsel genoeg geld, maar heeft te veel kredieten afgesloten en is hierdoor in financiële problemen gekomen. Hier vinden we de middengroepen die door hoge kosten zoals kinderopvang betalen of een hypotheek, het hoofd niet boven water kunnen houden.

3. Aanpassingsschulden De schulden zijn een gevolg van een aanzienlijke verandering aan de uitgaven- en of inkomstenkant. Denk aan situaties als echtscheiding, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en dergelijke.

4. Compensatieschulden Deze schulden ontstaan door psychologische problemen zoals drugs- of koopverslaving. Hierbij zullen de problemen die de basis vormen van de problematische schuldsituatie moeten worden opgelost.

Er is nog een vijfde vorm, de zogenaamde ‘aangekoekte schulden’. Dat zijn schulden die ontstaan door boeten, rente, aanmaningen, incassokosten, afsluitingen en aansluitingen, bezoek van deurwaarders, et cetera. Door dergelijke bewegingen rond de oorspronkelijke schuld verdubbelen schuldbedragen zich snel.

Duizenden hulpverleners en ambtenaren zoals GGZ consulenten, sociaal raadslieden, maatschappelijk werkers, sociale dienst ambtenaren etc. houden zich in Nederland bezig met pogingen, de schuldenproblematiek van bovengenoemde categorieën op te lossen. En er is wetgeving, zoals de WSNP, de Wet Schuld Sanering Natuurlijke personen. Over deze hulpverlening als het eigenlijk te laat is valt veel te zeggen, maar ik wil in dit stukje het overheidsbeleid onder de loep nemen. Moeten we niet ook een preventief beleid voeren?

Wat opvalt bij bovengenoemde typen schulden is in de eerste plaats dat veel schuldenaren blijkbaar geen financiële reserve hebben om klappen op te vangen of onvoorziene uitgaven te financieren. (de overlevingsschulden en de aanpassingsschulden). In de tweede plaats dat regelingen en publieke diensten vrij snel wegvallen als bijvoorbeeld het inkomen uit betaald werk wat hoger is. (de overbestedingsschulden). Hoe komt het dat er geen financiële reserve is? Ik denk in de eerste plaats omdat het sociale minimum veel te laag is om van te leven. Je kunt er in het gunstigste geval je vaste lasten mee betalen, en je dagelijkse boodschappen als je zuinig aan doet, maar aan het eind van de maand zit je bij wijze van spreken op 0. Er is geen gelegenheid om te sparen. Uit het oogpunt van preventief beleid heeft het dus wel degelijk zin om het sociale minimum te verhogen. De FNV voert momenteel campagne om het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen naar 14 euro per uur te krijgen onder het motto: #samenvoor14. Maar dat is niet voldoende. Ook is het de vraag, of bepaalde publieke voorzieningen zoals eigenlijk ook de kinderopvang, niet goedkoper moeten worden om de mensen met overbestedingsschulden tegemoet te komen.

Maar vele regelingen zullen moeten veranderen, zoals de Participatiewet waaruit de bijstandsuitkeringen worden betaald. Bij de invoering van de kostendelersnorm- (een korting in de bijstand als er een volwassene bij je in huis woont) werd erop gewezen, dat die de toename van het aantal spookjongeren zou bevorderen. Hoofden van een-ouder gezinnen zouden wel eens hun meerderjarig kind het huis uit kunnen bonjouren, om de korting van de kostendelersnorm te ontlopen, zeker wanneer het hoofd van het een-ouder gezin het water financieel gezien al aan de lippen staat. Eigenlijk is de hele Participatiewet zo ingericht, dat het onder dat regime onmogelijk is een reserve op te bouwen om calamiteiten op te vangen. Het principe is: als er van elders inkomsten zijn, bijvoorbeeld uit deeltijdarbeid, wordt dat in mindering gebracht op je uitkering, en als je ergens kosten kunt besparen, wordt je ook gekort. Dit basisprincipe maakt het ook onmogelijk een reserve op te bouwen.

Ronduit belachelijk zijn de regels op het gebied van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en waterschapslasten. Om voor kwijtschelding in aanmerking te komen moet je spaargeld letterlijk 0 zijn. Heb je een paar honderd euro, dan moet je al betalen. Dus de minima worden voor de keus geplaatst: zorgen dat ik totaal geen reserve heb, of eerst 500 sparen voor de  belastingen en dan begin ik pas te sparen voor mezelf.

Er lijkt mij een verband te bestaan tussen de nieuwe cijfers over dakloosheid en de spookjongeren. Vooral het aantal jonge daklozen is de afgelopen tien jaar toegenomen. Een deel van de jongeren die verschijnt in de daklozenstatistieken lijkt mij te behoren tot de categorie spookjongeren. En hiermee stuiten we op een ander fenomeen van een falend overheidsbeleid: de rigide administratieve bureaucratische registratiesystemen met haar controlemechanismen, die verhinderen dat een daklozen uit zijn of haar situatie komt. Bekend bij daklozen en spookjongeren is het principe van de administratieve vicieuze cirkel. Zoals we hiervoor zagen hebben spookjongeren de afkorting VOW achter hun naam en is het BSN nummer bevroren. Dan kom je voor allerlei regelingen niet in aanmerking, en dus kun je je problemen niet oplossen. Om een bijstandsuitkering aan te vragen, moet je niet alleen een werkend BSN nummer hebben, je moet je woon of verblijfplaats opgeven. En jezelf legitimeren met een ID kaart of paspoort. Veel daklozen hebben dat niet. Dus geen bijstandsuitkering, dus geen begin van een oplossing. Hoe belachelijk de systemen zijn blijkt wel uit het feit, dat daklozen die toch een uitkering krijgen te maken krijgen met ‘struikbezoeken’. Handhavers gaan op pad in parken en straten om te controleren of de bewuste dakloze zich wel bevindt bij het opgegeven bosje of bruggetje.

Het is onmogelijk alle aspecten van een preventief beleid te behandelen, ik heb enkele punten genoemd. Maar bij deze regering ontbreekt de politieke wil om de kloof tussen arm en rijk te verkleinen en iets aan bovengenoemde zaken te doen, te financieren door de rijken een beetje meer belasting te laten betalen. En niet te vergeten de grote  bedrijven te belasten, die van gekkigheid niet meer weten wat ze met hun geld moeten doen. Er is geld zat!

Piet van der Lende

]]>